Hang naar het hogere Brabantse kunst vol religiositeit in vele gedaanten

'Brabantse kunst', een eigenaardige noemer voor vier exposities. Welk onderscheid kun je aanbrengen op grond van geografische criteria? Vier kunstinstellingen hebben hun krachten gebundeld om de provinciale identiteit te benadrukken....

'Als ik hier een paar dagen ben, ga ik vanzelf weer Brabants praten', zegt Moniek Toebosch (Breda) en veegt tevreden de koeienpoep van haar handschoenen af aan haar overall. Ze is bezig met de inrichting van een van de wolhokken in die prachtige tentoonstellingsruimte van Tilburg: Stichting De Pont.

Koeienpoep is typisch Brabants materiaal, zou je kunnen denken. Maar zo gemakzuchtig wil Toebosch niet zijn. 'Er zijn inderdaad mensen over het mestoverschot begonnen. Ik heb daar nooit bij stilgestaan. Oude stalmest is gewoon prettig materiaal. Zacht en toch stevig, het lijmt goed, heeft een mooie aardkleur en zoals je merkt is de geur er al lang af.'

Moniek Toebosch is een van de elf 'Brabantse' kunstenaars van naam die door De Pont werden uitgenodigd om de wolhokken van de voormalige textielfabriek in te richten. Brabants tussen aanhalingstekens, want het geografische criterium is ruim gehanteerd. Import, export en autochtonen zijn vertegenwoordigd: Moniek Toebosch, Peer Veneman (Eindhoven) en Irene Droogleever Fortuyn (Geldrop) hebben zich bijvoorbeeld metterwoon in de Randstad gevestigd; JCJ Vanderheyden ('s-Hertogenbosch), Henk Visch (Eindhoven) en Marc Mulders (Tilburg) blijven honkvast; John Körmeling (Amsterdam) is later in Eindhoven komen wonen en werken.

Brabantse kunst. In deze tijd van globalisering is het een merkwaardige noemer voor tentoonstellingen. Alsof kunstenaars uit Noord-Brabant iets gemeen hebben dat hen onderscheidt van alle anderen. Alsof de grote stromingen in de beeldende kunst met een boog om dat kleine stukje wereld onder de Maas zijn heengegaan, of daar op een zo uitzonderlijke wijze zijn gefilterd dat iets unieks kon ontstaan. Alsof in lange Brabantse nachten een eigen identiteit is ontstaan, een optelsom van gemoedelijkheid, beschaving en hang naar het hogere, die van de grote rivieren een demarcatiezone maakt.

Als vier kunstinstellingen de krachten bundelen om tezelfdertijd de provinciale identiteit te benadrukken, moet er wat te vieren zijn. Sedert het einde van de tachtigjarige oorlog was Brabant door de Hollanders als wingewest behandeld. Vanuit het hart van Holland bezien begon onder de rivieren het land van achterlijkheid en armoede, bewoond door een volk van 'osseboerkes' of 'blanke Javanen', zoals reizigers uit het noorden het in hun geschriften verwoordden. Bang voor spoken, heksen en weerwolven waren ze volgens dominee S. Hanewinkel, een vermaarde papenhater die er meermalen ging kijken. 'Ze zijn lomp, onbeschaafd en onwetend; er worden weinig vlugge verstanden onder hen gevonden.'

Napoleon moest er aan te pas komen om daar verandering in te brengen. In 1796 trad Brabant als achtste provincie toe tot de Staten-Generaal, een heuglijk feit dat in vele toonaarden wordt herdacht. De Geschiedenis van Noord-Brabant, onder redactie van prof dr H.F.J.M. van den Eerenbeemt, waarvan enkele maanden geleden deel 1 verscheen, is één manier om het eigen karakter te onderzoeken. De vier tentoonstellingen die gebundeld worden onder de titel De Muze als Motor zijn een tweede poging tot zelfreflectie.

Wie recht wil doen aan de bedoelingen van de bedenkers van De Muze als Motor gaat eerst naar Den Bosch toe, waar in het Noordbrabants Museum de periode van 1796 tot 1940 wordt behandeld. Dan volgt De Beyerd in Breda, dat uit zijn voegen is gebarsten bij het tonen van de Brabantse kunst van 1945 tot heden. Na De Pont in Tilburg eindigt de reis in het Van Abbemuseum in Eindhoven, dat de in 1989 gesneefde Brabant Biënnale nieuw leven inblaast door werk te tonen van elf jonge kunstenaars uit de provincie.

In anderhalve eeuw zijn geen genre en geen onderwerp onbeproefd gelaten - de tentoonstelling in het Noordbrabants Museum maakt dat overduidelijk. Er klonken verre echo's van Vermeer en De Hoogh, Anton Pieck wierp zijn schaduw reeds vooruit. Er waren kaarslichtschilders, gespecialiseerd in van onderaf belichte gezichten, er was bloemschilderkunst en poezenschilderkunst, er waren vereeuwigers van het schone landleven en verlate Italianisanten, beoefenaren der neo-gothiek en schilders die nog muurschilderden als stamden ze uit de Renaissance. Er waren pre-Rafaelieten die Brabantse prinsessen schilderden, lokaal-chauvinisten met een voorkeur voor eeuwenoude hertogen, er waren koekjestrommelschilders, kindjes-op-een-schommelschilders, zondagsschilders, schoolplatenschilders, er was zelfs een schilder van zeegezichten (die als Brabander nergens anders geboren kan zijn dan in Bergen op Zoom).

Alles kwam langs, alles werd geabsorbeerd en alles werd - met een vertraging van jaren of eeuwen - doorgegeven. dat leverde met recht en reden provinciale kunst op, waaraan niet zo bar veel Brabants te ontdekken valt. De schilders zelf dachten er net zo over. Ze waren niet gebakken aan hun geboortegrond. Zodra het succes hen ook maar enigszins toelachte, pakten ze hun koffers en verdwenen, naar Antwerpen, Brussel of liever nog Parijs. Ook Vincent van Gogh, die in zijn jonge jaren zo vaak het leven op het Brabantse land schilderde, betitelde die bron van inspiratie later als toeval. Zijn ouders woonden nu eenmaal in Nuenen en Etten, maar met evenveel liefde had hij het leven in Heyst, Kalmthout, Scheveningen of Katwijk vastgelegd.

De Muze als Motor, het allitereert lekker, maar hadden kunst en kunstenaars in Brabant nu werkelijk zo'n voortrekkersrol? Eerder was het de ontluikende industrie die in de negentiende eeuw de provincie uit haar sluimer wekte. Niet toevallig is de helft van de exposities ondergebracht in musea die hun bestaan danken aan het mecenaat van Brabantse fabrikanten, wier rol overigens getuige het Muziekcentrum Frits Philips in Eindhoven nog niet is uitgespeeld. De motor als muze, misschien was dat een passender benaming geweest.

Twee schilderijen weerspiegelen iets van de tijd waarin en plaats waar ze werden gemaakt. Ze heten Den Bouw en Het Paradijs, deel van het fabriekscomplex van textielindustrie J.Th. Smits & Zn. te Eindhoven, circa 1825. De schilder was Mattheus Derk Knip (Tilburg), of anders diens broer Josephus Augustus Knip (Tilburg), telgen uit een schildersgeslacht.

Beide schilderijen tonen hoe in het maagdelijke Brabantse landschap ineens een fabriek is neergedaald, fonkelnieuw, strak in de verf, voorzien van regenpijpen en gevelankers zoals amper een mens die aan zijn huis had. De koetjes kijken nog de andere kant op, de melkmeisjes negeren wat ze kunnen, maar achter hun rug voltrekt zich het onomkeerbare. Voorlopig worden de fabrieken van Tilburg of Eindhoven nog gemaskeerd als kloostercomplexen, maar bij die boogramen en onder dat torentje wordt aan de toekomst gewerkt. De gretigheid waarmee Brabant de nieuwe tijd onthaalt zal de afstand met Holland snel kleiner doen worden.

De tentoonstelling maakt ook zichtbaar hoe op een ander vlak de afstand groter wordt. Het katholieke geloof, niet langer verboden, groeit uit tot een factor die alle lagen van het leven beheerst. Er komen twee bisdommen, kerken worden gebouwd en kathedralen opgeknapt. Elk gezin heeft z'n heeroom, elk gehucht z'n pastoor en elk zandpad z'n kapelleke. De kerk wordt een voorname opdrachtgever voor kunstenaars, wat zijn sporen achterlaat in de gedaante van neogothische beelden, relikwieën en foeilelijke schilderingen.

'Katholicisme is het wezenskenmerk van de Brabantse ziel', had de oer-Brabantse schrijver Antoon Coolen gezegd. Van den Eerenbeemt c.s. hebben in het eerste deel van hun geschiedschrijving dat beeld willen bijstellen. Zo'n uniformerende invloed mag wat hen betreft niet aan de kerk worden toegekend.

Merkwaardig genoeg is in de exposities van De Muze als Motor religiositeit juist in allerlei gedaanten prominent aanwezig. Het meest duidelijk is dat in het overzicht van de naoorlogse kunst in De Beyerd in Breda. Van 52 kunstenaars wordt werk getoond, zoveel dat het museum de jongste generatie heeft moeten onderbrengen in twee loodsen van de voormalige Chassé-kazerne.

'Hedenavond optreden van Godsdienst & Vorst & Staat, of het wereldberoemde TRIO luimige Knock-Abouts', toeterde de Eindhovense Toneelgroep Proloog in 1969 vanaf een affiche. Er was sprake van happenings - events - situasies. Het was de tijd van de grote verwarring en van het niets is heilig. In Brabant begon Jacques Frenken ('s-Hertogenbosch) spijkers in de heilige maagd te slaan. Hij maakte een in veertien stukken gezaagde zwarte madonna, die een kindeke draagt dat ook uit veertien stukken bestaat. Ook van zijn hand is Crucifix/Target, met Jezus als schietschijf en diens kruis als roos. Idle dreams of idle men van Henk Visch (Eindhoven) laat zich beschouwen als een Maria met bromtol. Ook het werk van de Peelschilders Willi Martinali (Deurne) en Hans van Hoek (Deurne) is doordrenkt van bijbelse symboliek. Nog in 1992 komt L.A. Adriaans met een Pregnant Madonna.

Voor wie zich zo teweerstelt moet het geloof van groot belang zijn. Dat is wat De Beyerd onderhuids met haar keuze heeft willen laten zien: mocht Brabantse kunst bestaan, dan is die doordesemd van een hang naar het hogere.

Doorgaans is het onzinnig een geografisch criterium los te laten op beeldende kunst. Hendrik Driessen, directeur van Stichting De Pont in Tilburg, beaamt het vlotjes. Hij reageerde aanvankelijk terughoudend op het verzoek om mee te doen aan De Muze als Motor. Maar als hij nu eens wat namen noemt: Rob Birza (Geldrop), Marien Schouten (Andel), René Daniëls (Eindhoven), JCJ Vanderheyden (Den Bosch), Marc Mulders (Tilburg), Joep van Lieshout (Ravenstein) - allemaal Brabantse kunstenaars. Een rijtje dat hij moeiteloos langer kan maken. Rudi Fuchs - in het verleden directeur van het Van Abbemuseum - schijnt gezegd te hebben dat hij het Stedelijk Museum met louter Brabantse kunstenaars op niveau zou kunnen houden.

Hoe dat komt? 'De rol van het beeld in het geloof kan een oorzaak zijn.' Driessen zegt het aarzelend, maar vindt in het werk van Mulders en diens kunstenaarsvrienden Paul van Dongen (Tilburg) en Reinoud van Vught (Tilburg) een handzaam voorbeeld. Het werk dat zij in De Pont exposeren is vervuld van het lijden van en aan de wereld. In hun eigen woorden: 'Van groot belang hierbij is ons gezamenlijk geboorteoord, de plaats van handeling, de stad als woning van waaruit wij in de luwte en beschermd kunnen opereren: Tilburg. Wij positioneren ons zuidelijk werk tegenover een atheïstisch conceptualisme.'

Moniek Toebosch (Breda) en Roos Theuws (Valkenswaard), die even later aan een tafeltje in de foyer van De Pont neerstrijken, stemmen in met die prominente rol voor het katholicisme. 'Het houtsnijwerk van de kerkbanken, de gouddruk op de boeken - niets is te dol. Elk kapelletje langs de weg is eigenlijk een museum. . . of een wolhok. Al die beelden prikkelen de fantasie. Daarom komen schrijvers uit het noorden en beeldend kunstenaars uit het zuiden.'

'Zodra ik de grote rivieren passeer, voel ik me ongelooflijk thuis', zegt Toebosch. 'Hier is het hartelijk, hier kun je bij mensen langsgaan zonder tevoren een afspraak te maken. In Amsterdam haal ik dat niet in m'n hoofd.' Maar wat de weerslag van dat alles is op de beeldende kunst? Ze denkt na, zegt dan: 'Dit is het land van de gecontroleerde overdaad.'

De allerjongste lichting, net van de academie in Breda, Den Bosch of Tilburg, presenteert zich in het Van Abbe. Je stuit er bij binnenkomst meteen op de tijdschriftomslagen van Mieke van Schaijk (Ravenstein). Why must I be a teenager?, het zijn twee zebra's die zich dat afvragen. Een atelierinterieur draagt als tekst: My secret is that in my studio I eat and write and talk and love like everybody else. Op het eerste gezicht niks Brabants aan te herkennen, net zo min als aan de boze rose baby's van Kiki Lamers (Nijmegen), die je met hun achterdochtige ogen aankijken alsof ze meteen doorhebben dat je bij hen moest denken aan die baby's van Marlene Dumas, te zien in De Pont, dertig kilometer naar het westen.

Deze jonge Brabant Biënnale heeft niets provinciaals. De kunstenaars gebruiken woorden uit Engelstalige tijdschriften (Marc Nagtzaam, Helmond) of beelden van extreem televisie-geweld (Pim-Martijn Sanders, Fijnaart). De plaats van hun wieg heeft daar niets mee van doen.

Toch?

In een hoekje van de kantine zit Jolanda Kooijmans (Schijndel) iets in een boekje te schrijven. Het werk dat ze hier toont is een sterrenstelsel van oneindig veel kleine en nog kleinere vederlichte bolletjes, die ze met nylondraad aan het plafond bevestigt opdat ze straks zacht wuiven op de minste beweging van de lucht.

Brabantse kunst? Ze aarzelt lang. 'Ik zal me heus niet als Brabantse kunstenaar afficheren, trouwens ook niet als vrouw of als wat dan ook. Toch denk ik dat er verschil is. Dat heeft met het verbale te maken, met taal of de afwezigheid daarvan. Hier zijn de mensen intuïtiever. Dat merk je aan de docenten die ik op de Sint Joost in Breda had. Men is minder geneigd om de zaken van verschillende kanten te bekijken, minder rationeel misschien.'

Ze kijkt om zich heen, naar de overigens lege kantine. 'In dit museum voel ik me op m'n gemak. Veel mensen die er werken komen uit de buurt. Het is hier losser, makkelijker. Anders dan in Amsterdam.'

En da ge bedaankt zij, da witte.

De Muze als Motor. Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch (14 september tot en met 1 december); De Beyerd in Breda, De Pont in Tilburg en het Van Abbemuseum in Eindhoven (allen 14 september tot en met 24 november). Het kaartje voor één tentoonstelling geeft vijftig procent korting bij de andere musea.

Catalogi: De Muze als Motor I: Beeldende kunst en de ontwikkeling van het moderne Brabant, 1796-1940.

De Muze als Motor II: Beeldende kunst in Brabant 1945-1996. Per stuk ¿ 49,50, samen ¿ 85,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden