Opinie

'Heel Damascus is inmiddels een vluchtelingenoord'

Journaliste Naeeda Aurangzeb ging op pad met de initiatiefnemers van Help Syrië de Winter Door. 'Wat we ook doen, het is niet genoeg.'

Jongetjes lopen naar school door een wijk in Damascus. Beeld reuters

Als journaliste heb ik in de loop der jaren veel vluchtelingen geïnterviewd en nog vaker met politici en hulpverleners gesproken over landen in conflict. Op het moment dat ik door de initiatiefnemers van Help Syrië de Winter Door werd gevraagd mee te gaan naar Damascus als waarnemer heb ik ook geen moment getwijfeld. Niet alleen maar praten over oorlog en vluchtelingen, maar zelf ter plekke zien, voelen en ervaren, dat is een onbetaalbare ervaring voor een journalist.

Een cargovlucht met aan boord 20.000 kilo hulpgoederen - ingezameld door met name Nederlandse moslims - kwam aan op het verlaten, spookachtig internationale vliegveld van Damascus. We werden begroet door het geluid van bommen en kanonschoten. Soldaten, die leken op acteurs uit een slechte B-film, liepen doelloos heen en weer. Het voelde op een onverklaarbare manier fout om hier te zijn, op dit vliegveld dat door de internationale wereld werd geboycot, omringd door de vechtersbazen van Assad.

Kinderjasjes, gesponsord door Najib Amhali
Na wat papierwerk mochten we de loods inlopen. Wat ik had verwacht, weet ik niet, maar ik had zeker niet verwacht dat ik zo emotioneel zou worden bij het zien van al die grote dozen met een sticker: Help Syrië de Winter Door. Op enkele dozen had iemand met de hand de woorden We do care! opgeschreven. De soldaten hadden wat dozen opengemaakt om de inhoud te controleren. Ik keek mee, basmati rijst, geschonken door de Pakistaans-Nederlandse gemeenschap, kinderjasjes, gesponsord door Najib Amhali, blikjes bruine bonen, babyvoeding, elektrische kachels en een grote doos met de sticker: nieuw maandverband. De tekst die we nodig hadden om goed te lachen en het geluid van de bommen niet te laten binnenkomen.

Met mijn handen gleed ik over de dozen en dacht steeds, Yes we can! Hier is het bewijs dat een handjevol vrijwilligers het verschil kan maken. In Nederland je kast leeghalen, je oude kleding in een zak stoppen voor een goed doel, boodschappen doen voor mensen in een oorlog, inleveren op een ophaalpunt en een paar weken later staat alles in een loods in Damascus.

 
Met mijn handen gleed ik over de dozen en dacht steeds, Yes we can! Hier is het bewijs dat een handjevol vrijwilligers het verschil kan maken

De euforie was van korte duur, want nu moesten we nog deze hoeveelheid goederen bij de vluchtelingen zien te krijgen. De dagen voordat de cargo aankwam, hadden wij al een inventarisatie gemaakt in de vluchtelingenkampen: wie heeft wat nodig. In totaal bezochten we acht vluchtelingenkampen. Hoewel het woord kampen niet helemaal correct is. In de praktijk is heel Damascus intussen een vluchtelingenoord. Ja, er zijn witte VN-kampen, maar nog meer mensen worden opgevangen in voormalige schoolgebouwen, moskeeën, in het UNWRA-hoofdkantoor, appartementen zijn omgetoverd tot geïmproviseerde deelappartementen waar niet langer één gezin woont, maar zes gezinnen per appartement.

'Hij was mijn grote liefde'
Wie zijn deze mensen? Aan welke kant van het conflict staan zij? Wie heeft hun huis gebombardeerd? Thuis vanaf mijn bank stelde ik deze vragen bij het zien van de vluchtelingen op het NOS Journaal, hier in het kamp lijkt de vraag er niet meer toe te doen. Ik zie een leeftijdsgenote met vier kinderen, die haar huis kwijt is en haar echtgenoot. De fabriek waar hij werkte, werd gebombardeerd en hij was op slag dood. Ze vertelt: 'We waren al 20 jaar samen en iedere ochtend dronken we samen thee in stilte. Hij was mijn grote liefde.' Ik omhels haar en samen huilen we om het verlies van grote liefdes, een gevoel dat universeel is.

Intussen is in Nederland op sociale media een discussie aangewakkerd door een marginale groep betweterige moslims, voor wie sjiieten en alewieten minder mens zijn dan soennieten. Deze groep roept de rest van moslim-Nederland op om de hulpactie te boycotten. Wij zouden de Assadaanhangers helpen en niet zijn slachtoffers. Moet ik mijn leeftijdsgenote, die snikkend in mijn armen ligt, vragen of ze een Assad-aanhanger is? En als ze ja zegt, wat doe ik dan?

Een paar dagen later ga ik terug naar haar kamp, ditmaal met een kleine vrachtwagen vol hulpgoederen. Ik zoek haar op in haar tent en heb een jas voor haar jongste zoon bij me. Na een warme omhelzing stel ik haar de vraag die me toch bezig houdt, zijn de mensen in dit kamp voor- of tegenstanders van Assad? Ze trekt wit weg, en fluistert: beide. Is dat veilig, vraag ik. Ze rolt met haar ogen en schudt bijna onzichtbaar met haar hoofd. Ik voel afstand ontstaan, ze trekt zich terug. Terecht, want niemand is te vertrouwen, ook ik niet en wellicht ook zij niet. Hielp ik hier de aanhangers van Assad? Misschien.

Beeld reuters
 
Niemand is te vertrouwen, ook ik niet en wellicht ook zij niet. Hielp ik hier de aanhangers van Assad? Misschien

Geen hulp of voedsel
In de moskee net buiten het Palestijnse vluchtelingenkamp Yarmouk bezochten wij vrouwen en kinderen uit het kamp die het is gelukt om te ontkomen aan de humanitaire ramp die zich daar afspeelt. Verschillende rebellengroepen zijn verwikkeld in een gewapende strijd met het Syrische leger, dat het kamp heeft omsingeld. Er mag geen hulp of voedsel het kamp in, ook de VN en UNWRA komen het kamp niet in. Wij brachten de vrouwen babyvoeding, kleding en nieuw maandverband. Ja, hier hielpen wij gezinnen van de rebellen.

Hulp brengen klinkt overigens nobeler dan het in werkelijkheid is. Dozen vol kinderschoenen tot maat 28 hebben wij bij ons, de jonge studenten tegenover ons lopen op versleten schoenen, of we ook voor hen schoenen hebben. Nee, dus. Een groep vrouwen trekt aan mijn jas, of ik die wil achterlaten. Ik weet dat wij geen jassen voor volwassen vrouwen bij ons hebben. Het voelt als een fiasco, wat we ook doen het is niet toereikend. Een woedende vrouw vliegt ons aan en roept; hou je goederen bij je, ik hoef jullie hulp niet, ik wil naar huis, ik wil mijn leven terug! We kijken elkaar aangeslagen aan, hoe leg je dit gevoel van onmacht uit aan al die thuisblijvers met hun goedbedoelde kritiek?

Naeeda Aurangzeb is journaliste en radio- en tv-presentatrice bij de NTR.

 
Een woedende vrouw vliegt ons aan en roept; hou je goederen bij je, ik hoef jullie hulp niet, ik wil naar huis, ik wil mijn leven terug!
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden