Hartstocht

Het binnenland van de VS zou een achterlijk gebied zijn met louter dikke conservatieven. Filmer Payne brengt de roadmovie over zijn geboortestreek met warmte en melancholie.

De leegte van Amerika. Je lijkt erin te worden opgezogen als je op 10 kilometer hoogte tijdens de nachtvlucht uit het vliegtuigraampje kijkt en je beneden in het strijklicht van de maan slechts her en der wat lichtjes ziet als tekenen van schaars leven. Het is het heartland, het binnenland, een mysterieus gebied.

Veel Amerikanen komen er nooit, kennen het nauwelijks, lezen er hooguit af en toe wat over en kijken er meestal op neer, letterlijk en figuurlijk.

'Zo veel mensen ervaren ons land alleen maar als een vliegreis van vijf uur, van kust tot kust', zegt regisseur Alexander Payne. 'Dat is niet ons land.'

Amerika is meer dan alleen New York, Miami, Los Angeles, San Francisco. Het is ook Nebraska, Montana, North Dakota, Idaho.

In de eerste staat - in het hart van het land - groeide Payne op en heeft hij een tweede huis. Vier van zijn zes films spelen zich hier af. De laatste in deze rij heet ook gewoon Nebraska.

Het is een verhaal van een dementerende en drinkende ouwe man, Woody Grant (Bruce Dern), die een brief krijgt dat hij een miljoen dollar heeft gewonnen. Hij wil die persoonlijk gaan ophalen, omdat de post natuurlijk niet valt te vertrouwen. Zijn zoon David zegt dat het een bekende reclametruc is om hem een tijdschriftabonnement aan te smeren. De vader luistert niet, is stijfkoppig en begint (omdat zijn rijbewijs is ingetrokken) te voet aan de reis. Als de politie hem een paar keer van de vluchtstrook van de snelweg heeft geplukt, besluit de zoon het spel mee te spelen en gaan ze samen op pad. In de auto, van Billings in Montana naar Lincoln, in Nebraska, een tocht van bijna 1.300 kilometer.

De oneindige vlakten en velden zijn adembenemend eentonig, de hoofdstraten van de stadjes altijd scharrig en de bewoners bijna allemaal blank, oud en aftands. Payne filmde het in zwart-wit, in een tijd dat de bomen kaal waren, in november en begin december, voordat de eerste sneeuw de kans kon krijgen het landschap te verfraaien. Hij wilde het echte laten zien, niet het mooie. Dat dit weer een geheel eigen schoonheid oplevert, is goed, maar eerst de werkelijkheid.

Die is voor de bevolking in dat uitgestrekte, dunbevolkte binnenland van Amerika vaak kaal en hard. Het weer kan er woest en wreed zijn. Als 's zomers de koele noordwestelijke luchtstroom uit Alaska in botsing komt met de warme, zuidoostelijke wind uit de Golf van Mexico, kolkt de lucht. Weerloos zijn de boomloze prairies als de natuur kwaad wil en het land geselt met rukwinden en tornado's.

De Britse schrijver Jonathan Raban zegt nooit zo bang te zijn geweest voor onweer als die ene keer in Montana. Onder een pikzwarte hemel en begeleid door donderende klappen sloegen de knetterende bliksemflitsen steeds dichter bij hem in de grond en zat hij als verlamd in zijn auto. Angstaanjagend moet ook het geluid zijn van hagel op de daken van huizen. De stenen kunnen zo groot worden als een grapefruit, maar zelfs als ze de omvang hebben van een erwt of walnoot kunnen ze de oogst van een boer vernietigen en daarmee zijn inkomen.

Dit onzekere bestaan kweekt godvruchtige, door weer en wind gelooide conservatieven, die niet alleen moeten opboksen tegen de grillen van de natuur maar ook tegen de veranderende cultuur. De bevolking aan de kusten is talrijker, jonger, gekleurder en progressiever. Ze drukt een steeds groter stempel op Amerika. Voor de bewoners in het binnenland is het alsof het land hun ontglipt. Ze vrezen de ondermijning van al hun waarden en zekerheden. Het maakt hen alleen maar halsstarriger in hun verzet tegen het homohuwelijk, abortus, strengere wapenwetten en het geld verspillende Washington. Ze klampen zich vast aan politici met denkbeelden die te extreem zijn voor de meerderheid, maar zeker in voorverkiezingen vormen zij een luidruchtige machtsfactor.

Dit alles versterkt het bij velen levende negatieve beeld van de zogeheten red states. Voor critici zijn deze rechtse en Republikeinse staten 'zones van stupiditeit, obesitas en bekrompen hebzucht', bewoond door een achterlijk volkje dat te veel en te vet eet. Een uitstervend Amerika.

Dat is niet waar Payne heen wil met Nebraska. Hij veroordeelt noch verheerlijkt. Zijn heartlandbewoners zijn geen lieverdjes. Ze kunnen kwaad spreken en kwaad doen, zeker als ze de geur van geld ruiken. Payne spaart ze niet, laat zien hoe wanstaltig gemeen ze kunnen zijn, maar hij is nooit neerbuigend. De ondertoon van zijn film is er een van warmte en melancholie.

'Ja', gaf hij toe aan een verslaggever met wie hij een paar dagen in een Ford Mercury uit 1988 door zijn geboortestaat reed, 'ik leef een beetje in het verleden.' Met zijn film laat hij niet alleen een andere wereld zien, maar ook een andere tijd. Het is een beeld van mensen en dingen die langzaam voorbijgaan in Amerika. Ook in het binnenland rukken de zonnestudio's, Spaanstalige immigranten en homostellen op. Payne maakt dat niet politiek, staat er niet bij te juichen, eerder zal hij veel dingen missen.

Postbode Troy Kilzer is een man van het heartland. Hij groeide op in Madrid, in de staat Iowa. Zijn vaders familie kwam uit de streek rond Lincoln, Nebraska, in de film het reisdoel van Woody en zoon David. We ontmoetten hem tijdens de presidentsverkiezingen van 2012. Hij zat in het kiezerspanel van de Volkskrant en was de stem van de sociaal-conservatieven.

In zijn jeugd trok hij er veel op uit, vertelt hij. Hij zwierf langs de autoweg op zoek naar flessen voor het statiegeld van 3 cent, bouwde forten, schoot met windbuksen op mussen en was razend nieuwsgierig naar een oude vrouw in een huis langs de rivier die in een ijzeren long bij het raam lag. Al jong leerde hij op zijn vaders schoot autorijden op stille onverharde wegen. Als er een vreemdeling verscheen in het stadje, wist iedereen dat onmiddellijk. De kruidenier was de plaatselijke roddelcentrale. De klanten wisten dat als ze 's avonds iets vertelden aan de oudere vrouw aan de kassa, de queen of gossip, het hele stadje dat binnen 24 uur wist.

Madrid bestond voor de helft uit Zweedse boeren en voor de andere helft uit Italianen, die eerst in de kolenmijn werkten en later in de fabrieken voor auto- en tractorbanden. Er waren geen zwarten. Zelfs niet iemand met een kleurtje. Voor zijn 20ste had Kilzer, nu 53, nooit een zwarte man de hand geschud. Toen hij 20 werd, was hij het leven in Madrid zat en verhuisde hij naar Ames, een universiteitsstad. Het was slechts 30 kilometer verderop, maar: 'Mijn hele leven veranderde en werd spannender', zegt Kilzer. In Madrid heeft sindsdien de tijd ook niet stilgestaan. In menig stadje in Iowa vestigen zich Spaanstaligen of andere buitenlanders.

Regisseur Payne doet niet sentimenteel over de veranderingen. It doesn't matter, 't doet er niet toe, zou hij als een van Nebraska's zonen kunnen zeggen. Net als Woody, die dit mompelt in de film als zoon David vraagt of hij niet iets anders met zijn leven zou hebben gewild. It doesn't matter. Laat maar zitten. Het heeft geen zin terug te kijken. Geweest is geweest. Plattelandsmannen als Woody zijn niet zoals de met hun mobiel vergroeide praatmachines in New York, die met hun psychobabbel een geheel eigen zone van stupiditeit vormen als ze op straat luidkeels kletsen over hun out-of-body-experiences, het 'reductionische' gezwam van hun ex of de 'objectificatie' van de vrouw.

Dat klinkt heel anders dan het 'I suppose', het zal wel, of het 'guess so', denk van wel, van bewoners van het heartland. De taal net zo kaal als de bomen in Paynes film. 'Ik hou van de schoonheid van die strenge eenvoud', zegt hij. Het is de geheel eigen poëzie van Amerika's binnenland.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden