Harry van Dalen

Geld moet rollen, en wel naar de plek waar het het beste tot zijn recht komt. De slager op de hoek kent deze simpele regel net zo goed als uw plaatselijke hoogleraar economie....

HARRY VAN DALEN

De EU trekt in de periode 1994-1999 327 miljard gulden uit voor regionaal structuurbeleid. De belangrijkste doelstelling van dit beleid is 'de economische aanpassing van regio's die in hun ontwikkeling achterblijven'. Er zijn ook secundaire doelstellingen die de band benadrukken tussen rijk en arm in Europa. Maar zo'n 70 procent van het geld uit de structuurfondsen wordt verdedigd op basis van de eerste doelstelling.

De bedenkers van de structuurfondsen, en de verdedigers van hun voortbestaan, hanteren als impliciete veronderstelling dat 'de markt' de welvaartsverschillen die tussen regio's bestaan, niet laat verdwijnen. Markten falen, ergo: de (Europese) overheid moet het vuile werk opknappen.

Dit is een foute voorstelling van zaken. Mijn stelling is: het geld dat de EU uitgeeft aan structuurfondsen is weggegooid geld.

Er zijn drie redenen om een betere bestemming voor de structuurfondsen van de EU te bedenken. Ten eerste verdwijnen de inkomensverschillen in de Europese Gemeenschap vanzelf. Dit gaat langzaam, maar zeker. En hier moeten we 'de markt' voor bedanken en niet de overheid.

De Amerikaanse economen Robert Barro en Xavier Sala-i-Martin publiceren de ene na de andere berekening over economische groeiverschillen in de wereld. De teneur van hun onderzoeksresultaten is dat er zogenoemde 'convergentieclubs' bestaan. Dit zijn landen of continenten zoals Europa, Japan en de Verenigde Staten, waarin de inkomens van de verschillende regio's elk jaar dichter bij elkaar komen. Het gat tussen de arme regio's en de rijke neemt elk jaar met ongeveer 2 procent af.

De voornaamste reden voor deze inhaalslag is dat arme regio's met minder kapitaal aan de slag gaan dan rijkere landen. Een extra investering zal in kapitaalarme regio's meer effect hebben dan in rijkere regio's. Die inhaalslag gaat natuurlijk langzaam: het duurt 35 jaar voordat de helft van het verschil is weggewerkt tussen het lage startinkomen en het hogere streefinkomen van bijvoorbeeld Noord-Europa.

Een pikant onderzoeksresultaat van Barro en Xavier Sala-i-Martin is dat de mate van convergentie in alle 'clubs' hetzelfde is, en niet of nauwelijks wordt versneld door overheidsbeleid. Brussel kan structuurbeleid voeren wat het wil, sneller convergeren lukt niet.

Een tweede reden om Brussel te wantrouwen schuilt in de EU-spelregels. Regel één luidt: structuurfondsgeld krijg je alleen maar als de nationale overheid ook voor ongeveer 50 procent meebetaalt aan het opkalefateren van regio's. Voor de 'calculerende' overheid moet het een fluitje van een cent zijn om met dergelijke voorstellen te komen om zodoende extra geld binnen te slepen.

Daarom is regel twee in het leven geroepen, de 'additionaliteitsregel': er wordt alleen maar geld verstrekt als het project zonder die steun niet was gestart. Dit wil in feite zeggen dat alleen zeer grote projecten in aanmerking komen, projecten die de investeringskracht van individuele ondernemers en de nationale overheid te boven gaan.

Een nadeel van deze regel is dat het bedrijfsleven en de nationale overheden zelf de meest rendabele projecten financieren. De overgebleven projecten zijn per definitie laagrenderend en dus niet begerenswaardig.

Tot slot is er nog regel drie: gij zult arm zijn indien gij voor steun in aanmerking wilt komen. De EU gebruikt als steuncriterium het inkomen dat in een regio zelf wordt gecreëerd. Dat ook deze regel niet waterdicht is, bewees het 'arme' Flevoland. Deze provincie voldeed aan het inkomenscriterium, en ontving daarom geld uit de Europese kas. De meeste inwoners verdienen hun geld echter niet in Flevoland, maar in aangrenzende regio's.

De wirwar van criteria maakt de helft van de Europese bevolking tot potentiële ontvangers van ontwikkelingssteun vanuit Brussel.

Tenslotte is er de uiterst gebrekkige controle op geldstromen. De ruimhartige spelregels nodigen uit tot misbruik en verspilling. Door de slechte controle gebeurt dat dan ook op grote schaal.

Tien procent van de financiële transfers die tussen 1990 en 1994 richting Oost-Duitsland vloeiden, is op mysterieuze wijze verdwenen. De Duitse Rekenkamer noemde de voormalige DDR dan ook 'een vat zonder bodem' en de Europese Rekenkamer sprak zelfs over 'Siciliaanse toestanden'. De stad Elsterwerda in de deelstaat Brandenburg heeft zich ooit een rioleringssysteem laten aansmeren voor 240 duizend inwoners terwijl de stad zelf maar tienduizend zielen telde.

Het misbruik beperkt zich niet tot Duitsland. Exportrestituties voor verdachte Deense fetakaas, subsidies voor niet bestaande Griekse olijfgaarden, sociale steun voor een corrupte organisatie in Portugal en het in leven houden van de Zuid-Europese tabaksindustrie die tabak produceert waar wereldwijd geen belangstelling voor bestaat.

Gezien dit soort voorbeelden is het niet verbazingwekkend dat de Europese Rekenkamer stelt dat liefst 6 procent van de totale EU-begroting 'dubieus' genoemd kan worden. Dat komt door de criteria, maar vooral ook door de gebrekkige controle.

Het (voort-)bestaan van de structuurfondsen kan niet met economische argumenten worden verklaard. Er zijn politieke argumenten in het spel. De fondsen vormen de smeerolie om de eenwording van de Europese markt te bewerkstelligen. De enige verkleining van welvaartsverschillen die tot stand komt, komt eigenlijk boekhoudkundig tot stand: overheveling van geld van een rijk naar een arm land leidt per definitie tot een kleiner inkomensgat.

Het Europees structuurbeleid is, om in het bureaucratenlingo te blijven, toe aan 'herijking'. Als de structuurfondsen hun naam eer aan willen doen, kan men zich beter gaan richten op Europese collectieve goederen; goederen waarvan alle Europese burgers genieten en waarvan niemand uitgesloten kan worden zodra het op betalen aankomt. Kennis en technologie lijken in dat opzicht betere projecten om in te investeren, temeer daar het inkomensgat tussen landen beter verklaard kan worden met verschillen in technologie dan met verschillen in overheidskapitaal.

Alle investeringsprojecten die niet voldoen aan het criterium van een Europees collectief goed, kunnen beter aan beleggers en investeerders worden overgelaten die er echt verstand van hebben. Want niet alleen markten falen, ook de overheid kan er wat van.

De auteur is als econoom verbonden aan het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut en de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden