Hancock was een ingetogen vernieuwer

IN 1961, toen hij 21 was, klonk Herbie Hancocks pianospel al volgroeid. Van meet af verbond hij een gospel-pianoklank én de kreten van straatverkopers thuis in Chicago met funky sololijnen en levenslustige akkoorden, die hij door enkele verdwaalde noten vagere contouren gaf....

In de jaren zestig zochten pianisten nieuwe oplossingen. Hun oude rol, het nauwkeurig aangeven van de akkoorden van een stuk, had zijn vanzelfsprekendheid verloren. Stukken konden nu tijdens de uitvoering van vorm veranderen. Hancock voelde die drang tot verandering; hij wilde uitdagingen scheppen én antwoorden bieden. De zes Hancock-platen die tussen 1962 en 1969 bij Blue Note verschenen, brengen zijn zoektocht in kaart.

In Watermelon Man en Succotash, uit 1962 en '63, speelt Hancock koppig herhaalde akkoorden - van hier tot Sint Juttemis. In Succotash herhaalt hij één spannend akkoord in een spannend ritme, 21 seconden lang met nauwelijks variatie: jazz, minimalisme en hypnotiserende Cubaanse montuno komen hier samen. Net als The Egg - een stuwende achtergrond-riff zonder bijbehorende melodie - wijzen deze stukken vooruit naar ontwikkelingen in het klassieke Miles Davis kwintet dat in 1964 bijeen kwam, en waarvan Hancock mede-oprichter was. Gestroomlijnde stukken met verschuivende grooves vormen een echo van de muziek die Hancock voor Davis schreef, en werden nog weer later de mallen voor de eerste platen van Wynton Marsalis.

Er zit iets gehaasts in de manier waarop Blue Note deze verzamelbox op de markt brengt, zowel in de samenstelling als in de documentatie en verpakking. Als elke trendy heruitgave kent deze box ook een onhandige design-vondst: een tekstboekje dat je haast niet uit de nauwe spleet uit de doos gepeuterd krijgt.

Bob Beldens essay reduceert Hancocks leven in de jaren zestig tot een eindeloze reeks ongelijksoortige platensessies. Het wijst er nog eens op hoe flexibel Hancock kon zijn (je hoort het ook enigszins in de magere vijf stukken die zijn overgenomen van platen die Hancock met andere leiders maakte), maar Belden vertelt meer anekdoten over zichzelf dan over zijn onderwerp.

Gezien die klaarblijkelijke haast, kun je de box beschouwen als aanvulling op de verzamelbox Miles Davis Quintet 1965-'68 (Columbia) die dit voorjaar verscheen en die overigens bovenaan ieders verlanglijstje voor Sinterklaas hoort te staan. Samen leveren ze interessant vergelijkingsmateriaal op. De ideeën lijken veel op elkaar, maar doorgaans ontbreekt bij Hancock de magische alchimie van Davis' kwintet. Hancock is een zachtere, meer schuchtere vernieuwer, zoals op zijn beroemdste Blue Note-plaat, Maiden Voyage uit 1966.

Destijds verklaarde Hancock dat de nonconformistische saxofonist Eric Dolphy hem inspireerde, maar voor zijn eigen platen deed hij geen beroep op Dolphy of Miles Davis-secondant Wayne Shorter, maar op meer straightahead tenoristen: Dexter Gordon, Hank Mobley, George Coleman, Joe Henderson. Zijn eigen pianospel bleef effectvol ingetogen. Als hij zin kreeg in bloemrijke, over de toetsen flitsende loopjes, temperde hij die weer met funky blues-figuren - funky volgens de opvatting van de hardbop-pianisten uit de jaren vijftig, zoals Bobby Timmons of Ramsey Lewis.

Hancock zou pas echt beroemd worden met zijn jaren-zeventig-funk, een stijl die zijn schaduw vooruit werpt op zijn afscheidplaat voor Blue Note, The Prisoner. Met incidenteel tumult van een zeskoppige blazersgroep was dit Hancocks meest free-jazzachtige (of Tynereske) lp. Al vloeien de blazers ook samen in dikke pastelkleuren, waarin je zijn nevelige synthesizerklanken van een paar jaar later al kunt horen.

De grote ironie: toen Hancock 'commercieel ging' (luid en funky - disco's maakten zijn sexy Chameleon in 1973 een hit), begon hij pas echt zelfverzekerd te klinken, overtuigd van wie hij wilde zijn.

In dat licht bezien is het jammer dat deze box maar één stuk bevat van een nooit uitgebrachte sessie uit 1966, met twee elektrische gitaren, basgitaar, Stanley Turrentine's potige tenorsax, Melvin Lastie's r & b-kornet, en socket-in-the-pocket-drummer Pretty Purdie. Dat ene stuk klinkt verrassend direct en oprecht, een voorafschaduwing van het popsucces dat op handen was.

Er was ruimte genoeg geweest voor nóg zo'n sessie - en voor meer van Hancocks opnamen onder andere leiders. Als je iets compleet noemt, máák het dan compleet.

Kevin Whitehead

Herbie Hancock: The Complete Blue Note Sixties Sessions. Blue Note B2BN 7243 4 95569 2 8 (zes cd's, * 179,95).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden