Hartstocht

'Niet huilen', zegt Giuseppe. We kijken vanaf de berg naar de grijsblauwe zee, over de zachtoranje en roze villa's, de dadelpalmen, de dieppaarse bougainville....

Beneden botsen, claxonneren en snijden de auto's en scooters zich op het ritme van de hartstocht een weg door de stad. Geen auto is zonder deuken en de roest brandt diepe gaten in de portieren. Een jonge vader op een scooter klemt een bambino tussen zijn benen, die heftig meetrilt op het gerammel van de motor. Als de man een scherpe wending maakt weet zijn vrouw, die achterop zit, nog net het vege lijf te redden door ferm af te zetten met haar naaldhak. De diepe split van haar panterrok kruipt even op tot haar netbroekje.

Oh-o, verzucht een voorbijganger. Want kijken, ja, kijken mag in deze stad. Niemand slaat hier beschaamd zijn ogen neer. Niemand gluurt stiekem. Hier is geen verborgen hunkering. Hier kijk je elkaar recht in de ogen. Hier praat je niet alleen met je stem, maar vooral ook met je handen. Hier raak je elkaar aan tijdens een gesprek. 'Kom mee', zegt een man die ik de weg vraag. Hij pakt mijn arm en loodst me in een rechte lijn over de Via Roma. Auto's toeteren, remmen piepen. 'Bij mij ben je veilig' zegt de man, en hij geeft een kneepje in mijn nek. 'Bij mij overkomt je niks' en hij aait over mijn rug.

'Mario', roept een vrouw. 'Mario' Haar geschreeuw gaat over in gegil: 'Mariooo!' Vergeefs. In een volière overheerst het gekrijs van de sterkste papegaai. En in deze volière wedijveren heel veel papegaaien met elkaar wie de sterkste is: de auto's, de scooters, de bussen, de trams, de straatventers, de sirenes van de brandweerauto's en ziekenwagens. Het heeft geen zin een gesprek op een gewone toon te voeren. De volumeknop staat altijd op tien.

'Niet huilen', zegt Giuseppe. Ik neem mijn eerste slok van de cappuccino in een bar waar ze volgens hem de beste koffie hebben van de stad, van het hele land, nee, van de hele wereld. 'Alsjeblieft niet huilen', zegt Giuseppe.

Voor een kerk in een buitenwijk staan de genodigden te wachten op het bruidspaar. De mannen in het zwart, de vrouwen in het wit. Ze zwijgen. Het is 35 graden in de schaduw, ze zijn moe, en waarom is de pastoor altijd te laat? Het feest lijkt te beginnen als er een praalwagen aankomt met bloemen op de motorkap, het dak, de achterklep. Roze, rode, gele, oranje, paarse bloemen. Maar de auto rijdt voorbij, met in zijn kielzog een lijkwagen. Vijftig mensen lopen achter de dode aan. Ze zijn de hitte vergeten. Ze praten. Er was toch geen man zo groots als grootvader?

Het gaat niet goed met haar, concludeert Giuseppe, en hij wijst naar een vrouw die aan de rand van het ravijn naar de zee staart. Ze zit daar maar en ze zit daar maar sinds haar man is overleden, zegt Giuseppe, dat is toch niet gezond? Hoe lang zit ze daar dan al?, vraag ik. 'Al vijf dagen'

Hij rijdt voor de zesde keer door het rode licht, maar remt deze keer pardoes af en duikt de auto uit. Vijf minuten later komt hij opgelucht terug. 'De politie vindt het vandaag te warm om boetes uit te schrijven.'

Boven, in de chique wijk Vomero, liggen twee carabinieri te slapen, de deuren van hun blauwe wagen wijd open. Giuseppe brengt me naar de plek die hij het meest liefheeft en het meest haat. Het appartement waar die voetbaltovenaar woonde, toen hij nog speelde voor Giuseppe's stad. Die grootheid die ervoor zorgde dat Giuseppe en de andere 3,8 miljoen inwoners van deze stad het arrogante Noord-Italië op de knieën kregen. Die duivel, die daarna alles verziekte door zijn cocaïnegebruik.

Giuseppe wijst me het huis waar Maradonna vroeger woonde. 'Nu mag je huilen', zegt hij.

Ik ben in Napoli.

Steffie Kouters

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden