Hedda van Gennep

Elf was ze toen de oorlog uitbrak. Ze wist niet dat ze joods was. Documentairemaakster Hedda van Gennep (71) heeft een bewogen leven achter de rug....

De voordeur is voor leveranciers. Vrienden, familie en buren komen, voorovergebogen, door het keukenraam naar binnen. Voet op de vensterbank, trapje af, en dan aan de grote houten tafel aanschuiven voor een kop thee of een glas witte wijn. 'Ze weten dat ik hier altijd zit.' De keuken in het souterrain is haar domein, hier groeide ze op, hier declameerde ze als meisje de Gijsbrecht, hier hoorde ze de onheilspellende dialoog tussen haar stiefvader en haar joodse grootvader, hier zat ze met vrienden te lachen en te huilen nadat Rob was gestorven.

Wanden vol foto's, fotolijstjes in slagorde bovenop kastjes en planken. Naast de koelkast hangt een prikbord met kiekjes, over elkaar heen geplakt, in wel driedubbele lagen. Schuin naast het fornuis prijkt een uitvergrote foto van Rob van Gennep en Pieter Herman Bakker Schut, varend op een boot, Rob aan het roer, Hedda op de achterplecht, de haren wapperend in de wind, een en al levenslust en kracht. Ze laat een foto zien van de piepjonge uitgevers, Rob samen met Johan Polak en reclameman/dichter Mar tin Veltman. Vertederd: 'Leuk jong, hè.'

Ze loopt langs foto's, legt uit en verklaart; een geposeerde, vooroorlogse foto van haar moeder, actrice, een foto van haar grootvader, de Antwerpse diamantklover, op wie ze gek was. 'Bompie, noemden we hem, naar Bonpapa.' Hij schilderde ook. 'Dat portret daar, met die vlechtjes, heeft hij van mij gemaakt, het was oorlog, heel triest, zie je dat?

'Mijn grootvader was een rare, leuke man. Hij schreef de kleinkinderen elke week een brief met verhaaltjes. Hij vertelde dan hoe hij - ik moet nou niet gaan huilen - op reis ging met de autoped van Amsterdam naar Antwerpen. Elke week een aflevering, allemaal verzonnen. Hij heeft er deze foto bij laten maken, Bompie op de autoped, zie je, zo'n gezellige oude man met wapperende jaspanden.'

Nooit zou ze weg willen uit dit huis. 'Voor geen honderd pond klontjes.' Ze kijkt zelfs verschrikt als ik de mogelijkheid opper. Dit huis is haar cocon, haar natuurlijke biotoop. Ze heeft er zelf geen woorden voor. Vaag gebarend, met een brandend sigaartje tussen de vingers: 'Ja god, dit is een vulling, het is van mij. Dit is de plek, waar je hoort, waar je leeft, en waar alles gebeurd is. Mijn ouders, grootouders, Rob, die wonen hier gewoon nog. Als ik weg zou gaan, zouden die ook moeten verhuizen. Dat moet dan allemaal mee, god, nee. De troep die hier staat, al die dingetjes, dat komt allemaal ergens vandaan. Dat zet ik om mij heen. Kasten vol dingetjes. Ik kan moeilijk iets wegdoen.'

Jaap Goudsmit, hoogleraar virologie, is haar oudste zoon. Hij woont met zijn gezin even verderop, aan het eind van de straat. 'Ik was 21 toen hij werd geboren. Ik ben met de vader van Jaap, een joodse jongen, getrouwd. Ik had het gevoel dat ik met een jood moest trouwen. Zijn ouders waren vermoord. Maar het ging niet, we waren veel te jong.' Acht jaar later kwam dochter Céline, artdirector, zij woont boven, met kleindochter Rosa. 'Met de vader van Céline ben ik niet getrouwd.' Samen met Rob van Gennep kreeg ze nog een zoon, Job, hij woont wat verder weg, maar werkt elke dag in het café om de hoek.

Hedda van Gennep is 71 jaar, ze voelt er niks van. 'Ik ben vorig jaar aan staar geopereerd. Ik zag echt geen flikker meer. Ik was gevallen in de Albert Heijn, de roltrap deed het niet, en dat had ik niet gezien, mijn been lag helemaal open. De dokter die mijn ogen nakeek zei: "Mevrouw, u bent van '29, staar is een normale ouderdomskwaal." Ik werd kwaad. Waar heeft die man het over? Ouderdomskwaal? Ik voel me goed, ik mankeer niks!'

Ze draagt haar spijkerbroek als een bouwvakker, half op de heupen, bilspleet zichtbaar als ze zich vooroverbuigt. Ze is soms grofgebekt, maar het accent blijft beschaafd. Zet koffie, klopt melk op, en blijft doorpraten, het sigaartje in de linkermondhoek gekleefd. Een opvallende haardos, mooi, vol en witgrijs. Ze is net naar de kapper geweest. Gestuurd door een vriendin, die zei: 'Nu je weer een vriend hebt, moet je eindelijk je haar eens goed laten doen.' 'Ze had gelijk, ik zag eruit als een heks op zondag.'

Ze is opgetogen over haar nieuwe relatie. 'Het gebeurde heel toevallig en onverwacht, ik was er niet op uit. Want waar ik na de dood van Rob enorm tegenop zag, het alleen leven, viel me reuze mee. Ik kende deze man al, maar ja, toen gebeurde er toch wat tussen ons.' Ze is als een kleuter zo opgewonden, zegt ze. Verliefd ook? 'Hij noemt onze toestand rooskleurig. Dat vind ik een mooie uitdrukking.'

Ze werkt al sinds begin jaren zestig voor de omroep, eerst radio, later tv, produceerde en regisseerde programma's en maakte zelf documentaires, vooral voor de vara. Daar werd ze eind jaren tachtig, ze was 58, wegens bezuinigingen ontslagen, tot haar verbijstering. 'Ik dacht dat het mij niet zou kunnen gebeuren, ik ben een goede filmmaker. Ik was een van de oudste werknemers, ik kon weg met een regeling. Sociaal doet het geen pijn, was de formulering. Ik had opeens geen kantoor meer, ik zat hier, ik werd gek, ik moet weten wanneer ik weer een uitzenddatum heb. Ik ben meteen gaan freelancen.'

Ze komt nog steeds niet graag bij de vara en een script zal ze daar ook niet indienen. 'Ik zou het niet kunnen verdragen te worden afgewezen.'

Bijna jaarlijks levert ze een documentaire af. Zojuist heeft ze de laatste hand gelegd aan een film over over Ale xan der Katan, een zwaar invalide, joodse man uit Leeu warden die in Mauthausen is omgebracht. 'De zoon van die man bezocht op oudere leeftijd het museum van Mauthau sen en zag daar in de vitrines een fotoserie van zijn vader. Eerst aangekleed en aan het eind van de serie zijn skelet. Hij heeft ze laten verwijderen. De film vertelt het verhaal van Katan en de acties van zijn zoon.'

Hedda heeft, volgens een vriendin, de ziel van een kind van drie. 'Dat komt', zegt ze goedhartig, 'omdat ik zo zwart-wit ben, in alles, tot en met mijn kleren: 's winters draag ik altijd zwart, zomers wit. Ik ben in analyse geweest, dus ik heb wel geleerd mijn opwellingen te corrigeren. Marjolijn de Vries, met wie ik jarenlang voor de vara films heb gemaakt, schopte mij altijd onder tafel als ik weer eens te ver ging. Verbaal ben ik namelijk nogal goed, ik kan allerlei types aan. Maar doordat ik dan niet stop, wordt het contraproductief, hè.'

Ze zal, zo scherp van tong en agressief, niet bij iedereen even geliefd zijn. Ze beaamt het, lacht uitdagend. 'Zéér agres sief. Toen Rob dood was heb ik mensen vreselijk geschoffeerd. Op de begrafenis ging iemand, die nooit langs was gekomen toen Rob ziek was, nooit zelfs maar gebeld had, ineens mooie praatjes houden. Ik was in wat Marjolijn een levensgevaarlijke stemming noemt. Ik schreeuwde: "Godverdomme, zit je hier een beetje schijnheilige praatjes te houden, terwijl je te besodemieterd was om een keer te komen. Rot toch op." Marjolijn heeft de boel toen nog een beetje gekalmeerd.'

Ze was elf toen de oorlog uitbrak. Ze wist niet dat ze joods was. 'Dat had mijn moeder me nooit verteld. Waar om zou ze ook, het was geen onderwerp. We waren niet religieus. Alle kinderen van mijn grootouders waren met christenmannen getrouwd. Mijn biologische vader, Cor Postma, de schilder, was niet joods, en mijn stiefvader, hij was patholoog-anatoom op het Binnengasthuis, ook niet.

'Toen ik eens logeerde bij mijn grootouders in Antwerpen ging ik mijn grootvader afhalen bij de diamantslijperij. Uit de fabriek kwamen allemaal mensen met bonthoeden en pijpenkrullen. Ik keek mijn ogen uit. "Bompie, wat zijn dat voor mensen?" "Kind", zei hij, "dat zijn joden".

'Mijn grootouders kwamen bij ons wonen in Amsterdam. Ze moesten een ster dragen, mijn moeder ook. Ze mochten de winkels niet meer in. Dan moest ik de groentewinkel in, en stond mijn moeder buiten instructies te geven. En ik dacht maar: waarom doet ze in godsnaam haar eigen boodschappen niet. We gingen een keer samen schoenen kopen. We liepen over straat en zij droeg de doos schuin onder haar arm, zodat je de ster niet goed zien. Ze werd aangehouden en in het gezicht geslagen.

'Ik sliep in dat kleine kamertje daar. De Nederlandse politie was al een paar keer langs geweest. Mijn stiefvader had tegen mijn grootvader gezegd: "Lex, je moet weg." En mijn grootvader zei toen - ik weet het nog letterlijk, ik stond erbij: "Wat ben jij voor een schoonzoon om mij in deze omstandigheden het huis uit te zetten, ik leg ze wel uit dat ik nog nooit iets verkeerd heb gedaan, dat ik een keurige diamantklover ben." Mijn vader zei: "Lex, je krijgt de kans niet om iets uit te leggen."

'Na tien dagen kwam de ss. Ze begonnen het huis te doorzoeken, vonden mijn grootouders, ze gooiden de deur van mijn kamer open, schijnwerpers, getrokken geweren. Mijn moeder stond in mijn kamer, verborgen achter de deur. Mijn stiefvader zei: laat dat kind slapen, doe die deur dicht. Toen wilden ze de slaapkamer van mijn ouders in. Mijn stiefvader zei: ik zal kijken of mijn vrouw u kan ontvangen. Toen hoefde het niet meer, laat maar zitten. Dat was geluk.

'De volgende dag had ik een Grieks proefwerk. Ik begon heel hard te huilen in de klas. De docent vroeg wat er aan de hand was. Ik vertelde dat mijn grootouders 's nachts waren weggehaald. Dat was natuurlijk heel erg voor mij, en daarom hoefde ik dat proefwerk niet te maken!

'Het was uberhaupt een ambivalente toestand. Ik was jong, ik werd voor het eerst verliefd, het was een spannende tijd, we zaten in schuilkelders rare dingen te doen, we fiets ten opgewonden naar de Beethovenstraat omdat daar iemand als represaille was doodgeschoten.'

Voor de ikon maakte ze een documentaire over de rol van de Amsterdamse ambtenaren bij de deportatie van de joodse bevolking, Elke stip is tien joden. 'Ik heb zo gehuild toen ik de brieven las die ze aan de Duitsers schreven: dat ze nog niet op orde waren, maar dat ze hun best zouden doen om hun alle gegevens te verstrekken. Die hele deportatie had nooit gekund zonder die overmatige ijver van de ambtenaren. En vanuit Londen is ook nooit gezegd: verberg een jood in uw kippenhok. Het emotioneert mij buitengewoon. Ik erger mij ongelooflijk aan de hypocrisie. Geef het toch toe. Elke stip staat voor tien joden: het staat letterlijk op de plattegronden van die gemeenteambtenaren, ik wou het niet geloven. En dan al die tramconducteurs die de trams hebben laten rijden, en kaartjes verkochten, want ze moesten ook nog de rit betalen van de Beet hovenstraat naar het cs. Dus hoezo vastberaden, heldhaftig en nog iets... Bullshit!!

'Vele jaren na de oorlog zei mijn moeder een keer tegen me dat ze eigenlijk niet eens wist wanneer haar ouders precies waren omgebracht. We wisten alleen dat ze in Ausch witz waren vermoord. Dus ik naar Oorlogs do cu mentatie, ik geef de namen en geboortedata op, de man komt terug en zegt: "Op 18 september '42 naar Westerbork gebracht, meteen op transport gesteld, en op 21 september '42 in Auschwitz vermoord." Toen werd ik toch zo ontzettend kwaad! Ik had geen idee dat het zo nauwkeurig geregistreerd stond. Ik had gehoopt dat ie zou zeggen: we weten het niet. Maar ze wisten het wel! Ik schreeuw tegen die man: "En u leest dat zomaar even op!" Hij kon het natuurlijk ook niet helpen. Het was ook niet erg rationeel van me.'

Eind jaren vijftig leerde ze Rob van Gennep kennen. 'Rob kwam uit een deftig Wassenaars milieu. Ze vonden mij wel aardig, maar ja, trouwen met een vrouw met twee kinderen was nogal ongebruikelijk. Vervolgens besloot Rob ook nog om Céline te echten. Dat was een beetje extreem voor ze. Ik wist niet dat hij zo veel jonger was, nou ja, acht jaar, dat zag je niet meteen, zo'n grote man, en dan die baard. Toen Rob ziek werd, riep hij ook steeds tegen mij dat hij een kat in de zak was. We hadden niet gedacht dat hij eerder zou gaan. Ik was kwaad, dat was niet de afspraak.'

Boosaardig: 'En dan kijk ik om me heen en dan zie ik dat zo veel vervelende mensen maar blijven leven.'

Hij overleed zes jaar geleden. 'Die spierziekte die hij had is gruwelijk, dat kan ik je verzekeren. Langzaam verlies van alle functies. Maar Rob was absoluut heroïsch. Hij was enorm kleinzerig, als er bij hem een kies werd getrokken lag hij de hele dag in bed. Maar deze ziekte heeft hij werkelijk ongelooflijk gedaan. Op het laatst kon hij helemaal niks meer, alleen maar bouillon drinken, en met zijn bed een beetje in het zonlicht liggen. Dat was toch nog de moeite waard. Hij wilde leven. We hebben hier van alles over de vloer gehad, alternatieve genezers, oplichters, kwakzalvers, moest ie worden afgespoeld met kruiden. Ach, ja, waarom niet, je bent chantabel.'

Aan het ziekbed doken ook de vriendinnen op, voormalige minnaressen. 'Ze kwamen overal vandaan', grijnst Hedda, 'en dan lieten ze in de zenuwen van alles achter. Ik heb heel wat Cacharel-sjaaltjes gevonden.' Ze heeft de vriendinnen, zegt ze met lichte triomf, ingeschakeld bij de verzorging van Rob. 'Konden ze ook wat doen.'

Een huwelijk met veel affaires. 'Je kent toch De schaamte voorbij? Daarin staat het allemaal beschreven. Hoe de uitgever zich gedroeg, met wie hij sliep, hoe hij bij de schrijfster op bezoek kwam, dan neukten ze wat, waarna de hij 's nachts om half een weer naar huis ging. Ik weet nog dat Rob het manuscript zat te lezen. Hij kwam naar beneden, en zei: ik moet je wat voorlezen, want ja, het was beter dat ik dat alvast wist.'

Was ze geschokt? Weet ze niet meer. Zakelijk: 'Wij hadden een jaren-zeventighuwelijk. We hadden vaak clashes. Ik was jaloers, natuurlijk, en kwaad. Maar ik had mijn eigen methodes. Ik had ook verhoudingen, met mannen, vrouwen, want ik ben biseksueel. Wat hij kan, kan ik ook. Dat is niet romantisch, het is een modus vivendi. Dan was er weer een uitbarsting, wou ik weg, of hij, maar dan bleven we toch weer bij elkaar. 't Was natuurlijk een hele leuke man.

'Op het moment dat hij besloot, oké, dit is het, was hij fantastisch. Hij deelde de lakens uit, had de leiding en hij was waanzinnig geestig, we hebben gelachen, tot het einde toe. Dan krijg je die procedure, want we zijn principieel tot in de dood, dus we hebben het aangegeven, en dan moet je wachten...' Fluisterend: 'Het is heel raar, je weet precies wanneer het sterven zal gebeuren.

'We waren lid van zo'n crematievereniging. Maar ik wou hem niet cremeren, zo'n griezelige pot, dat vind ik niks. Ik wil dat er een plek is, dat past beter bij mijn karakter. Hij wou ook niet opgebaard. Maar ja, ik wou 'm niet weg hebben. Dus toen ie dood was, heeft ie hier vijf dagen gestaan. Ongelooflijk goed. Zaten wij hier beneden te kakelen en witte wijn te drinken. En dan ontving m'n kleindochter Rosa het bezoek. Zei ze: komt u soms om de dode Robbeke te zien? Is helemaal niet eng, hoor, ze ging mee, trok het deksel van de kist, en als het bezoek dan uitgehuild was, deed ze het deksel weer dicht en zei: poppetje gezien, kastje dicht, u kunt nu een glas wijn bij Hedda in de keuken gaan drinken. Er zijn dagen geweest dat we 49 flessen naar flessenbak moesten brengen.'

Ze is nog even gedreven als vroeger, zegt ze. En nog even kwaad ook. Vroeger stemde ze op de cpn, nu op de sp. 'Ik ben wel minder opgewonden, en ik schop minder, omdat ik minder reden heb om te schoppen. Ik kies mijn eigen werk, niemand zegt wat ik moet doen. Ik kan beter dealen met mensen die gedachten hebben die de mijne niet zijn. Vroeger mocht dat niet!

'Ik heb zelf niet zo'n hoge pet op van mijn werk. Dat is geen valse bescheidenheid. Ik weet dat ik goed werk aflever. Je loopt met mij geen risico, ik bak altijd wel wat. Maar het is niet op het niveau van kunst. Om een briljante carrière te maken moet je je, net als mijn zoon Jaap, honderd procent op een ding richten en niet te veel zijwegen in slaan.

'Ik nam jaar in jaar uit in Hilversum de stoptrein van tien over vijf, om thuis te kunnen koken, om nog voor zes uur boodschappen te kunnen doen. Zo was ik geprogrammeerd. Ik liet op het werk alles uit mijn poten vallen als ik naar huis moest. Achteraf begrijp ik niet zo goed hoe ik het allemaal klaarspeelde. Want ik heb toch ook heel erg hard gewerkt Ja, ook dankzij Gerda natuurlijk, zij is de basis van alles. Ze was 14 toen ze hier kwam, ze is nu 52, ze is familie, een vriendin.

'Ik heb wel eens stilletjes gehoopt dat ik net zo goed zou worden als Joris Ivens. Dan wou ik ook zulke prachtige dingen maken en de wereld rondreizen. Maar ik kon nooit weg, ja, een keertje even naar Engeland en Duitsland. Mijn carrière was misschien spectaculairder geweest als er geen kinderen waren. Maar dat vind ik niet erg. Ik heb een leuk, vol leven door die kinderen.'

Haar mooiste documentaire vindt ze Zorgvlied. 'We gingen een graf kopen voor Rob. Ik vond die mensen op Zorg vlied geweldig aardig. Het was alsof je op de camping een plaats uitzocht: wat vindt u ervan dat uw man naast een architect komt te liggen? Nou, hartstikke leuk. Ik kan slecht tegen sentimentaliteit. De film was ook een soort verwerking van wat mij was overkomen. Ik hou niet van egodocumenten, dat vind ik vreselijke films, al die mensen die maar zeuren... Mijn invalshoek waren de mensen die op Zorg vlied werken en de mensen die er hun doden opzoeken.'

Ze herdenkt Robs sterfdag elk jaar. Grafjesdag, noemen ze dat in de familie. 'Dan komt z'n broer Jaap in zijn Jaguar uit Wassenaar aangereden, drinken we champagne bij het graf, we lunchen er. Ik ga veel vaker naar het graf, hoor. Als ik kwaad ben, de pest in heb. Het is net een lekker eindje fietsen naar Zorgvlied. Dan kijk ik even hoe het erbij staat, beetje rommelen, wat praten.'

Over de teloorgang van de uitgeverij wil ze eigenlijk niet praten. Het ligt gevoelig. 'Ik heb er niks over te zeggen. Maar ik heb er wel veel leed van... en al die auteurs die weglopen. Ik las dat Konrad vertrokken is, en Van Thijn.'

Ogen vol tranen. 'Ik vind het vreselijk. In dit huis is 32 jaar lang over niks anders gesproken! Ik moet leren dat we er een leuke tijd mee hebben gehad, de opwinding, al die toestanden, met Tien over Rood, het dagboek van Che Gue vara. Maar het is over, niemand interesseert het nog.

'Ik heb mij nog verzet tegen verkoop van de uitgeverij aan de Wereldbibliotheek. Ja, dat was misschien Don Quichotterie van mij, ik ben natuurlijk niet op de hoogte van alle ins en outs, het zijn emoties... Ik zie ook heus wel in dat het allemaal anders moet. Maar het was Rob zijn kind. Hij had een oplossing gevonden, dat weet ik zeker. Hij was buitengewoon slim en handig, hij bedacht altijd wat.'

Ze zwijgt even. 'Op grafjesdag zei de broer van Rob tegen mij: Luister eens hier, schoonzuster, mijn broertje heeft een mooie tijd gehad, laat het toch zitten, het is over. Ik probeer dat nu ook zo te zien.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden