HAUSSE ONDER HITLER

OP ZATERDAG 11 mei 1940 stond Maastricht al prominent op de Duitse voorpagina's. 'Maastricht en Malmedy sinds gisteren in Duitse hand.' Onder de openingskop was het communiqué van de opperbevelhebber van de Wehrmacht afgedrukt....

'Soldaten van het Westfront! Nu heeft jullie uur geslagen. De vandaag begonnen strijd beslist over het lot van de Duitse natie voor de komende duizend jaar.' De effectenbeurs in Berlijn (Frankfurt werd pas na de oorlog belangrijk) had er wel vertrouwen in. Ofschoon er van staatswege limieten golden voor de dagelijkse koersbewegingen, schoot de koersenindex vrijdag, enkele uren na de overval op de westerburen, omhoog van 103 naar 125 punten. De dollar noteerde 2,50 Rijksmark. In Amsterdam steeg de goudprijs per kilo naar 171 gulden.

De Commerzbank zette op die dag haar landelijke advertentiecampagne voort. Enkele weken daarvoor, op 30 maart, had de jaarvergadering ingestemd met een naamsverandering. De Commerz- und Privat-Bank heette voortaan kortweg Commerzbank. 'Kapitaal en reserves 90 miljoen. Rond de 360 vestigingen in het Rijk.'

Dat de campagne voor een betere naamsbekendheid hard nodig was, bewees een aankondiging in de dagbladen van 11 mei: de bank stond nog met de oude naam onder een advertentie waarin een bankenconsortium een nieuwe lening aankondigde van de deelstaat Pruisen. Tegen 4 procent wilde Pruisen 500 miljoen Rijksmark lenen. De helft was al geplaatst bij institutionele beleggers. De andere helft was bestemd voor het publiek.

'Een verhoging van de verhoudingsgewijs geringe staatsschuld, die zich sinds jaren in omvang nauwelijks heeft veranderd, is niet voorgenomen', zo werd de belegger voorgehouden. In werkelijkheid had de schuld van alle Duitse overheden ongekende vormen bereikt als gevolg van de bewapeningsfinanciering. De inflatoire geldomloop explodeerde daardoor tussen 1933 en 1940 van 8,8 miljard tot 15 miljard mark.

Vooral de staat was actief op de kapitaalmarkt. Ter voorbereiding van de oorlog steeg het volume van openbare emissies van 10,34 miljard Rijksmark in 1939 tot 18,48 miljard in 1940. Van dat laatste bedrag nam de overheid 16,4 miljard voor haar rekening in de vorm van obligaties. Met dit geld werden de wapens besteld bij de industrie, die zelf ook actief was op de beurs en in 1940 voor ruim 2 miljard aan nieuwe aandelen plaatste.

Hjalmar Schacht, president van de Duitse Reichsbank, de voorloper van de Bundesbank, was al eerder in het geweer gekomen. In januari 1939 verweet hij rijkskanselier Hitler een 'onbeheerste uitgavenpolitiek'. In een geheim memorandum schreef hij: 'Het grenzeloos opvoeren van de staatsuitgaven vernietigt elke poging de overheidsbegroting in balans te brengen, duwt de staatsfinanciën naar de rand van de afgrond en ontwricht de centrale bank en de munt.' Tegenover de dollar noteerde de Rijksmark destijds 2,49 - een prijs die van hogerhand was vastgesteld. Op de zwarte markt moest een veelvoud voor de Amerikaanse munt worden betaald.

Schacht, die onder Hitler tevens enkele jaren het ministerie van Financiën had geleid en bovendien gold als een van de financiële architecten van de Führer, overspeelde zijn hand met het memorandum en werd aan de kant gezet. Voortaan was hij in Berlijn minister zonder portefeuille. De nieuwe opperste bewaker van de Rijksmark werd de overtuigde nazi Walther Funk, voormalig financieel journalist, woordvoerder van Hitlers regering en in 1938 minister van Economische Zaken.

Op het moment dat Nederland, België en Luxemburg werden overvallen, was de nood bij de Duitse industrie hoog gestegen. Op papier was Duitsland na de Verenigde Staten de sterkste economische macht geworden, maar ondanks record-investeringen - hoofdzakelijk op krediet - was de industriële produktie vergeleken met 1939 teruggelopen met 4 procent. De staalproduktie daalde zelfs met 10 procent. Oorzaken waren onder meer een falende organisatie, waardoor onvoldoende arbeidskrachten beschikbaar waren, transportproblemen en de ontdekking dat de exploitatie van eigen grondstoffen al lang haar grens had bereikt.

BIJ DE Deutsche Bank wist men de echte oorzaak. 'De planeconomie is als een spalierboom (een door latwerk geleide boom), wiens groei wordt afgebonden en wiens takken vervolgens één voor één afsterven. De ondernemer heeft nu eenmaal vrijheid nodig, anders voelt hij zich steeds meer een ambtenaar.' In een geheim protocol van de raad van bestuur concludeerde de Deutsche Bank: 'We zijn met een aanzienlijk minder elastische economie de oorlog ingegaan dan in 1914, hetgeen in alle hoeken en gaten is te bespeuren'.

Voor de ingewijden, de top van partij, industrie en bankwezen, kan de crisis in vooral de zware industrie niet als een verrassing zijn gekomen. Ze waren er allemaal bij toen ex-jachtvlieger en BMW-adviseur en inmiddels rijksveldmaarschalk Hermann Göring in december 1936 Hitlers vierjarenplan van een toelichting voorzag. 'Overwinning of ondergang. Indien wij winnen, zal het bedrijfsleven voldoende worden schadeloos gesteld. Er mag niet worden gecalculeerd wat het allemaal kost. Wij spelen thans om de hoogste inzet. Wat zou nu nog lonender kunnen zijn dan opdrachten voor de bewapening?'

Niemand protesteerde, zoals een van de aanwezigen, Alfried Krupp von Bohlen und Halbach in 1945, direct na zijn arrestatie op het hoofdkantoor in Essen zou verklaren. 'Wij bij Krupp wilden alleen een systeem dat goed functioneerde. Politiek is niet onze zaak.' Het bedrijfsleven en zijn financiers waarschuwden alleen tegen het tempo van de bewapening, niet tegen het uitgangspunt van het vierjarenplan, dat uit twee punten bestond:

1. het Duitse leger moet binnen vier jaar operationeel zijn;

2. de Duitse economie moet binnen vier jaar klaar zijn voor oorlog.

IG Farben, het chemieconglomeraat, drong in april 1939 zelfs openlijk aan op een Blitzkrieg, omdat alle opgebouwde voorraden onvoldoende waren voor het voeren van een langdurige oorlog. Tijdens een bespreking van het vierjarenplan verlangde commissaris Carl Krauch 'een snelle beslissing na het uitbreken van de vijandelijkheden'. De veldtocht tegen Polen begin september dat jaar was zo'n beetje wat IG Farben zich voorstelde. Binnen twintig dagen capituleerde de vijand, de eerste dwangarbeiders waren beschikbaar, de loonkosten konden omlaag.

Pas na de verovering van Nederland, België, Luxemburg en een maand later van Frankrijk kon het grote roven goed beginnen. Het economische einddoel was reeds in 1933 door de nazi's geformuleerd, maar voor de bevolking geheim gehouden: 'Verovering van nieuw Lebensraum in het Oosten en zijn rücksichtslose germanisering'. Voor deze missie was inlijving van de westerburen een voorwaarde.

Bij het roven van buitenlands eigendom vertoonden de Duitsers een merkwaardig gedrag. De historicus Harold James schrijft daarover in het jubileumboek van de Deutsche Bank: 'Het is voor historici steeds weer verbluffend te moeten vaststellen hoeveel tijd en zorgvuldigheid in acht werden genomen om gescheurde of beschadigde aandelen in het bezette Europa op te sporen, in beslag te nemen en vervolgens te gebruiken voor het registreren van de gewijzigde eigendomsverhoudingen'.

Vanaf het begin van de Bezetting tot ver na de landing van de geallieerden in Normandië pendelden koeriers van de Duitse banken dwars door het front met effecten in verzegelde koffers naar Duitsland om de 'nieuwe orde' ook schriftelijk te kunnen vastleggen. Correct, eerlijk en ordelijk. Gepaard met het overigens minachten van alle menselijke en morele waarden, karakteriseerden deze drie Pruisische deugden volgens James het gedrag van de Duitse bureaucraten en ondernemers.

Opmerkelijk is de verschuiving in economisch denken in de zomer van 1940. Ondernemers krijgen meer vrijheid en Walther Funk (inmiddels ook minister van Financiën, het presidentschap van de centrale bank doet hij erbij) belooft aan Göring in juni '40 'een begin van een nooit vermoede economische bloei'. De Duitse banken zien in deze prognose het signaal om voor hun particuliere cliënten ook in de bezette gebieden aandelen te verwerven.

Zoals voor de familie Quandt, anno 1995 nog steeds grootaandeelhouder van het BMW-concern. De familie geeft de aan de Deutsche Bank gelieerde Böhmische Union-Bank opdracht tegen gunstige voorwaarden verschillende staalbedrijven in Tsjechië op te kopen. Joodse aandeelhouders worden zonder pardon, dus zonder vergoeding, onteigend. Hun bezit (in dit geval in Tsjechië) wordt niettemin door de Böhmische tegen een leuke boekwinst doorverkocht aan Quandt en Mannesmann.

De Deutsche Bank zelf wordt door Göring aangewezen om het Nederlandse bedrijfsleven aan te pakken. Dat lukte slechts met mate, omdat veel Nederlandse ondernemers zich dwars gedroegen. In mei 1941, een jaar na de overval, bericht de filiaalleider van de Deutsche Bank in Den Haag aan Berlijn: 'Een Duits-Nederlandse economische vervlechting op grotere schaal dan tot nu toe kan slechts worden uitgevoerd wanneer de Hollanders niet meer aan Engelands eindoverwinning geloven'.

OP DE thuismarkt werd er zowaar geprivatiseerd. Eén man die daarvan uitgebreid gebruik maakte, is Philipp Reemtsma, wiens familie vijftig jaar later nog steeds eigenaar is van het gelijknamige Duitse sigarettenconcern. Reemtsma ziet dat ondanks de militaire successen aan het Westfront de inflatie niet is te stuiten en herinnerde zich hoe na de Eerste Wereldoorlog vermogens zijn verdiend door speculanten die hun geld tijdig hadden geïnvesteerd in vastgoed.

Reemtsma kocht onderhands en via de beurs grote delen van rederij Hapag, overigens zonder zijn commissarissen in te lichten, die het nieuws 'tot hun spijt uit de krant moesten vernemen'. Er werden zelfs delen van het enorme semi-staatsconglomeraat 'Reichswerke Hermann Göring' via de beurs aan particulieren verkocht.

Tot de inval in de Sovjet-Unie in juni 1941 was de Duitse Wirtschaft bijzonder optimistisch gestemd en vol verwachting over een spoedig einde van de oorlog in Duitslands voordeel. Ondernemers en banken gingen ervan uit dat lering zou worden getrokken uit de falende economische politiek tijdens het interbellum met zijn internationale handelsbelemmeringen en rigide deviezenverkeer.

Een enorme 'Grossraumwirtschaft' zou ontstaan, met Duitsland als centrale macht. Er werd driftig gespeculeerd over een systeem van min of meer vast aan elkaar verbonden valuta's en integratie van een Europese markt. Weinigen konden weten dat voor het uitkomen van deze droom een totale Duitse nederlaag noodzakelijk was. Het koersgemiddelde van de Berlijnse effectenbeurs liep inmiddels verder op naar 149 punten.

De economische liberaliteit was van korte duur. Op 3 december 1941 verscheen een 'Erlass des Führers', waaruit kon worden opgemaakt dat de oorlog een voor Duitsland fatale wending had genomen. Niet bij Stalingrad (februari 1943), maar bij Moskou faalde voor het eerst het Blitzkrieg-concept; Görings vierjarenplan viel in duigen.

Eind 1941 bleef het leger steken in de Russische sneeuw en werd de produktie van consumptiegoederen tot een minimum teruggeschroefd. Onder leiding van Albert Speer ontstond een niet eerder vertoonde centrale en straffe planning van de economische bedrijvigheid. Miljoenen vrouwen werden bij het produktieproces ingeschakeld.

Ondernemers laten zich echter niet ringeloren. Ofschoon de geallieerde bombardementen natuurlijk ook grote delen van de produktie uitschakelden, moest zelfs een overtuigde nationaal-socialist als bankier Otto Christian Fischer, leider van de 'Reichsgruppe Banken', erkennen dat er nog iets anders aan de hand was: de commando-economie had zich opnieuw als ondeugdelijk bewezen. De bankier schreef in 1944 een pleidooi voor de 'wederopbouw van een vredeseconomie, die zich richt naar de wetten van vraag en aanbod, en gebaseerd is op vrije concurrentie en kostencalculatie'.

De Rijksmark noteert op dat moment zogenaamd nog steeds 2,50 ten opzichte van de dollar. In het weekblad Das Reich staat een verhandeling over de industriële aanwending van de sojaboon door ene Henry Ford in de VS. De verzekeringsmaatschappij Gothaer uit Gotha adverteert voor een nieuwe levensverzekering. 'Voor 6 mark per maand krijgt een 30-jarige op zijn 65ste 2500 mark en ook nog dividend. Sterft iemand vroeger, dan krijgen zijn nabestaanden het gehele bedrag zonder rente. Aarzel niet'

In de nacht van 22 op 23 maart 1944 krijgt de beurs van Frankfurt een voltreffer. De handel wordt verplaatst naar de kelder. Net als in Berlijn zijn de doorlopende noteringen dan al geruime tijd gestaakt en wordt er nog twee maal per week officieel gehandeld in aandelen. Obligaties worden alleen nog op woensdag verhandeld. Indexen zijn er niet meer. De laatst beschikbare koersenindex van Berlijn stamt uit 1943. Op een hoogtepunt van 158 punten, ruim 50 procent boven de stand van september 1939, wordt er de brui aan gegeven.

DE INVLOED van de gevechtshandelingen op het gedrag van de belegger moet voortaan weer worden afgelezen van Dow Jones, het koersgemiddelde op Wall Street. Daar vallen de koersen op 7 maart 1945 als de Amerikanen geheel onverwachts de Rijnbrug bij Remagen onbeschadigd in handen krijgen. De oorlog zal er weken, zo niet maanden door worden verkort. Het bevalt de speculanten allerminst en op grote schaal dumpen zij de aandelen van de grote Amerikaanse wapenfondsen.

De balans kan worden opgemaakt op 8 mei 1945, na het ondertekenen van de onvoorwaardelijke capitulatie, ook wel Stunde Null genoemd.

Zeven miljoen Duitsers zijn om het leven gekomen, 12 miljoen belanden in krijgsgevangenschap en 15 miljoen worden op de vlucht gedreven. Volgens globale schattingen kostte de oorlog het Duitse rijk circa 530 miljard Rijksmark, waarvan het leeuwedeel via staatsleningen was binnengehaald. De gebieden ten oosten van de Oder en Neisse, waaronder het industriegebied in Silezië, gaan verloren. In totaal verliest Duitsland ruim een kwart van zijn grondgebied.

In het resterende deel is zo'n 30 procent van de produktiecapaciteit vernietigd, hetgeen wil zeggen dat altijd nog 70 procent intact is. Ernstiger is de schade aan de infrastructuur. Afgezien van de platgegooide steden liggen vrijwel alle spoorwegen en het complete wegennet in puin. Alleen al in de Rijn zijn 50 duizend ton staal en beton en 1500 scheepswrakken terecht gekomen.

Eind 1945, zeven maanden na de capitulatie, zijn de Sovjets nog steeds druk doende hun zone (de latere DDR) leeg te halen. De industriële produktie in de Amerikaanse, Britse en Franse bezettingszone (de latere Bondsrepubliek) bedraagt slechts eenvijfde vergeleken met de stand van 1939. De prognoses voor de Duitse economie zijn eind 1945 uitgesproken somber.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden