Essay

Heel gewoon Hayat

Advocaat, bakfietsmoeder, Marokkaanse ouders, Nederlandse man. Dat is in het kort Hayat, onze nieuwe columniste.

De nieuwe columniste Hayat schrijft over haar dubbele afkomst. Beeld Eva Roefs

Ik zit bij de Volkskrant aan tafel. Of ik wil schrijven over mijn dubbele afkomst. Dat is leuk, interessant en daar zitten ontzettend veel mensen op te wachten. Juist, ja.

Tegenover mij zitten twee belangrijke mensen die enthousiast zijn en van alles in mij zien wat ikzelf niet herken. Ik ben helemaal geen schrijfster. En die dubbele afkomst, lekker belangrijk. Zo langzamerhand is dat een doodnormaal verschijnsel geworden. Hoeveel volbloed Nederlanders telt ons land nog? Volgens mij stroomt er door de aderen van ons eigen koningshuis meer Duits en Argentijns bloed dan Nederlands. Of telt dat niet mee? Die 'gewone' allochtonen, daar heeft niemand het over. Het gaat om die lui uit het zuiden en oosten, dat is de buitencategorie die ze bedoelen, het gaat om mij als niet-westerse allochtoon. Dus nu zitten twee hoofdredacteuren te genieten van dit Marokkaans-Nederlandse exemplaar dat een uniek inkijkje kan geven in hoe zij is opgegroeid in dit kikkerland.

Zucht.

Hoe ben ik hier in vredesnaam in verzeild geraakt? Van alle scenario's die ik had kunnen bedenken, had ik deze nooit voorzien. Meestal droom ik van een carrière als begaafd pianiste met een gouden strot die hele zalen in vervoering brengt. Waarbij ik tijdens mijn fantastische optredens nonchalant de piano verruil voor elektrische gitaar of drums. Niemand weet het, maar ik ben een vrouwelijke Prince. Mijn droom lijkt ietwat irreëel aangezien ik geen noot kan lezen, spelen of zingen, maar ik vind dat je met enthousiasme ver kunt komen in het leven. Dus in mijn hoofd blijf ik lekker jammen en wacht ik geduldig tot Stevie Wonder me vraagt voor een duet.

Dromen maken het leven leuk. Hoe gestoorder, des te vrolijker en beter. Voor dromen hoef je niet bang te zijn, het is die enge realiteit waarvan ik de zenuwen krijg. Wanneer een volstrekt idioot voorstel zomaar je leven in wandelt. Tastbaar. Dan ga ik prompt allerlei bezwaren verzinnen, Spaans benauwd bij het idee om boven mezelf uit te stijgen. Ik doe mijn hele leven niets anders dan mijn stinkende best om gewoon te zijn. Lukt nooit. Of het nou op de katholieke basisschool was of in de corporale advocatuur, ik viel altijd uit de toon. Altijd maar uitleg geven op goedbedoelde, maar doodvermoeiende vragen. Altijd maar half meedoen aan het programma. Niet meegaan op schoolreisje. Niet meedrinken. Niet op kamers wonen, maar thuiswonend de studie erdoorheen knallen. Ik kan geen enkele reden bedenken waarom ik nu, zoveel jaar later, dat allemaal zou oprakelen. Ik hoor de twee belangrijke mensen dus vriendelijk aan, voel me gevleid, maar besluit dat ik bedank voor de eer.

Ik ben eindelijk gewoon.

In de auto terug naar huis sta ik in de file. Ik ben moe, heb nog gloeiende wangen en de lange dag begint langzaam in te dalen. Er blijft iets hangen. Toen mevrouw de hoofdredacteur van het Magazine met me meeliep naar de lift, vertelde ze terloops over haar 11-jarige zoontje. Bij hem in het voetbalteam zit een Marokkaans jongetje, Ibrahim. Iedereen ergert zich altijd aan hem, want Ibrahim komt vaak te laat of hij komt gewoon helemaal niet. En dan laat hij dat niet eens netjes van tevoren weten.

Sommige ouders hebben al geopperd dat Ibrahim uit het team moet worden gezet, want dat eindeloze wachten op dat kind schiet natuurlijk niet op. Zijn eigen ouders komen trouwens nooit op de club, dus daar kunnen ze het niet mee bespreken. De hoofdredacteur vertelt dat ze zich na ons gesprek ineens realiseert dat Ibrahim misschien thuis alles zelf moet doen, zoals ik dat vroeger ook deed. Ibrahim is niet irritant, hij is gewoon een 10-jarig jochie dat lekker in z'n bed blijft liggen als niemand hem wakker maakt. Net als haar eigen zoontje zou doen.

Ik voel een steek in mijn hart. Ik zag geen nut in het vertellen van mijn verhaal, omdat het mijn verhaal maar is. Hoe weet ik nou wat er bij anderen thuis speelt, of dat nou Marokkanen, Chinezen of Nederlanders zijn? Ik voel me totaal niet geroepen mijn persoonlijke worstelingen te delen over hoe ik mijn plek dacht en denk te vinden in dit land. Het land dat ik het mijne noem, maar waarin ik me toch vaak een vreemde voel. Ik doe m'n ding, ik probeer mijn steentje bij te dragen en verder wil ik met rust gelaten worden.

Maar nu voel ik die steek in mijn hart. Na mijn verhaal ziet de Volkskrant-dame Ibrahim niet meer als een irritante laatkomer, maar vergelijkt ze hem met haar eigen kind. Zo simpel kan het dus zijn? Over een steentje bijdragen gesproken.

'Op dit moment zie ik er trouwens vooral uit als opgejaagd wild. Jonge moeders die voortdurend schipperen tussen die leuke, uitdagende baan en melk afkolven, hebben een bepaalde blik in hun ogen.' Beeld Eva Roefs

Thuis zegt mijn man dat je de mooiste dingen in het leven niet kunt plannen en verrassingen als deze moet omarmen. Daar zit wat in. Hijzelf is daar het levende bewijs van. Het heeft lang, heel lang, geduurd voordat ik mijn heerlijke Hollander heb willen omarmen. En hij is een geweldige verrassing gebleken. Dus misschien moet ik ophouden met mijn gezever en er gewoon voor gaan. Mijn liefde voor taal als uitgangspunt nemen en mijn verhaal vertellen. En wie weet levert dat hier en daar nieuwe inzichten op.

Nou, Ibrahim, daar gaan we dan. Deze is voor jou.

Wie ben ik? Mijn zus en ik deelden thuis een zwart televisietje boven, waarop we al onze favoriete series en programma's keken. Dat ding had een afstandsbediening, dus het was een chique upgrade van het grote bruine monster dat we daarvoor hadden. Beneden volgden onze ouders via de satelliet allerlei Marokkaanse, Egyptische en Arabische zenders. Die vonden wij niet zo interessant en bovendien verstonden we de helft niet. Nee, we kwamen alleen naar beneden tijdens de reclameblokken om thee, chips en koekjes te halen en renden dan snel de trap weer op naar de Honeymoonquiz, Vergeet je tandenborstel niet!, en Wie ben ik?

Het drietal Caroline Tensen, Ron Brandsteder en André van Duin vond ik magisch en ik herinner me de spanning voor elke uitzending, waar ik een week lang naar uitkeek. Als de begintune klonk, seinde ik mijn zus in door het op een brullen te zetten: 'Het begint! Het begiii-hiint!' Mijn zus liet dan alles waarmee ze bezig was uit haar handen vallen, want Hilversum liet niet op zich wachten. Mijn jongere Netflix-zusjes kunnen zich er geen voorstelling van maken. Die drukken gewoon op pauze.

Mijn klasgenootjes keken samen met hun ouders naar al die wonderlijke programma's. Die deelden de belevenissen met z'n allen en spraken er met elkaar over aan tafel. Mijn ouders wisten niet eens wat we keken, dus dan houdt het gesprek snel op. Mijn belevingswereld en die van hen waren net zo van elkaar gescheiden als de tv's, elk op een andere verdieping. Mijn ouders waren druk met hun werk, contact onderhouden met hun familie in Marokko en hun weg vinden in het land waar het lot hen had gebracht. Ik was ondertussen bezig met opgroeien. Niks bijzonders, een kind doet dat (van)zelf.

Als kind van Marokkaanse immigranten ben je net zomin bezig met de identiteit van je ouders als je Nederlandse leeftijdgenootjes. Ik mocht geen varkensvlees, maar een jongetje in de klas was allergisch voor noten. Dat was veel erger, want die mocht nooit een Snickers.

Volwassenen waren veel meer bezig met mijn afkomst. Stond ik argeloos een praatje te maken met een dame die haar hondje uitliet, sprak ze me ineens vol verbazing toe: 'Goh, wat spreek jij goed Nederlands. Knap hoor!' Daar begreep ik dan geen klap van. Ik was toch geen idioot? Dan moesten ze nog horen dat ik op het vwo zat. 'Je bedoelt denk ik het vmbo', kreeg ik vaak te horen. Eh, nee. Ik bedoel precies wat ik zeg, maar als het de communicatie wat verheldert: ik zit op het atheneum. Werd ik aangekeken alsof ik drie armen had.

Na mijn afstuderen kwam ik terecht op een fantastisch leuk advocatenkantoor. Zelfs ik had in de gaten dat ik daar niet thuishoorde. Ik voelde me een exotische vogel te midden van al het corporale geweld. Maar ik had de grootste lol in het nieuwe avontuur en zoog alle indrukken als een spons in me op. Ik voldeed niet aan het standaardplaatje en toch was ik aangenomen. Zie je wel, dacht ik, het gaat er uiteindelijk om wat je kunt en wie je bent. Niet om waar je toevallig vandaan komt, mensen kijken heus verder dan dat.

Kwam het kantoor op een dag aanzetten met een gelikte presentatie waarin vol trots het diversiteitsbeleid werd gepresenteerd. De hr-manager vertelde tevreden dat ze het afgelopen jaar een paar kandidaten had weten binnen te halen die normaal gesproken nooit door de selectie waren gekomen. Door ze toch een kans te geven, had het kantoor nu twee talenten in huis waarmee ze beter konden pitchen bij Amerikaanse cliënten voor wie diversity helemaal hot topic was.

In de zaal zocht ik de blik van de enige andere Marokkaan in het gezelschap: we keken elkaar aan en zakten beiden iets dieper weg in onze stoel. Later troffen we elkaar in de skybar op de 13de verdieping. 'Ik voel me een beetje vies', zei hij beteuterd.

Wie ben ik? Dat is een vraag waar iedere jongvolwassene mee aan de slag moet. En aan het antwoord kan vervolgens een leven lang plezier of ongemak worden beleefd. Nederlanders mogen backpacken door Zuid-Amerika en vliegen daarna - op kamers - lallend het studentenleven in, waar ze via allerlei commissies en bestuursfuncties 'op eigen benen leren staan'. Ik mocht van mijn ouders studeren. Punt. Ik weet nog dat ik een extra vak wilde volgen aan de letterenfaculteit maar dat de college-uren 's avonds waren. Mijn moeder dacht dat ik een dekmantel zocht voor stiekeme avonturen en zei: 'Denk je dat ik gek ben? De universiteit gaat gewoon om vijf uur dicht.' De leraren moesten toch ook naar huis voor het avondeten? Ik heb er wekenlang over moeten doorzeuren en uiteindelijk de studiegids gekocht en haar het rooster en de openingstijden van de uni laten zien. Met wantrouwende ogen en een zuinig mondje heeft ze toegestemd.

Wie ik ben, is natuurlijk onlosmakelijk verbonden met mijn dubbele afkomst. En een mens is vooral een product van aanleg en omgeving. Ik vraag me af of mijn Marokkaansheid ook zo bepalend voor me was geweest als mijn omgeving het gewoon had genegeerd. Als geen dame zich ooit had verbaasd over mijn keurige Nederlands. Als geen recruiter ooit een goede pitchfactor in mij had gezien. Als mijn moeder haar schouders had opgehaald over die rare Nederlandse openingstijden en had gezegd: 'Je doet maar.' Dan was ik niet steeds een Marokkaan geweest, maar gewoon mijzelf. Ik vraag me af hoe ik er dan had uitgezien.

Op dit moment zie ik er trouwens vooral uit als opgejaagd wild. Jonge moeders die voortdurend schipperen tussen die leuke, uitdagende baan en melk afkolven, hebben een bepaalde blik in hun ogen. Een blik ergens tussen vastberadenheid en wanhoop - hoe kunnen moederschap en carrière ooit ontspannen worden gecombineerd? De eerste die het antwoord weet, mag me bellen. Kan me niet schelen waar je vandaan komt.

Onze nieuwe columniste schrijft onder pseudoniem in verband met haar juridische werk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden