Handhaven met de overheid

Het aantal geweldsmisdrijven is gedaald sinds Paars begon, maar het is niet gelukt het geweld te halveren. Het softdruggebruik stabiliseert maar lijkt onuitroeibaar....

WAAR IS het zinloos geweld gebleven? Het is zo stil. Het laatste persbericht op de website van de 'Stichting tegen zinloos geweld' dateert van november vorig jaar en meldt dat ook de meiden van K3 tegen zijn. Wat begon met het doodtrappen van Joes Kloppenburg in augustus 1996, lijkt geëindigd met de fatale klap op het hoofd van Daniël van Cotthem in januari 2000. De namen Joes en Daniël, Marianne en Froukje, Floris en Meindert beginnen te vervagen, de meeste daders zijn alweer vrij, een periode lijkt afgesloten. Wat overbleef, is de roep om meer handhaving en minder gedogen.

Door de misdrijven te definiëren als 'zinloos' en daarmee los te tornen uit het aloude verschijnsel van nachtelijk straat- en kroeggeweld, konden ze gaan functioneren als het symbool van een verloederende samenleving. Er is een direct verband tussen termen als 'zinloos geweld', 'geweldsescalatie' en 'oplopende geweldsspiraal', en de opkomst van anti-gedogers als Fortuyn, Balkenende en de Leefbaren. Met succes koppelden die het slaan, steken en schoppen aan het paarse kabinet. Dat zou onder het motto 'meer markt, minder overheid' de onschuldige burger aan het rapaille hebben overgeleverd.

In de cijfers vindt het verhaal weinig steun. Uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat de meeste vormen van geweldpleging in het geheel niet zijn gestegen, ja zelfs daalden sinds het CDA het regeren in 1994 aan Paars overliet. Daarentegen verdubbelden in de beide kabinetsperioden de jaarlijkse uitgaven van het ministerie van Justitie, evenals het politiebudget van Binnenlandse Zaken. Als het paarse kabinet iets kan worden verweten, dan is het de mislukte poging met die verdubbelde uitgaven de hoeveelheid geweld te halveren.

Wezenlijk belangrijker dan het uitgaansgeweld is dat het Paars niet lukte de steeds banger wordende Nederlander een gevoel van geborgenheid te verschaffen. Daarentegen meldden de bewindvoerders openhartig wat juristen en bestuurskundigen allang wisten: volledige handhaving is een fictie.

In een beleidsnota uit 1997 met de titel Gedogen in Nederland schetste minister van Justitie Sorgdrager zelfs een heel landschap van gedoogcriteria en gedoogbeschikkingen, gedoogbesluiten en gedoogsituaties. De nota is een collector's item, want zelden heeft een zittende regering de grenzen van haar mogelijkheden zo ruiterlijk geschetst. Sorgdrager trok dan ook de terechte conclusie dat gedogen vaak onontkoombaar is. Anders dan vaak gedacht, is dat niet alleen in Nederland het geval.

Dezelfde beleidsnota schetst ook de Behördliche Duldung in Duitsland, de Forbearance in het Verenigd Koninkrijk en het Classement sans suite in Frankrijk. Alleen blijft het gedoogbeleid in deze landen verborgen achter een façade van politiepetten, loeiende sirenes en strenge inspecteurs.

De motivatie om meer of minder te gedogen, is overal dezelfde. Geen enkele overheid, zelfs niet de meest totalitaire, slaagt erin volledige handhaving af te dwingen. Alleen al het streven naar bijvoorbeeld zero tolerance roept meer collateral damage op dan een democratie verdragen kan. De 41 Amerikaanse politiekogels in het lichaam van de ongewapende Amadou Diallo, de rassenrellen die uitbraken na het molesteren door de politie van Rodney King, tot de overvolle gevangenissen en het immense overheidsbudget dat opgaat aan het Giuliani Cop System in New York, zijn voldoende reden om de harde antigedogers te wantrouwen. Al was het voor de paarse ministers in tactisch opzicht verstandiger geweest bij Nova vaker harde taal te spreken en met de vuisten op tafel te slaan, want gedogen giet je niet in beleidsnota's en verdedig je niet in het parlement. Gedogen dat doe je gewoon. En wel zónder erover te praten. De doorlopend verstandige argumentatie van de Justitieministers Sorgdrager en Korthals schiep ruimte voor het populistische betoog dat in deze verkiezingstijd de koele rede het vuur aan de schenen legt.

'Wij vinden dat drugs schadelijk zijn. Het onderscheid tussen soft- en harddrugs is niet meer te maken. We moeten de strijd tegen handel en gebruik van drugs voeren. Dat staat in de wet', aldus CDA-leider Balkenende onlangs in Intermediair. Dat is duidelijk en doortastend, en bovendien in lijn met een besluit op het CDA-congres dat ook het blowen in 'huiselijke situaties' verboden moet worden. Maar gaat het dan plotseling zo verkeerd dat een 'war on drugs' noodzakelijk is? Er is niets dat daarop wijst.

Volgens het jaarbericht van het Trimbosinstituut stabiliseert het gebruik van softdrugs onder jongeren, daalt het aantal coffeeshops gestaag en rolt de politie steeds meer kwekerijen op. En dat alles nog voor Balkenende in de regering zit. Het strenge Amerika daarentegen, lichtend voorbeeld voor menig ordehandhaver, telt eens zoveel softdruggebruikers per duizend inwoners als Nederland. En dat weet de CDA-leider ook wel. Gedogen is nu eenmaal de meest effectieve manier om met het onuitroeibare gebruik van softdrugs te leven.

Wat brengt Balkenende dan tot zijn ferme standpunt? Zorg om de slachtoffers van softdrugs kan het ook al niet zijn, want volgens CBS-cijfers is de afgelopen tien jaar niet een dode gevallen als gevolg van hasj en wiet. Dat ligt anders bij het gebruik van alcohol. Dat veroorzaakte de afgelopen tien jaar meer dan achtduizend slachtoffers. De grootste killerdrug is tabak, met 230 duizend slachtoffers in tien jaar. Toch is van hardhandig terugdringen van tabak en alcohol bij het CDA geen sprake.

Nee, de reden dat Balkenende pleit voor een strijd tegen softdrugs is zo voor de hand liggend dat je er bijna overheen zou kijken. Het Nederlandse coffeeshopbeleid is nog een van de weinige formele 'gedoogsituaties' die na acht jaar Paars zijn overgebleven. In 2000 maakte het kabinet met wetgeving een einde aan zowel het gedogen van prostitutie als van euthanasie. Het CDA stemde overigens tegen beide wetten. De partij van Balkenende koos daarmee, opmerkelijk genoeg, voor de voortzetting van het oude gedoogbeleid.

Het afschaffen van het softdrugsbeleid of het handhaven van veiligheid op straat zijn mineure kwesties vergeleken met de handhaving van de milieuwetgeving. Daarin wordt bijvoorbeeld de uitstoot van radioactieve stoffen, de opslag van vuurwerk of het transport van chloor en ammoniak geregeld.

'Enschede' en 'Volendam' toonden dat handhaving geen vanzelfsprekendheid is. De ruimte die bedrijven krijgen om te marchanderen met regels en vergunningen werd hun overigens al gegund toen van Paars nog lang geen sprake was. Het was VVD-minister Winsemius van VROM die in het kabinet Lubbers-I de deur opende voor zelfregulering in het bedrijfsleven. Een beleid dat zijn opvolgers Nijpels, Alders en De Boer voortzetten. De nu demissionaire PvdA-minister Pronk begon nog voor beide rampen paal en perk te stellen aan de al te soepele verhoudingen tussen overheid en bedrijfsleven.

Zijn offensief tegen het lauwe handhavingsbeleid kreeg afgelopen januari een gezicht met de presentatie van een geheel vernieuwde inspectiedienst. De zevenhonderd man sterke milieu-inspectie zal niet over zich laten lopen, beloofde de eveneens nieuw aangetreden inspecteur-generaal Gerard Wolters in het tijdschrift Binnenlands Bestuur. 'De tolerantiegrens ten aanzien van veiligheid en gezondheid was te ruim. Er moet een einde komen aan het gedogen, omdat dit de geloofwaardigheid van het overheidsoptreden aantast.'

Ook dat klinkt doortastend. Of de nieuwe inspectie echter een volgend 'Enschede' kan voorkomen, is nog maar de vraag. Ooit ontploft in het Rijnmondgebied een naftakraker of een fosforfabriek. Rond Schiphol, met jaarlijks meer dan vierhonderdduizend startende en landende vliegtuigen, is het een kwestie van afwachten tot een Boeing 747 zijn landingsbaan mist.

Sinds Enschede en Volendam weten we dat die risico's een direct gevolg zijn van onze voorkeur voor vuurwerk op oudjaar, het drinken van pilsjes in overvolle kroegen en steeds meer vliegvakanties. Dat we onze levensstijl wijzigen, is uitgesloten. Daarvoor levert zij te veel voordelen op. Daarom proberen wij onze 'roekeloosheid te organiseren', zoals de Duitse socioloog Ulrich Beck het ooit omschreef. En de verantwoordelijkheid voor deze onmogelijke organisatie geven we in handen van de overheid. Dat betekent steeds meer wet- en regelgeving, plus de onmogelijke opgave deze te handhaven door de nieuwe milieu-inspectie van Pronk.

Ook een veelvoud aan milieu-inspecteurs kan onze georganiseerde roekeloosheid niet bedwingen. Al was het maar omdat handhavers per definitie de vorige ramp bestrijden. Vandaag haalt geen inspecteur het nog in zijn hoofd gesjoemel met vuurwerk door de vingers te zien. In de afgelopen carnavalsperioden sloeg de controlerende brandweer in Brabant en Limburg geen kroeg over. Als morgen een tankwagen met lpg op de A 10 ontploft, richt het hele apparaat zich op het vloeibare gas. Tot in Rotterdam een trein met chloor van de rails schiet.

Top-down-handhaving om een 'einde te maken aan het gedogen' zoals de nieuwe milieu-inspecteur voorstelt, is een te beperkte oplossing. Het inzicht groeit dat we onze roekeloosheid alleen nog maar gezamenlijk kunnen organiseren. Onder meer door 'slimme arrangementen' tussen overheid, bedrijfsleven en burgerinitiatieven.

De 'Stichting tegen zinloos geweld' is een voorbeeld van zo'n arrangement. Vijf jaar geleden werd de stichting opgericht door Bart Wisbrun uit Noordwijk, die na de dood van Meindert Tjoelker vond dat er iets moest gebeuren. Inmiddels kent zijn stichting drie betaalde krachten en een grote groep vrijwilligers. Ze hebben hun aandacht verlegd van zinloos geweld naar alle vormen van agressie, inclusief pesten en intimidatie. Volgens Wisbrun sponsoren 'honderden bedrijven' de stichting. Bovendien werkt hij nauw samen met de politie in voorlichtingsprojecten op scholen, in buurthuizen en bij verenigingen. Ministeries steunen de campagnes van de stichting, zoals de inzamelactie 'Heb 't lef, wapens weg'.

'De overheid is niet meer in staat naar behoren te handhaven als ze niet wordt aangevuld met burgerinitiatieven', zegt Wisbrun. 'Wij proberen alleen dát te doen wat de overheid niet meer kan: het hart van mensen raken. Meer blauw op straat helpt niet als potentiële daders er innerlijk niet van overtuigd raken dat het absurd is conflicten met een mes te beslechten.'

In het handhaven van milieuwetgeving gebeurt iets vergelijkbaars. Met name grote multinationals hanteren steeds vaker het uitgangspunt 'samen regels opstellen, samen handhaven'. Een groeiend aantal bedrijven nodigt omwonenden uit om samen met hen en de gemeentelijke milieudiensten regels te formuleren. De Rabobank schreef samen met Greenpeace een gedragscode die de financiering van gentechnologie op menselijk materiaal verbiedt. De chemische industrie is koploper in het publiceren van milieujaarverslagen. In deze, door milieuaccountants goedgekeurde rapporten, valt voor iedereen te lezen welke risico's een bedrijf voor zijn omgeving oplevert, welke incidenten zich voordeden, en wat het bedrijf doet om risico's en incidenten terug te dringen.

Het opstellen van slimme arrangementen betekent overigens niet dat de overheid weer alles aan de markt overlaat of een laissez-faire-politiek bedrijft. Integendeel. Zij brengt de partijen bij elkaar, moedigt ander gedrag aan, omarmt concrete voorstellen en probeert allerlei interne gedragscodes op papier te krijgen. En wanneer het onderlinge overleg niets oplevert, of de bedrijven zich niet aan de regels houden die ze zelf hebben voorgedragen, is het haar taak weer ouderwets, top down, te handhaven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden