Postuum

Hartstochtelijke liefde voor het aardse

Zijn gedichten vlamden aanvankelijk van verontwaardiging. Gerrit Kouwenaar (1923-2014) had de precisie van een horlogemaker en was een van de belangrijkste dichters van zijn generatie.

Gerrit Kouwenaar in 1997 Beeld Hollandse Hoogte

'Terwijl het laatste gedicht het tijdstip verteert / staat de maker geledigd op van zijn tafel / hij reinigt zijn vleesmes en kijkt uit het raam.' Zo begint het slotgedicht uit Totaal witte kamer (2003) van Gerrit Kouwenaar, die donderdag in Amsterdam op 91-jarige leeftijd overleed.

Met nuchterheid constateert de dichter dat zijn werk erop zit. Hij heeft zich ontdaan van zijn laatste woorden, laat het gedicht met zichzelf alleen en richt zich op de wereld buiten de tekst, waar de bladeren 'verlost van de zomer' zieltogen op de sierbestrating en 'de windengel hurkt / in het eeuwige onkruid'. Alles is vergankelijk, maar het vergaan is verduurzaamd in het gedicht. De dichter kan 'eindelijk slapen'.

Kouwenaar werd op 9 augustus 1923 in Amsterdam geboren als zoon van een journalist met connecties in literaire kringen. Nadat het gezin in 1940 naar Bergen (Noord-Holland) was verhuisd en kort daarna naar Baarn, vestigde Gerrit zich met zijn broer, de schilder David Kouwenaar, opnieuw in Amsterdam.

Debuut

Een zeer ingrijpende gebeurtenis was zijn arrestatie in 1943, gevolgd door een detentie van een half jaar, wegens medewerking aan het illegale tijdschrift Lichting. Na zijn vrijlating dook Kouwenaar onder. De oorlog is voor hem, zoals voor de meeste schrijvers van zijn generatie, altijd een ijkpunt gebleven.

Na de oorlog ging Kouwenaar voor het communistische dagblad De Waarheid schrijven en vond hij aansluiting bij de Experimentele Groep Holland, een kortstondig collectief van schilders en dichters, waartoe ook Lucebert en Constant Nieuwenhuis behoorden.

Zijn officiële debuut als dichter maakte hij in 1953 met de bundel Achter een woord. Eerder had hij al proza gepubliceerd, terwijl hij ook een productief vertaler zou worden.

Gerrit Kouwenaar in 1958. Beeld Hollandse Hoogte

De Vijftigers

Kouwenaars poëzie was in de jaren vijftig sterk experimenteel en maatschappelijk betrokken, zoals die van zijn vrienden Lucebert, Jan Elburg, Remco Campert en Bert Schierbeek. Samen met enkele anderen staan zij bekend als de Vijftigers.

Zij lieten zich inspireren door de avant-gardebewegingen die sinds de Eerste Wereldoorlog het aanzien van de Europese poëzie diepgaand hadden gewijzigd, maar die aan Nederland grotendeels voorbij waren gegaan. Daardoor werden de Vijftigers, een verzamelnaam voor onderling zeer verschillende dichters, door de literaire kritiek aanvankelijk nauwelijks serieus genomen.

Tot hun canonisering heeft zeker de bloemlezing Vijf 5 tigers (1955) bijgedragen, die ingeleid werd door een essay van Kouwenaar. Tegelijkertijd markeert dat boek het einde van de beweging. De dichters zouden voortaan hun eigen gang gaan.

Onmacht van de taal

Kouwenaar schreef naar aanleiding van de Hongaarse opstand in 1956 nog gedichten die vlamden van politieke verontwaardiging: 'Men slaat een huis ineen / men eist vrij brood voor allen / men hijst een ster / zegt leven / en sterft.' De vrijheid is 'een bezette stad / de waarheid een verdrongen herinnering / aan een leugen.'

Het failliet van de naoorlogse idealen leidt bij Kouwenaar tot een zich steeds verdiepende introspectie en een besef van de onmacht van de taal. De dichter verwijdert zich van politieke actualiteit en persoonlijke anekdotiek en onderwerpt zijn medium aan een fascinerend onderzoek, dat uiteindelijk meer dan vijftig jaar zal duren.

De wereld is onbestendig, de waarneming onbetrouwbaar en het woord feilbaar, maar door met de precisie van een horlogemaker de taal open te leggen slaagt Kouwenaar erin de tijd stil te zetten en het vluchtige te fixeren in een klinkend object.

'Het duurzaamst bouwen is het breken', wie het moment vastlegt om het voor de eeuwigheid te bewaren, moet het eerst van zijn leven beroven. Het gedicht is een ding, maar als het goed gemaakt is, verneemt de lezer er een levende stem in. Juist de meest autonome taalbouwsels van Kouwenaar getuigen van zijn hartstochtelijke liefde voor het aardse en het lichamelijke.

Prijzen

In de jaren zestig en zeventig verwierf Kouwenaar terecht de reputatie een van de belangrijkste dichters van zijn generatie te zijn. Hij werd overladen met prestigieuze prijzen, zoals de P.C. Hooftprijs (1971), de Prijs der Nederlandse Letteren (1989) en de VSB-poëzieprijs (1997).

Met zijn onafscheidelijke sigaretten en rode wijn kon hij vol zelfspot zijn eigen veroudering van commentaar voorzien, maar de oprechte belangstelling voor het werk van zelfs zijn allerjongste collega's bewees dat hij, ook ver na zijn tachtigste verjaardag, nog midden in het leven stond.

Zijn laatste openbare optreden was op zondagmiddag 16 oktober 2011, toen Kouwenaar tijdens een aan hem gewijd programma werk van eigen hand voorlas in De Nieuwe Liefde in Amsterdam.

Hoewel Kouwenaars werk lange tijd als hermetisch gold, leek het vanaf het einde van de jaren negentig allengs toegankelijker te worden. Aangrijpend zijn de gedichten die hij schreef na de dood van zijn vrouw Paula: 'dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale / zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven / witter dan, samen.'

Het ter gelegenheid van gedichtendag 2005 gepubliceerde bundeltje Het bezit van een ruïne getuigt van een meesterschap dat weinigen in ons taalgebied hebben geëvenaard:

'diep in de tuin dooft het buitenste binnen
altijd die vogels die nesten beginnen -'

Karakteristiek is het gedachtestreepje waarmee het gedicht eindigt. Na het laatste woord is het niet afgelopen.

Gerrit Kouwenaar (1966) Beeld anp
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden