Heel even wordt er een leeszaal ingericht

EEN BIBLIOTHEEK in een bibliotheek in een bibliotheek. Zo kan ook de Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde worden omschreven....

KEES FENS

Een bibliotheek van leden voor leden is de bibliotheek van de Maatschappij al lang niet meer. Misschien ligt de oorzaak daarvan wel in de oorsprong van de Maatschappij.

De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde is opgericht in 1776 te Leiden, als een van die vele culturele genootschappen uit die tijd. Ze kwam voort uit een studentendispuut, met genootschapstrekken, dat 'Minima crescunt' heet. (Het geloof in de groei van de minima hebben wij al lang verloren.) De leden van de genootschappen - academici, maar ook 'hogere' kooplui en betere burgers - kwamen bijeen tot onderlinge verheffing en verlichting; men was verplicht tot het houden van verhandelingen of het leveren van dichtstukken. Elk genootschap publiceerde zijn 'Verhandelingen'. Al die genootschapsuitgaven samen geven uiteraard een prachtig beeld van de letterkunde die zich bewoog onder wat nu als de officiële literatuur van een tijdperk wordt beschouwd, maar evenzeer van de beoefening van de taalkunde en de geschiedenis. Genootschappen waren plaatsgebonden, al konden ze een landelijke achterban hebben. Als studentengenootschap kende 'Minima crescunt' uiteraard een sterk verloop. Vandaar dat het zich transformeerde in de landelijke Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Maar dat betekende, al bleef Leiden de vestigingsplaats, toch een decentralisatie. En die had ook gevolgen voor de functie van de bibliotheek.

De huidige Maatschappij vertoont nog de trekken van zijn genootschappelijke oorsprong: zij publiceert een 'Jaarboek', met daarin verhandelingen en de allermooiste en waardevolste rubriek, de 'Levensberichten', - o, de gedocumenteerde vergeefsheid van de levens van al die doden - zij geeft nog altijd een taal- en letterkundig tijdschrift uit, met inhoud en gezag van de ouderdom, kende tot niet zo lang geleden maandelijkse vergaderingen, nu alleen nog de grote jaarvergadering; de meesten van haar leden zijn nog altijd academici (in de letteren en de geschiedenis vooral) - schrijvers weigeren doorgaans het dwangbevel dat de benoeming tot lid van de Maatschappij is - en zij heeft uiteraard haar bibliotheek, welk verscholen leven die dan ook kent. Haar geleidelijke bekering tot de huidige letterkunde kan men aflezen uit de door haar toegekende prijzen, de Van der Hoogtprijs bijvoorbeeld, die lenteprijs die uit de blijvende herfst lijkt te komen. De prijs van het meesterschap herinnert mischien nog het meest aan de gilde-achtige achtergrond van het genootschap, opgericht in de tijd dat literaire waarde meetbaar was en in de toekomst werd geloofd.

DE KERN van de Bibliotheek van de Maatschappij was het bezit van 'Minima crescunt'. Toen de Maatschappij zich als doel had gesteld mee te werken aan de opzet van een 'Algemeen omschrijvend woordenboek der Nederlandsche taal' konden de planken systematisch worden gevuld. De verwerving van oude letterkundige uitgaven en handschriften, historische werken en historische teksten stond in dienst van het taalkundig doel: men verzamelde materiaal. De eerste grote schenker van met name middelnederlandse handschriften, Zacharias Hendrik Alewijn - hij was een van de oprichters van de Maatschappij - was een jurist met sterke taalkundige belangstelling. (De genootschappen geven ook het beeld van de triomf van het amateurisme.) Hij was vermogend en kon op een veiling veel uit de bibliotheek van Balthazar Huydecoper kopen. Die hoorde ook tot de oprichters van de Maatschappij; hij stond een deel van zijn bibliotheek aan de Maatschappij af; met wat Alewijn eruit kocht en later weer vererfde aan de Maatschappij, moet bijna de hele bibliotheek van Huydecoper in Leiden terecht zijn gekomen.

Aan grote schenkers heeft de biibliotheek, die gezien ging worden als de beheerder van het culturele erfgoed, zeer veel te danken. Erflaters brachten complete gespecialiseerde verzamelingen binnen, op zeer verschillende gebieden. Het mooie is dat de legaten de altijd aan geldgebrek lijdende bibliotheek tot verplichtingen dwong: de gekregen collectie diende te worden bijgehouden. Wie krijgt, wordt op kosten gejaagd. Een van de grote erflaters was de negentiende-eeuwse taalkundige Eelco Verwijs, die zijn hele bibliotheek schonk. Als met bijna elke schenking gingen de boeken eruit op in het grote geheel. Zou zijn bibliotheek nog te reconstrueren zijn? Het is mogelijk dat de 'dubbelen', die de Maatschappij zonder twijfel kreeg, weer verkocht zijn. Wat heeft C.J. Wijnaends Francken, die ook een fonds naliet waaruit de naar hem genoemde prijs wordt gefinancierd, nu precies vererfd? Niemand in de bibliotheek kijkt ernaar om, lees ik. De schrijver van zijn portret kennelijk ook niet.

Schenkingen zijn niet altijd welkome cadeaus, denk ik. Dat is het gevolg van de dubbelzinnige situatie van een bibliotheek als die van de Maatschappij: zij was in elk geval vroeger afhankelijk van giften en nalatenschappen, maar de laatste hebben uiteraard een toevalig karakter. De bibliotheek kan een verzameling 'toevalligheden' worden, maar dan is ze ten slotte geen bibliotheek meer. Een bibliotheek veronderstelt een althans gedachte structuur en eenheid en daarmee ook een doel in het verzamelen. De bibliotheek van de Maatschappij wil een bibliotheek zijn, maar het wordt haar haast onmogelijk gemaakt! Alleen opname in dat heel grote geheel van de Leidse Universiteitsbibliotheek kan haar de mogelijkheid tot volwaardigheid geven: ze vult aan en wordt aangevuld. Zelf is ze in hoofdzaak een collectie verzamelingen en daarmee ook voor wie zich in haar verdiept, haar eigen geschiedenis.

HOE ZOU de bibliotheek er hebben uitgezien als ze zelfstandig was gebleven? Wat zou men in de leeszaal ervan hebben kunnen raadplegen? Men kan het zich moeilijk indenken, want we kennen de bibliotheek niet. Dierbaar magazijn heet een boek dat delen van die mogelijke gedaante gestalte geeft. Even wordt er een leeszaal voor ons ingericht. En experts geven een toelichting bij grote en belangrijk geachte onderdelen van de bibliotheek. Het was natuurlijk prachtig geweest als één geleerde de geschiedenis van de hele bibliotheek had geschreven. Er zou iets van een schijnvolledigheid hebben kunnen ontstaan. In elk geval zou men een idee van het geheel hebben kunnen krijgen, van de groei ervan, van de mogelijke eigenheid ervan ook. Men heeft zich nu beperkt tot het beschrijven van enkele bijzondere onderdelen; dat heeft ook tot gevolg dat het verhaal nogal eens opnieuw begint. Het brengt ook mee dat de delen van opzet nogal verschillen. Er is gepoogd een chronologische volgorde aan te houden: men begint met de middelnederlandse handschriften (die een hoogtepunt in de verzameling vormen) en eindigt met een poging tot beschrijving van wat de bibliotheek uit de nalatenschap van J.C. Bloem heeft gekocht. Ik schrijf met opzet 'poging', want het blijkt verre van gemakkelijk uit het geheel van de bibliotheek het aan een persoon gebonden onderdeel te reconstrueren. (Over de ordening, maar vooral over de nog altijd bij bepaalde delen niet gemaakte ontsluiting, wordt meer geklaagd.)

Mij lijkt het onderdeel over de middelnederlandse handschriften, geschreven door

A.Th. Bouwman, een der best geslaagde, juist waar het om de beschrijving van een collectie gaat; het is, als men wil, een echt bibliotheek-gericht stuk. Ik stel daar een ander, op andere wijze voortreffelijk stuk tegenover: dat van Marco de Niet; het is getiteld De Januskop van de achttiende-eeuwse Nederlandse almanak. In 1898 ontving de Maatschappij een zeer omvangrijk legaat aan almanakken, bij elkaar zo'n duizend boekjes. De bibliotheek had al een verzameling; zij had met het legaat ineens de grootste collectie almanakken van het land. De Niets stuk nu is een typisch literair-historische bijdrage, dat de collectie als aanleiding neemt voor een nadere studie. Hij toont aan wat men vanuit deze verzameling van de bibliotheek kan schrijven. Het stuk is allerminst bibliotheek-gericht, zoals dat van Bouwman. Die beschrijft het materiaal, De Niet schrijft vanuit het materiaal. Zijn geestgenoot is Maggy Wishaupt, die over de collectie Braches schrijft en dat meer over de nieuwe kunst zelf doet dan over die collectie. Arie Jan Gelderblom neemt met zijn bijdrage over 'De collectie plaatsbeschrijvingen van Nederland en koloniën', een voortreffelijk stuk overigens, een tussenpositie in. We krijgen een heel goed inzicht en een uitstekende situering van de onderdelen van de collectie. De auteur doet aan het slot een aantal voorstellen tot onderzoek.

Misschien is dit laatste typerend: al of niet direct wordt voortdurend de wens geuit dat er iets met onderdelen van de bibliotheek zal gebeuren. Dierbaar Magazijn lijkt ook een invitatie aan jonge geleerden. Het slotstuk van Nop Maas, over de brievencollecties, is dat heel duidelijk: hij roept een goudmijn op en tracht met schitterende vooruitzichten mijnwerkers te werven. Een demonstratie van de mogelijkheden die één enkel onderdeel biedt, geeft Peter van Zonneveld met zijn bijdrage over het Album amicorum van Nicolaas Beets en met zijn stuk over handschriften van negentiende-eeuwse literatoren. Het boek heeft soms het ontmoedigende karakter van veel literatuur-historische studies: alles moet nog gebeuren.

DE BIJDRAGEN over boeken, genres of verzamelingen worden afgewisseld met portretten van verzamelaars en erflaters. Dat over de negentiende-eeuwse boekhandelaar en uitgever A.C. Kruseman is verreweg het aardigste. Berry Dongelmans schreef het. Een werkelijk schitterende combinatie van portret en beschrijving van de boeken, van verzamelaar en verzameling is het stuk over het Museum Catsianum van W.C.M. de Jonge van Ellemeet, een Zeeuwse edelman die alles over en van zijn provinciegenoot bijeenbracht. Zijn verzamelkunst heeft het vernietigende stuk van Busken Huet over Cats vele jaren overleefd. Maar toen de collectie eigendom werd van de Maatschappij, was de waardering van Cats op dat diepe punt van waaruit ze nooit meer omhoog is gekomen.

Piet Calis schrijft een bewonderend stuk over de collectie ondergrondse boeken, prenten en tijdschriften uit de Tweede Wereldoorlog, bijeengebracht door Dirk de Jong, ook onvergetelijk vanwege zijn Het vrije boek in een onvrije tijd, als mens, voor wie hem hebben gekend, het meest onvergetelijk. Wat had ik graag een klein portret van hem gelezen. R.L.K. Fokkema schrijft over literaire tijdschriften tussen 1945 en 1965. De collectie tijdschriften van de Maatschappij levert het materiaal, maar datzelfde materiaal is bijvoorbeeld ook in het bezit van het Letterkundig Museum, in elk geval heel eigen voor de bibliotheek van de Maatschappij lijkt het stuk mij niet.

Ik zeg dat laatste voorzichtig, want wat is eigen aan die bibliotheek? Zoals ze hier wordt gepresenteerd is ze een verzameling willekeurigheden en toevalligheden. Misschien is ze ook niet meer of minder. Er is dus inderdaad niet meer dan een verzameling stukken over te schrijven, die voor een deel door andere stukken - er moeten toch meer bijzondere collecties zijn - vervangen kunnen worden. Dierbaar magazijn lijkt op de bibliotheek. En daarmee is de ondertitel van het boek: 'De bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde' gerechtvaardigd. Al wekt die natuurlijk andere verwachtingen. Het is jammer dat het inleidende stuk, 'Verzamelen in vogelvlucht' van Berry Dongelmans en Marco de Niet, zo onoverzichtelijk is (een hele prestatie bij een vogelvlucht). Een veel samenvattende inleiding had heel wat aan de losheid van de erop volgende onderdelen kunnen rechtvaardigen.

Er is niets mooiers dan het bedenken van boeken over bibliotheken, hoewel het lezen over bibliotheken nog mooier kan zijn. Ik had me verheugd op een dergelijk boek. Maar ik moet vaststellen, dat de Bibliotheek van de Maatschappij kennelijk geen bibliotheek is. Ze is in elk geval niet te ordenen. Voor wie er toegang in zoekt, valt ze uiteen. In kleine bibliotheken. En zo valt Dierbaar magazijn - hoe dierbaar is dat en voor wie? Had niet iemand een duidelijke liefdesverklaring kunnen schrijven? - uiteen in losse stukken, die alle werkelijk prachtig zijn geïllustreerd. Het uit 1774 daterende schilderij van P.C. La Fargue van de vergaderzaal van het genootschap 'Kunst Wordt Door Arbeid Verkregen' overtuigt mij ervan dat ik een trouw lid van het genootschap geweest zou zijn. Je amateurisme beleven en uitleven in zo'n omgeving, - het lijkt mij zeer verleidelijk. Net als verzamelen.

Dierbaar magazijn, De bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, onder redactie van Berry Dongelmans, Frits van Oostrom en Peter van Zonneveld, met medewerking van Marco de Niet, Amsterdam University Press, prijs ¿ 95,-.

Het boek verschijnt aan het eind van deze week.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden