Handel in plaats van hulp

Tientallen jaren heeft het Westen miljarden aan ontwikkelingshulp uitgegeven, en geholpen heeft het niets. Europa en Azië moeten hun grenzen openen voor Afrika, dat zou zoden aan de dijk zetten....

DE VIJFTIGDUIZEND demonstranten die de bijeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in Seattle in de war schopten, zullen het niet graag horen. De dertigduizend die in Quebec te hoop liepen tegen de Amerikaanse vrijhandelszone zullen er ook moeite mee hebben. Maar de enige uitweg voor Afrika uit de armoede is de WTO, 's werelds meest gehate internationale organisatie.

Handel is namelijk hét alternatief voor hulp, nu steeds duidelijker wordt dat de hulp helemaal niet helpt. Vorige week bevestigde een moedige ambtenaar van het ministerie van Buitenlandse Zaken nog eens de erbarmelijke resultaten van hulp. De ambassadeur in bijzondere dienst voor Ethiopië en Eritrea, Pieter Marres, riep in de Volkskrant op tot het helemaal afschaffen van de ontwikkelingshulp. Volgens hem verliezen arme landen hun waardigheid door de afhankelijkheid van de fooien van het rijke Westen.

Ontwikkelingshulp werkt niet. Decennialang heeft het Westen miljarden aan ontwikkelingshulp in Afrika gepompt. Waarom is Zambia niet het Zwitserland van Afrika? De vraag klinkt demagogisch, maar is wel legitiem. Als alle hulp die Zambia heeft gekregen verstandig geïnvesteerd was, dan had het land volgens economische berekeningen nu een inkomen van twintigduizend dollar per hoofd moeten hebben. Helaas voor de bevolking van Zambia is het geld niet goed besteed en is het inkomen per hoofd van de bevolking sinds de jaren zestig ruwweg gelijk gebleven.

Deze week werd ook op het derde armste-landen-congres van de Verenigde Naties in Brussel de vraag beantwoord wat met dertig jaar hulp eigenlijk bereikt is. Niet veel, moet de conclusie zijn. De groep arme landen die de VN beschouwt als 'minst ontwikkeld' is in dertig jaar uitgegroeid van 25 naar 49. Vandaag de dag leeft eenvijfde van de wereldbevolking van minder dan een dollar per dag.

De grote vraag die ook ambtenaar Marres achterlaat, is: als het Westen stopt met hulp, wat kan het dan wél doen om Afrika vooruit te helpen? Want de wil om de arme landen vooruit te helpen, blijft aanwezig. Al is het alleen vanwege hetzelfde schuldgevoel dat jarenlang het belangrijkste motief was achter de ontwikkelingshulp.

Het antwoord is eigenlijk kinderlijk eenvoudig. Europa en de VS moeten de grenzen openen voor Afrika. Tegelijkertijd moet Europa stoppen met de onrechtvaardige subsidiëring van Europese producten in Afrika. Uit verschillende berekeningen weet de Wereldbank al jaren dat handel meer oplevert voor Afrika dan hulp. Het effect van het afbreken van het protectionisme in Europa en de VS op de armoede in Afrika is zelfs tweemaal zo groot als het gezamenlijke effect van alle hulp bij elkaar.

Dus neer die handelsmuren en stoppen met die subsidies waardoor Europees melkpoeder op de Afrikaanse markt zo goedkoop is.

Zo simpel is het echter niet. Het Europese landbouwsysteem is in vijftig jaar uitgegroeid tot een monster dat van belangenverstrengeling aan elkaar hangt. Het stoppen met subsidiëren van de export van melk betekent het faillissement van veel Nederlandse en Europese boeren. Het afschaffen van de subsidies op de export van vlees geeft hetzelfde resultaat bij de vleesveehouders.

Wat zelden gemeld wordt bij de recente MKZ-crisis is dat de exportbelangen van de Nederlandse varkensvleessector alleen door exportsubsidies bestaan. Aan de Europese buitengrenzen ontvangt de vleesexporteur subsidie zodat hij kan concurreren op de markten in Japan en de VS. Zonder deze subsidies kan ook het Nederlandse MKZ-vrije varkensvlees niet op tegen de goedkopere export uit andere delen van de wereld.

De MKZ-crisis bewijst hoe ver de Europese landbouw gaat met het veiligstellen van de eigen financiële belangen. Vaccineren van vee is niet toegestaan vanwege de belangrijke – kunstmatige – exportmarkten. Honderdduizenden koeien en varkens worden daarom geruimd. Als de landbouw bereid is deze prijs te betalen, zal hij nooit vrijwillig een deel van de markt opgeven in het belang n de Derde Wereld.

Het hoeft ook helemaal niet vrijwillig. Hier komt de WTO in het spel. Bij deze organisatie wordt een nieuwe, allesomvattende handelsronde voorbereid. Het moeilijke landbouwdossier ligt hierbij prominent op tafel.

In de systematiek van de WTO worden in grote, langdurige handelsrondes de belangrijkste resultaten bereikt. Het ene land geeft wat toe op het ene onderwerp, waardoor het wat wint op een ander land op een ander onderwerp. Bananen voor textiel of staal voor rijst. Op deze manier zijn sinds de Tweede Wereldoorlog veel tarieven en subsidies afgebouwd of een zachte dood gestorven. Landbouw is altijd met rust gelaten. Europa heeft het onderwerp steeds buiten de onderhandelingen weten te houden, maar dat zal nu niet meer lukken.

In november komt de WTO opnieuw bijeen, in Quatar. Als problemen als in Seattle worden voorkomen, is de gehoopte uitkomst van deze bijeenkomst de aankondiging van een nieuwe handelsronde, waar landbouw deel van uitmaakt.

Vooral voor ontwikkelingslanden staat hierbij veel op het spel. De komende ronde zou wel eens de 'ontwikkelingsronde' kunnen heten. Deze week riep Koffi Anan, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, het armste-landen-congres van de VN op tot zo'n nieuwe handelsronde. 'Meer dan welke groep landen ook hebben de minst ontwikkelde landen open markten nodig waarop hun producten kunnen concurreren met andere', sprak de VN-topman.

Voordat het zover is, moeten nog wel wat plooien worden gladgestreken. Sinds Seattle is de verhouding tussen de ontwikkelingslanden en de rijke landen flink verstoord. De rijke landen, vooral Amerika, willen een eind maken aan kinderarbeid en andere misstanden door sociale- en milieunormen in handelsverdragen op te nemen.

Handel in producten gemaakt door kinderen of dwangarbeiders moet in de optiek van de VS aan de grenzen worden tegengehouden. De ontwikkelingslanden zijn mordicus tegen dit soort maatregelen. Ze vinden – vooral Pakistan en India – dat kinderarbeid past bij hun niveau van ontwikkeling. In Europa werkten tenslotte een eeuw geleden ook nog kinderen in de mijnen. Ontwikkelingslanden zijn bovendien wantrouwend over de werkelijke motieven van de westerse wereld, want waarom is het Westen ineens zo begaan met de kinderen in ontwikkelingslanden? Is dat omdat het Westen soms de eigen markten wil afschermen voor goedkope export?

Een bekend voorbeeld van hoe het mis kan gaan, is Bangladesh, waar 36 duizend kinderen op straat stonden nadat hun werd verboden nog langer voor de export te werken. Uit de statistieken van het land blijkt dat deze kinderen niet in de schoolbanken terecht zijn gekomen. Waarschijnlijk werken ze nu elders of zijn ze in de prostitutie beland.

Zowel de ontwikkelingslanden als Europa hebben bij een handelsronde veel te winnen en te verliezen. Dit is de traditionele situatie waarin de WTO zijn nut heeft bewezen. Voor de ontwikkelingslanden lijkt het opnemen van sociale normen een kleine stap. Want westerse consumenten dwingen steeds vaker af dat spullen op een 'eerlijke manier' worden gemaakt. Concerns als Nike en Reebok, maar ook Ikea, C & A, H & M of McDonald's is er veel aan gelegen een consumentenboycot te voorkomen omdat een van hun producten niet zou deugen. De kracht van de consument lijkt zo sterk dat WTO-regels niet veel toevoegen aan de al bestaande praktijken.

Voor Europa is het grote probleem hoe de Europese boeren te compenseren voor het verlies aan marktaandeel zodra de handelsmuren neergaan. Het gebruiken van de huidige ontwikkelingshulp om daarmee voortaan de Nederlandse boeren te betalen, ligt voor de hand, maar het is niet genoeg.

Nederland voldoet als bijna het enige land in de wereld aan de internationale afspraak 0,7 procent van het Nationaal Inkomen aan ontwikkelingshulp te geven. Dat levert een bedrag van ongeveer 8 miljard gulden op, dat het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking overigens slechts met grote moeite opmaakt.

Dit bedrag van 8 miljard gulden is een druppel op een gloeiende plaat. De begroting van de Europese Unie bedraagt jaarlijks 85 miljard euro (187 miljard gulden). Meer dan 40 procent, 75 miljard gulden hiervan gaat op aan landbouw, vooral aan subsidies.

De totale ontwikkelingshulp in de wereld bedraagt ongeveer 135 miljard gulden. Dit bedrag zal nooit worden aangewend voor de Europese boeren, maar zelfs als dit wel zou gebeuren dan nog is het niet voldoende. Want de te hoge prijs van elk pak melk of elk sudderlapje dat de consument in de winkel betaalt, is in het bovenstaande sommetje nog niet meegerekend. Door het openen van de Europese grenzen dalen de prijzen van de meeste landbouwproducten in de winkel. Het hierdoor onstane verlies is voor de boeren nog veel groter dan de gemiste exportsubsidies.

Er moet echter iets gebeuren. Niet eens zozeer vanwege de Derde Wereld. Europa heeft zich met de voorgenomen uitbreiding met Oost- Europese landen problemen op de hals gehaald. Het huidige Europese systeem wordt onbetaalbaar als landen als Polen, Hongarije en Roemenië straks ook EU-lid zijn.

De EU moet hiervoor een oplossing vinden. Het vinden van een oplossing in WTO-verband ligt voor de hand. De EU kan toekomstige pijnlijke maatregelen dan intern verkopen als een van buiten opgelegd kwaad – dezelfde tactiek waarmee de lidstaten de EU gebruiken bij pijnlijke maatregelen. Tegelijkertijd kan de EU wisselgeld bedingen bij de andere WTO-lidstaten.

Natuurlijk wordt een eventuele nieuwe handelsronde van de WTO een lange zit. De vorige ronde, de Uruguay-ronde, duurde zes jaar. Het uiteindelijke verdrag telde duizenden pagina's. De toekomstige ronde zal zo mogelijk nog complexer worden en zal dus lang duren.

Ontwikkelingslanden hoeven echter niet eens zo veel te doen. Zolang ze zich maar coöperatief opstellen binnen de WTO verbeteren hun handelskansen met de dag. Ook de vele demonstranten tegen de WTO dwingen de rijke landen tot meer concessies. De ontwikkelingshulp staat onder druk, maar kan vervangen worden door nog iets veel mooiers: exportkansen in de rest van de wereld.

Marres voorspelt dat het leger van zevenduizend Nederlandse ontwikkelingswerkers in opstand zal komen tegen zijn voorstel. Daar heeft hij al gelijk in gekregen, blijkens de vele reacties. De ontwikkelingswerkers kunnen zich echter nog wel degelijk nuttig maken. `Help ons exporteren', riep de minister van Financiën van Tanzania onlangs op de halfjaarlijkse bijeenkomst van de Wereldbank in Washington.

De Tanzaniaan wil hulp bij het slechten van de handelsbarrières die Afrikaanse landen voor elkaar oprichten en hij wil ondersteuning bij de opbouw van de noodzakelijke infrastructuur en exportfinanciering in zijn land.

Het zal wel omscholen worden voor de ontwikkelingswerkers. In de afgelopen twintig jaar is in Tanzania bijna vijf miljard gulden aan ontwikkelingshulp in verbetering van de wegen gepompt. Het wegennet is echter niet verbeterd, omdat door gebrek aan onderhoud de kwaliteit van de nieuwe wegen snel achteruit liep.

Als vanwege betere exportkansen dankzij een WTO-akkoord Tanzania dit keer zelf ook het belang inziet van goed onderhoud aan de wegen is er een kansje dat het dit keer wel goed komt met het land. Wat de vele tienduizenden anti-WTO-demonstranten hiervan ook mogen vinden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden