Hé jij. Ja, jij ja!

Een paar jaar waren de vloekende en tierende videopoppen van Oursler een rage. Maar zo snel als de kunstenaar opkwam, zo gauw waren we hem ook weer beu. Nu is hij terug. Terecht?

Phantasmagoria t/m 23/2 in MAC's, Grand-Hornu, België Mac-s.be, grand-hornu.eu


Poppenspel, zelfs volwassenen kunnen er geen genoeg van krijgen. Van buikspreekpop en marionet tot kleifiguur en animatie, wie niet door deze miniatuurmensen wordt gegrepen, is een ijskonijn.


De Amerikaanse multimediakunstenaar Tony Oursler (1957) is een virtuoze poppenspeler, die het vak met de paplepel kreeg ingegoten. Zijn opa was bevriend met topgoochelaar Houdini en trad zelf op als tovenaar en buikspreker met pop Ambrose. Oursler trad in de beginjaren van zijn carrière in de voetsporen van zijn opa en toverde als kunstenaar lappen stof tot leven door er gezichten op te projecteren van echte mensen. Die praatten, rolden met hun ogen en trokken met hun spieren.


Met dit verschil: kleinzoons poppen waren niet vertederend of grappig, maar boos, bang en knettergek. Ze schreeuwden en kijfden, lachten en krijsten. 'Hé jij. Ja, jij ja', roepen de Fuck You Man (1994) en de Get Away Man (1995). Om vervolgens zo'n scheldkanonnade over de toeschouwer uit te storten, dat je maar een ding wilt: wegwezen.


Een paar jaar waren de videopoppen van Oursler een rage. In Nederland doken ze op van het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Van Abbe Museum in Eindhoven tot De Pont in Tilburg. Maar zo snel als Oursler opkwam, zo snel raakten we Oursler-moe. Wat wil de man nou eigenlijk met zijn eendimensionaal gillende vogelverschrikkers, vroeg een recensent van deze krant zich af.


En nu is Oursler terug, in een grote tentoonstelling in het Waalse Museum voor Moderne Kunst Mac's, in Grand-Hornu. Wat de vraag oproept: is het terecht dat Nederland deze kunstenaar de afgelopen vijftien jaar heeft genegeerd?


Het is in elk geval jammer. Want door zijn nieuwe werk niet te tonen, dreigt Oursler eenzijdig in ons geheugen te belanden. De kunstenaar is het stadium van videopionier en poppenspeler inmiddels ver voorbij. Hij werkt met hypergeavanceerde computerprogramma's waarmee hij metershoge en bedrieglijk echte geestverschijningen tevoorschijn kan toveren op gebouwen en bomen, zoals in het voorjaar van 2013 aan de oevers van Tate Modern in Londen.


Dat Oursler is uitgegroeid tot een hedendaagse illusionist, is ook duidelijk in Grand-Hornu. Niet voor niets brengt hij in zijn speciaal voor deze tentoonstelling gemaakte, 46 meter lange fantasmagorie een ode aan de Luikse Etienne-Gaspard Robertson (1763-1837), een van zijn helden en uitvinder van de laterna magica, de ouderwetse toverlantaarn. In de duizelingwekkende totaalinstallatie schotelt Oursler de bezoeker een veelheid aan projecties voor. Hij laat door middel van een reuzediscobol kleurmozaïeken over het plafond dwarrelen, voorziet grote, bordkartonnen koppen van bewegende monden en knipperende ogen, laat een slang glibberig over de wand kronkelen en een klassieke duivelstronie verschijnen. Die projecties bewegen niet alleen alsof ze van vlees en bloed zijn, ze storten ook een kakofonie van zinnen en gezangen over de bezoekers heen.


Zo kan een boeventronie de volgende woorden uit zijn mond laten rollen: 'Don't, don't, don't show your body.' 'Your number please.' 'Make, make yourself, make yourself beautiful.' 'I want revenge.' 'Woah, woah, woah, really big.' 'Time heads all, hm hm hm.'


De teksten zijn uit het leven gegrepen, een geraffineerd gemixte mengelmoes van psychiatrische, politie- en wetenschappelijke rapporten met verhalen uit schandaalkranten, soaps en games.


Uiteraard wil Oursler met zijn installatie niet alleen betoveren. De zaal is bedoeld als een ritueel met uiteenlopende beproevingen. Gedurende de wandeltocht moet de bezoeker rillen en van zijn voeten geblazen worden, meegesleurd worden op het ritme van de tekst, om aan het eind van de installatie gelouterd en wijzer verder te gaan.


Maar hoe verbluffend, technisch vaardig ook, het is van alles te veel. Te veel woorden, te veel beelden, te veel indrukken. Een psychedelische trip, schreef een Belgische recensent bewonderend. Maar dan wel de trip van een ander. Je staat erbij en kijkt ernaar.


Dus helaas, voor dit spierballenvertoon hoeft u niet naar Grand-Hornu af te reizen.


Waarom dan wel? Omdat Ourslers universum, waarin hij de donkere kanten bezingt van het menselijk bestaan, hoe dan ook mateloos intrigeert. Net als Mike Kelley, Jim Shaw en Paul McCarthy heeft Oursler eind jaren zeventig op de kunstacademie in Los Angeles gezeten. Je vraagt je af wat daar in het drinkwater heeft gezeten, want al deze kunstenaars begeven zich op terreinen - van seksueel misbruik tot misselijkmakend geweld - waar je als gewoon mens liever niet in ronddwaalt.


Daarbinnen heeft Oursler zijn eigen niche. Met plezier krabbelt hij aan het dunne laagje beschavingsvernis en woelt hij de primitieve wereld daaronder bloot, waar dierlijke angst en instinct regeren.


Dat hij de toeschouwer daarmee tot in het diepst van zijn ziel kan raken, is ook te zien in Grand-Hornu. Daar blijken zijn poppen geëvolueerd tot biologerende karakters, die met hun levende gezicht oplichtend in het donker een voyeuristische nieuwsgierigheid uitlokken. Blijkbaar heeft Oursler zijn strategie aangepast, want deze poppen gillen en schelden niet alleen ijzingwekkend. Ze kunnen ook fluisteren, temen en verleiden. Ze spelen een uitgekiend spel van aantrekken en afstoten. Uiteindelijk blijken ze zo eenzaam en kwetsbaar, dat ze mededogen opwekken. Ook omdat ze ons een spiegel voorhouden van herkenbare gekte, die in elk mens sluimert en op elk moment kan toeslaan.


In andere werken gaat Oursler voorbij de individuele waan. Dan neemt hij de toeschouwer mee naar een wereld waarin het verschil tussen werkelijkheid en fantasie is opgeheven. Dat werkt onmiddellijk bij de bolle lens van Jinxed (2000), waarbij het netvlies wordt geprikkeld door een vloeibaar kronkelende wereld achter de lens. Bij de Directorpop, met David Bowiegezicht, werkt dat geniepiger. Geleidelijk draait Oursler de rollen om: dan wordt de pop de baas die aan de touwtjes trekt en het publiek de marionet. Even is onduidelijk tot wie de regisseur zich richt. Maar eenmaal in de ban van Bowies hypnotiserende commando's ben je zelf de horrorfilmacteur, die via zijn aanwijzingen op een set belandt, waar je helemaal niet wilt zijn en de uitweg zoek is. Een claustrofobische ervaring.


Oursler is op zijn best als hij je niet om de oren smijt met zijn vernuft, maar als hij zich inhoudt en de toeschouwer vanuit een beperkt deel van zijn krankjorume spectrum betovert en toespreekt. Dat doet hij meeslepend in het topstuk Open Obscura, sprookjesland voor volwassenen. Daar lichten bij binnenkomst in de pikdonkere zaal een tiental ogen op, geprojecteerd op grote bollen op de grond. Grote ogen, echte ogen, van vrouwen en mannen, groen en bruin, met grote en kleine pupillen, met razendsnelle knipperingen of inerte oogopslag. Ongemakkelijk vanwege al dat kijken baant de toeschouwer zich een weg langs deze mysterieuze wezens.


Totdat het begint te dagen dat de wezens helemaal niet naar de bezoeker kijken. De ogen kijken televisie, een pornofilm, een game. Dan blijkt níet kijken en verstrikt zijn in een fantasiewereld veel enger dan wél kijken.


Dit sprookjesland is de nachtmerrie van deze tijd. Want waar is de moraal, waar is het fatsoen, waar is de beschaving als niemand meer geïnteresseerd is in een ander en als het verschil tussen filmbeelden en werkelijkheid verdwijnt? Van die urgente dreiging maakt Oursler zo'n hallucinerende en magische ervaring, dat maar één commando mogelijk is: reis af naar Grand-Hornu.


Het Waalse S.M.A.K.


Wordt in het Vlaamse Gent met publiek geld het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (S.M.A.K.) opgericht? Dan krijgt ook de Waalse kant een museum voor hedendaagse kunst. Zo werkte tot eind jaren tachtig de zogenaamde 'wafelijzerpolitiek' in België, waarmee het Musée des Arts Contemporains (MAC's) in Grand-Hornu een feit was. De locatie, een 19de-eeuws mijnwerkersdorp, is voorbeeldig verbouwd door architect Pierre Hebbelinck en werd vorig jaar uitgeroepen tot werelderfgoed. Grote kunstenaars worden hier getoond, van Giuseppe Penone en Anish Kapoor tot Christian Boltanski. Nu is de beurt aan de Amerikaan Tony Oursler. Die stemde in vanwege, onder meer, de locatie met openbare grafkelder, waar de oprichter van de kolenmijn begraven ligt. In de tombe wekt Oursler de doden met een flikkerend peertje tot leven. In combinatie met de schaduwen van medebezoekers ontstaat een klassiek schimmenspel. Met schrikeffect.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden