Heel langzaam komen er wat meer bèta’s

Platform Bèta/Techniek moet van Nederland een exacter land maken. Het loopt vooralsnog bepaald geen storm...

Het kantoor van het Platform Bèta/Techniek staat aan de deftige Lange Voorhout in Den Haag, in het rijtje met Hotel des Indes en de Hoge Raad. Naast de voordeur prijkt een gouden naambord. Dit platform is niet zomaar een platform.

Komende week presenteert het de voorlopige resultaten van zijn strijd om van Nederland een exacter land te maken. Als meer scholieren en studenten voor bèta en techniek kiezen, levert dat uiteindelijk een innovatiever land op, is de gedachte.

Zo bezien is de situatie weinig rooskleurig. Volgens de laatste cijfers van de OESO bedraagt in Nederland het aantal werkenden tussen 25 en 34 met een exacte opleiding 0,83 procent van het totaal. In Europa zit alleen Hongarije lager.

Die lage klassering was in 2003 een reden waarom het platform werd opgericht. Het kabinet wilde het aantal eerstejaars bèta’s tot 2007 met 15 procent laten stijgen ten opzichte van 2000.

Dat was een makkelijk doel. De totale instroom van studenten was al flink aan het groeien, en het leek waarschijnlijk dat de bètastudies daarvan zouden meeprofiteren.

Het aantal eerstejaars aan exacte opleidingen is de afgelopen vijf jaar bij de universiteiten dan ook met 23,3 procent gegroeid. Maar aangezien de totale instroom met 27 procent is gestegen is de relatieve populariteit gedaald. Bij de hbo’s is de situatie nog slechter. Reden voor het kabinet om de problemen steviger aan te pakken: het budget van het Platform Bèta/Techniek steeg dit jaar naar 60 miljoen euro.

‘Het is een zaak van lange adem’, zegt Arie Kraaijeveld, voorzitter van het platform. ‘Wat in 30 jaar is weggelopen, krijg je in anderhalve kabinetsperiode niet terug.’

In die anderhalve kabinetsperiode is wel het een en ander gebeurd. Op de basisscholen, vmbo’s, mbo’s, havo, vwo en in het hoger onderwijs zijn programma’s begonnen met namen als Ambitie, Sprint en Universum, die een nieuwe ‘waardeoriëntatie’ moeten bewerkstelligen: bèta’s zijn leuk en belangrijk. Van de 8000 basisscholen doen er inmiddels 1300 mee en staan er 500 op een wachtlijst.

Ook in het voortgezet en hoger onderwijs doen honderden instellingen mee. ‘We hoeven in het havo en vwo niet alle scholen te bereiken’, zegt Kraaijeveld. ‘Zo’n 35, 40 procent is prima. Als die de nadruk leggen op de exacte vakken, kunnen andere scholen inzetten op cultuur of tweetalig onderwijs.’

Komende week worden de eerste voorzichtige resultaten gepresenteerd van middelbare scholen die deelnemen aan het Universum-programma, met extra techniek in het curriculum en samenwerking met bedrijven. Op de 59 deelnemende scholen blijken scholieren iets vaker een exact vakkenprofiel te kiezen. Op de havo is dit percentage gestegen naar gemiddeld 31,8 (was 28,3) en op het vwo naar 52,3 (was 48,1).

Voor de basisscholen zijn er nog geen cijfers. En de vraag is ook waarom daar al extra aandacht aan techniek en wetenschap moet worden gegeven. Psychologie, economie en rechten hebben ook geen extra aandacht op de basisschool nodig om tienduizenden studenten te lokken?

‘Het is niet mijn bedoeling om van die leerlingen allemaal kleine machinebankmedewerkertjes en lassertjes te maken’, zegt Kraaijeveld, oud-voorzitter van de ondernemersorganisatie FME. ‘We willen vooral een attitude meegeven. Het gaat om nieuwsgierigheid.’

De gebrekkige interesse voor bèta’s en hun kwaliteiten is een culturele kwestie, vindt Kraaijeveld. Het probleem is typisch voor westerse maatschappijen, maar voor Nederland in het bijzonder.

Niet dat het altijd zo is geweest: in de jaren vijftig en zestig gingen middelbare scholieren massaal naar hbs-b. Volgens techniekhistoricus prof. dr. ir. Harry Lintsen van de TU Eindhoven wordt techniek populairder naarmate de nood hoger is. Met klimaatverandering en energieproblemen is de noodzaak van techniek alweer pregnanter, zegt Lintsen. Tijdens de wederopbouw was dat ook zo.

‘Het probleem is dat docenten verkeerde beelden geven’, zegt Kraaijeveld. ‘Voor hen is een bèta iemand die zijn leven lang in een blauwe overall of een witte laboratoriumjas rondloopt. Maar ze kunnen ook ontwerper, fabrikant, verkoper of manager worden.’

Correct is het beeld dat academische bèta’s gemiddeld minder verdienen dan economen, juristen en zelfs socio- en psychologen. Uit nieuwe gegevens van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt van de Universiteit Maastricht blijkt dat een ingenieur begint met een bruto uurloon van 13,85 en een econoom met 15,40. Dan kan er geen sprake zijn van een tekort aan bèta’s, stellen economen. Als er schaarste is, waarom gaat hun prijs dan niet omhoog?

Misschien doet de markt zijn werk niet, zegt dr. Arjan Heyma van SEO, een economisch onderzoeksbureau van de Universiteit van Amsterdam, die deze paradox uitzoekt. Misschien vinden te veel bèta’s hun werk zo leuk dat ze met minder geld genoegen nemen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden