Heel de Bouwende mens

Hij begon zijn architectenloopbaan in Purmerend, waar hij was geboren. Pas in Leiden werden hem de ogen geopend. Jacobus Johannes Pieter Oud (1890-1963) kwam er Theo van Doesburg tegen, en bekeerde zich tot De Stijl....

Ze namen de nieuwe tijd met volle teugen tot zich en omarmden de grote stad met zijn stadslawaai, drukte en snelheid van indrukken. Ze zagen de toekomst in de gestroomlijnde vormgeving van auto's en treinen, oceaanstomers, moderne herenkleding en sportkleding, elektrische- en sanitaire artikelen en vonden een nieuw ritme in de jazz en het aan en uit flikkeren van lichtreclames.

De schilderkunst was de architectuur lichtjaren voor, het kubisme was de kunstuiting van de toekomst geworden en J.J.P. Oud noemde zich, in die jaren van zijn vriendschap met Theo van Doesburg en Mondriaan, geen architect meer, maar ruimtekunstenaar. Picasso had de bakens verzet en een nieuwe richting gewezen. De wereldoorlog van 1914-1918 had Europa wakker geschud en de weg vrij gemaakt voor nieuwe ontwikkelingen.

Ze drukten zich nog uit - het is een vreemde ervaring om dat nu zo te lezen - in een oude spelling, maar ontwikkelden er wel een nieuwe, visionaire beeldtaal in. 'De vlakken waarmede wij, als ruimtekunstenaars', voorzag Oud in 1916, 'onze ontroering realiseeren, zal zij (d.w.z. de schilderkunst) kunnen bezielen en tot een wezenlijk bestanddeeel der ruimte maken, dat haar inniger en ontroerender kan doen zijn. In de gewijde ruimte zullen de gouden en blauwe verbeeldingen samenstemmen met de verheeven choraalzangen; in de feestzaal zullen de fel-kleurige visioenen den dollen roes der feestenden opvoeren.'

Hij kon genadeloos oordelen over alles wat van vroeger was of voor hem had afgedaan, want eerst moest er gesloopt worden voor iets nieuws tot stand kon komen. De Amsterdamse School deed Oud steigeren van woede, 'het ornament is het universeel geneesmiddel voor bouwkunstige impotentie'. De interieurs van Van Ravesteyn ademden voor hem 'de geest van mijn oude tante'. Toen hij uitgekeken raakte op Le Corbusier zei hij dat 'van een oud boerenhuis meer was te leren' en na zijn breuk met Van Doesburg noemde hij hem een 'cubist van provinciaalsche beteekenis'.

Oudje

J.J.P. Oud (Jacobus Johannes Pieter, die als kind Ko heette en later Bob voor zijn vrienden of plagerig Oudje) leefde van 1890 tot 1963. In de jaren twintig en dertig ontwikkelde hij zich - met zijn baanbrekende theorieën en schetsontwerpen in het blad De Stijl en met uitgevoerde werken in de volkswoningbouw in Hoek van Holland, Rotterdam en Stuttgart - tot een wereldberoemd architect, op gelijke hoogte gesteld met Le Corbusier, Gropius en Mies van der Rohe. Hij kreeg een ereplaats in 1932 op een tentoonstelling over het Nieuwe Bouwen in het Museum of Modern Art (MoMa) in New York, samengesteld door Philip Johnson die er het functionalisme in Amerika mee introduceerde. Oud werd er ('Here is the complete master of the new manner') uitgeroepen tot de New Pioneer.

Hij correspondeerde met alle grote vernieuwers en denkers in zijn vak, aan beide kanten van de oceaan, van Le Corbusier tot Frank Lloyd Wright, met wie hij zich verbonden voelde. Hij was thuis in het internationaal debat, waarin hij een gezien deelnemer was. Oud kreeg in die jaren docentschappen aangeboden in Düsseldorf, Zürich, München en aan de Harvard University, maar hij wees alle aanbiedingen af en trok zich terug uit de frontlinie. Het Nieuwe Bouwen had voor hem, het was midden jaren dertig, afgedaan. Hij verbrak zijn contacten met de architectenvereniging Opbouw en keerde de CIAM (Congrès Internationaux d'Architecture Moderne), het internationale podium van de beweging, de rug toe en zocht zijn eigen, eenzame weg in wat hij een 'poëtisch functionalisme' noemde.

Zijn rol was uitgespeeld. Oud probeerde later hartstochtelijk zijn vooroorlogse positie aan het front van de vernieuwing te heroveren, maar zag al zijn pogingen stranden. In 1952 werd niet hij maar Van Doesburg tot de grootste architect van de beweging uitgeroepen op een overzicht van De Stijl in het MoMa, wat Oud zag als een bewuste poging om hem uit de architectuurgeschiedenis te schrijven. In 1955 werd die expositie gevolgd door een publicatie, Masters of Modern Art, waarin Oud niet eens meer ter sprake kwam.

Hij schreef een boze brief aan samensteller Philip Johnson, die bijna huilerig aan doet: 'If America does not like my future, it could have at all events respect for my past that helped its architects too.' Oud was na de oorlog alleen nog in Nederland actief. De wereld was hem vergeten. Pas later kreeg hij internationaal de aandacht weer, die hij voor de oorlog met zijn denken en ontwerpen had afgedwongen.

Die herwaardering wordt nu voltooid met een oeuvre-overzicht in het Nederlands Architectuurinstituut en een omvattende studie, zeshonderd pagina's dik, met het complete overzicht van zijn werk - van zijn eerste jongenskrabbel op zijn zestiende van een huis voor een tante in Purmerend, tot zijn laatste werk aan het Congresgebouw in Den Haag. De tentoonstelling en de catalogus vormen de afsluiting van een groot onderzoeksproject van de Rijksuniversiteit Groningen in samenwerking met het NAi. Voor het eerst is zijn werk nu net zo uitvoerig gedocumenteerd als dat van die andere grondleggers van de Moderne Beweging.

Thema's

Op de tentoonstelling wordt zijn oeuvre opgediend in vijf thema's aan de hand van maquettes, foto's en tekeningen. De Amerikaanse architect en architectuurhistoricus Philip Johnson (1906), dezelfde die Oud bijna driekwart eeuw geleden in Amerika introduceerde, ontwierp er een installatie voor, Welcoming Arms, waarin hij die oude verwantschap actualiseert.

In de monografie J.J.P. Oud. Poëtisch functionalist (samengesteld door Ed Taverne, Cor Wagenaar en Martien de Vletter) is zijn volledige werk gedocumenteerd, verbonden met begeleidende teksten over zijn leven en werk en zijn betekenis in de ontwikkeling van de moderne architectuur. Maar het belangrijkste is natuurlijk, in tekeningen en begeesterde geschriften, de levensdraad van zijn ontwerpen zelf. Voor het project is zijn archief, met twintigduizend tekeningen, vijftienduizend brieven, vijfduizend foto's en talloze geschreven stukken, opnieuw omgespit. Het wordt ons nu voorgeschoteld in de kleuren van de fotografie uit zijn tijd, zwart-wit, met op het laatst een eerste experiment in full-colour, in de tere zuurstokkleuren waarmee de foto-industrie ons toen vertederde.

Voor het boek is geen nieuw beeldmateriaal gebruikt, geen architectuurfotograaf van nu is ervoor op pad gestuurd. Het overzicht van Oud is zorgvuldig historisch opgebouwd uit het materiaal dat uit zijn tijd kwam, in tekeningen en schetsen, foto's, brieven, stukken in tijdschriften, krabbeltjes en voorschetsen. Het begint bij het begin, niet bij een hoogtepunt, en eindigt bij het einde. We zien hem en zijn vrienden zo de wereld verkennen en ontdekken met een euforische verrukking.

Al schrokken ze daar, geworteld in het nette en burgerlijke Holland, soms ook een beetje voor terug, zoals blijkt uit een observatie van Van Doesburg in het Bauhaus in Weimar. Hij was laaiend enthousiast, maar ook verbijsterd: 'Die Bauhaus-modernisten loopen als gekken rond, zooveel mogelijk bloot, bloot, bloot, voeten, halzen, borsten, beenen. In hunne haren worden door de raven en sprinkhanen nesten gebouwd, de kreeften leggen eieren in hunne oorholten.' Maar hoe langharig ook, hij omarmde wel onmiddellijk de esprit van de beweging.

Purmerend

Oud groeide op in Purmerend en bouwde daar, begeesterd van de nieuw ontwikkelde tuinsteden en landhuizen in Engeland, zijn eerste huizen, meest voor familie en relaties, en niet alleen huizen maar ook winkels, een bioscoopje en iets simpels als een paardenstal. Hij stuitte er ook, 'vervuld van de hoogste gevoelens voor mijn vak, maar nog onbekend met de listen en lagen die het gewone leven de bouwende mens stellen kan', op de kloof die er gapen kan tussen kunstenaar en opdrachtgever bij het ontwerpen van een huis met een woonkamer voorzien van één enkel, groot raam. Hij wees de onwillige opdrachtgever erop 'hoe rustig de lichtval is bij een enkel raam en hoe prachtig de schaduwwerking. Veel beter dan twee ramen, die verstrooid licht geven.' En kreeg tenslotte als antwoord op zijn exposé: 'Het zal wel waar zijn, maar met twee ramen krijg ik hypotheek en met één raam niet. En ik heb sch... aan mooi licht.' 'Sedertdien', schreef Oud, 'ben ik met esthetische argumenten uiterst voorzichtig geworden.'

Purmerend werd hem te klein. Oud verhuisde naar Leiden, waar hij een kosmopolitischer omgeving zag in de villabouw in de naburige duinen en hij ontmoette er - het werd een keerpunt in zijn leven - Theo van Doesburg, de bezielende motor van wat later De Stijl zou worden, het blad en de beweging. De Stijl werd de bakermat van het functionalisme, podium voor een nieuwe tijd. Tussen 1917 en 1921 schreef Oud er zeven artikelen voor, waaronder 'Over de toekomstige bouwkunst en hare architectonische mogelijkheden', een van de eerste theoretische reflecties over het wezen van het moderne bouwen.

In hun briefwisseling dreunt hun enthousiasme nog door. 'Jezus kerel, toen ik tot het besef kwam wat er nu eigenlijk gebeurd was', schreef Van Doesburg aan Oud toen hij onverwacht steun kreeg voor een project, 'kreeg ik 'n gevoel om uit de eerste de beste stoeptegel 'n stijlvol beeld te slaan.' Voor hij zijn nieuwe ideeën in praktijk kon brengen, had Oud ze al in De Stijl uiteengezet. Zijn ontwerp voor een fabriek in Purmerend (1919-1920) werd door Van Doesburg onmiddellijk herkend als de geboorte van het kubisme in de architectuur en geadopteerd als manifest en beeldmerk van De Stijl.

Dadaïstisch

In de jaren twintig en dertig werd Oud die spil van de Moderne Beweging, maar toen had hij het contact met Van Doesburg en De Stijl verbroken, die was hem te dadaïstisch geworden, te weinig concreet. Oud duldde geen invloed van anderen op zijn architectuur, van een wisselwerking met de schilderkunst moest hij niets meer hebben. 'Hij besloot', zegt de studie, 'zijn kubistische experimenten te staken omdat die weliswaar een springplank voor een nieuwe architectuur konden zijn, maar nooit tot die architectuur konden rijpen.'

Hij was inmiddels architect van de Woningdienst in Rotterdam geworden. Zijn eerste zorgen lagen op een ander terrein, maar hij bleef dat omvangrijke internationale netwerk onderhouden en publiceren, na De Stijl in Arthur Lehnings revolutionaire blad i 10. Alles was revolutionair in die dagen en in hun ogen. Het programma van eisen voor de roemruchte Weissenhofsiedlung in Stuttgart (1926-27), een experimentele woonwijk als showrooom van het Nieuwe Bouwen, was geschreven door de vereniging van huisvrouwen en werd prompt opgenomen als manifest van een nieuwe tijd in i 10.

Oud ontwierp, tegen bezuinigingsgolven in, in gemeenteopdracht enkele hoogtepunten van het Nieuwe Bouwen, met zijn woningbouw in Hoek van Holland, het Witte Dorp en de Kiefhoek in Rotterdam - met als lichtvoetige uitspringers Café De Unie, waar dat Großstadt-ritme van lichtreclame en architectuur tot een tapdance op de gevel is gemaakt, de directiekeet voor het Witte Dorp en een grafsteen voor een familielid waar we het lichtvoetige ritme van De Unie weer in terugvinden.

Al zijn opvattingen over ontwerpen voor een nieuwe wereld en een nieuwe mens kwamen samen in het rijtje huizen dat hij voor de Weissenhofsiedlung ontwierp, in exterieur en in het binnenontwerp. Het werd gebouwd in gietbeton (en niet zoals zijn Rotterdamse wijken in gepleisterd baksteen). Het rijtje werd onmiddellijk omarmd als direct, spontaan, ongedwongen, een uitdrukking van het moderne leven en de sensatie ervan, strak, helder, ritmisch, met de allure van een villa en de vormsnelheid van een benzinepompstation.

Detail

Vanzelfsprekend en onopzettelijk waren de sleutelbegrippen van zijn denken, zo moest een gebouw ervaren worden, maar geen detail ontsnapte aan zijn aandacht. In zijn ontwerp voor flatbouw in de Rotterdamse wijk Blijdorp (1931-32) was voorzien in aparte droogruimtes voor de was, want het 'willekeurig ophangen van gewasschen goed' was hem een doorn in het oog. Op perspectieftekeningen werkte hij dat beeld nog eens uit, ze zijn merkwaardig stijfjes en swingend tegelijk, calvinistisch en hot.

Voor Oud lag het primaat van het ontwerpen bij de architect. Hij was wars van getheoretiseer, en had een afkeer van teamwork. 'Laat men al die theorie, al die reclame, al dat cijferen en verantwoorden; kortom: laat men al die remmen nu eens loslaten en gewoon doen', schreef hij in 1941. 'Laat men eens 'lekker' doen. Een huis bouwen, eenvoudigweg, zooals men het plezierig zou vinden om in te wonen. Niet denken aan het goede gedrag als theoreticus en desnoods dwars tegen het beginsel in, maar gewoon echt: van binnen uit.'

Hij had zich geïsoleerd en was op een eiland komen te staan. Oud had graag een openbaar gebouw ontworpen, maar verloor alle prijsvragen, voor de Beurs in Rotterdam, het stadhuis van Amsterdam en het provinciehuis in Den Haag. Hij verbaasde tenslotte de wereld met zijn ontwerp voor het hoofdkantoor van de Shell in Den Haag, waar hij vlak voor de oorlog aan begon en het direct erna voltooide. Tot schrik en afschuw van iedereen die het Nieuwe Bouwen aanhing, liet hij het ornament weer toe. Oud werd verketterd en van verraad beticht.

Keuze

We kunnen naar de reden van die dramatische keuze om te breken met vroeger alleen maar gissen. Hijzelf weersprak altijd dat er van een breuk sprake was. Oud zag alleen een ontwikkeling, in een constante, poëtische lijn. Twee keer in zijn leven is door anderen geprobeerd om Oud in het buitenland, en vooral in Amerika, te lanceren als uitvoerend architect. De eerste keer door Van Doesburg, de tweede maal door Philip Johnson. Waarom hij met Van Doesburg brak, is duidelijk. Het conflict binnen De Stijl werd toen, in woord en geschrift, in alle openheid uitgevochten.

Waarom hij later niet op Johnsons pogingen inging, en zich in die periode zo volledig isoleerde, wordt niet duidelijk gemaakt. We moeten het doen met een zijdelingse aanwijzing van persoonlijke omstandigheden, die duiden op een psychische inzinking. De studie heeft het werk willen doen spreken, en niet het leven. Maar als uit levensomstandigheden dramatische consequenties volgen is dat relevant, daar is niets triviaals aan.

Uit de woningbouw had Oud zich na de oorlog vrijwel teruggetrokken. Hij ontwierp vooral kantoren en overheidsgebouwen, de nationale herdenkingsmonumenten op de Dam en de Grebbeberg. En hij keerde opeens, tot ieders verrassing, op zijn manier weer terug naar de wortels van het Nieuwe Bouwen in het Bioherstellingsoord in Arnhem (1952-60) en in het Congresgebouw in Den Haag (1956-63). Middenin de bouw daarvan werd hij uit het leven weggerukt. Het boek eindigt hier even abrupt, alsof het daar ook sterft.

Meer nog dan in het congrescentrum en het herstellingsoord vond hij die wortels van toen weer in zijn ontwerp voor het woonhuis Plate (1960). Het is nooit uitgevoerd, de opdrachtgever vond het te duur worden. Ouds tekeningen en maquette vormen een statement, als uit die jaren van euforie en ontdekking, maar het is bezonkener dan toen, volkomen in harmonie van verhouding en gebaar, en lichter dan ooit, transparant, bijna zwevend. Het is geen ontwerp meer, maar een droom.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden