Hammacher droomde van een beeldentuin

MISSCHIEN bestaat er wel nergens ter wereld een plek die zich kan meten met het Rijksmuseum Kröller-Müller in Otterlo. De ligging is uniek - een uitgestrekt en vrijwel ongerept natuurgebied dat zowel een museum als een groot beeldenpark omringt, met maar liefst 125 permanent opgestelde beeldhouwwerken....

Werken van Van Gogh en van de Franse schilder Seurat vormden oorspronkelijk het hart van de collectie, maar na de oorlog is de verzameling uitgebreid met beeldhouwwerken van kunstenaars die voor hun generatie toonaangevend zijn geweest.

De geschiedenis van het Kröller-Müllermuseum is nauw verbonden met de namen van twee mensen, die elkaar nooit hebben ontmoet, maar die elkaars werk nauwlettend en kritisch volgden. Er was om te beginnen de stichter en naamgever van het museum; haar levensverhaal is nog nimmer compleet opgeschreven. Haar werk is voortgezet door A.M. (Bram) Hammacher (1897, Middelburg), directeur van het museum tussen 1947 en 1963. Aan hem is nu een biografie gewijd, waarop de kunsthistoricus Peter de Ruiter aan de VU in Amsterdam promoveerde.

Het Kröller-Müllermuseum ontstond in een tijd toen rijke individuen in staat waren hun idealen te verwezenlijken. Hélène Kröller-Müller, vrouw en dochter van Rotterdamse handelsmagnaten, had er een aanzienlijk deel van haar kapitaal voor over om een plek te stichten waar natuur, kunst en architectuur een ideale eenheid zouden vormen. Zij bestemde haar levenswerk voor de gemeenschap.

IJdelheid was daar niet vreemd aan. Hélène Kröller-Müller was niet alleen rijk, ze was ook ambitieus en beschouwde zichzelf als een expert op het gebied van de beeldende kunst. Haar belangrijkste adviseur was de criticus en kunstpedagoog H.P. Bremmer, die haar belangstelling wekte voor Van Gogh en haar aanspoorde om zijn werk te verzamelen. In 1925 verscheen haar boek over de moderne schilderkunst, dat de toen jonge criticus Hammacher flink heeft afgekraakt.

Hun visie op kunst verschilde nogal: Hammacher interesseert zich voor het creatieve proces, mevrouw Kröller-Müller zocht in kunst naar schoonheid en emotie. Een combinatie die wat haar betrof in Van Gogh haar hoogtepunt had bereikt.

Toen Hammacher eenmaal directeur was, deed hij zijn uiterste best om Van Gogh, van wie er 272 werken in de collectie aanwezig waren, minder als een geïsoleerd genie en meer als een kind van zijn tijd te tonen.

Hélène Kröller-Müller had het landgoed de Hoge Veluwe van bijna zevenduizend hectare, nu het Nationale Park de Hoge Veluwe, rond 1910 aangekocht. Opgehouden door oorlog en crisis kwam pas in de zomer van 1938 het gebouw gereed - ontworpen door de Belgische architect Henri van de Velde - waarin haar verzameling modern-klassieke kunst werd ondergebracht. Een half jaar later stierf mevrouw Kröller-Müller. Haar collectie had zij drie jaar daarvoor aan het Rijk overgedragen.

Het museum en het park met nog maar een enkele sculptuur waren een plek voor fijnproevers. De dichter Martinus Nijhoff schreef na de oorlog: 'Toen ik in 1940 als kapitein in Ede lag, ging ik er geregeld met de motor heen. Een prachtige collectie, een ideaal oord, weinig publiek - wat wil je nog meer?'

In 1947 kwam Hammacher als directeur naar Otterlo en al direct wist hij dat hij in elk geval méér wilde: hij droomde van een beeldentuin, een 'universum van licht en ruimte', waarin de sculpturen als 'symbolen van leven' stonden. Het was voor de mens, geloofde Hammacher, een 'verrijkende' ervaring om de ruimtewerking van park en beelden te ondergaan. Zijn droom werd in 1961, twee jaar voor zijn pensionering, werkelijkheid.

Hammacher is deze maand, op 11 december, 103 geworden. Nog niet te oud om te reizen en om regelmatig te publiceren. Hij geldt nog altijd internationaal als specialist op het gebied van de moderne beeldhouwkunst. Zijn boek over de Belgische schilder René Magritte en zijn studies over Van Gogh worden in vele talen telkens herdrukt. En dat zijn nog maar enkele hoogtepunten uit Hammachers oeuvre.

Voor de lezer van zijn lijvige biografie lijken toch de zestien jaren waarin hij leiding gaf aan het Kröller-Müller-museum, de opwindendste en ook de moeilijkste te zijn geweest. In de jaren daarna moet hij zich opgelucht hebben gewijd aan zijn hoogleraarschap kunstgeschiedenis aan de Technische Hogeschool in Delft, waar hij in 1952 was benoemd.

Na zijn afscheid van het museum ontstaan zijn belangrijkste werken: The Evolution of Modern Sculpture, Tradition and Innovation (1969) en zijn standaardwerk over Magritte (1973). Hij verdiept zich verder in het surrealisme en vervolgt zijn studies naar de vragen die hem al heel lang bezighielden: wat drijft de kunstenaar? Waar komt creativiteit uit voort? Wat is het aandeel van de verbeelding en dat van de rede in het scheppingsproces? In 1981 verschijnt Phantoms of the Imagination, waarin Hammacher uit zijn brede kennis van literatuur, kunst en psychologie put in een poging om het creatieve proces te verklaren.

Hoewel Hammacher de jaren na Otterlo allerminst in de afzondering van zijn studeerkamer heeft doorgebracht - hij reisde veel, gaf lezingen en richtte tentoonstellingen in - moet de tijd na Otterlo een periode van consolidatie zijn geweest. Diepgaande contacten met kunstenaars, onder wie de Engelse beeldhouwer Barbara Hepworth, die een belangrijke plaats inneemt in de collectie, ontstonden in de jaren vijftig en hebben hem belangrijke inzichten gegeven in de kunstenaarspsyche.

Zestien jaar lijkt maar een korte tijd in zo'n lang en veelbewogen leven, maar daarvoor noch daarna stond Hammacher zo volop in de schijnwerpers en werden zijn daden zo nauwkeurig gewikt en gewogen als in deze functie. Heel anders dan toen hij een veelgelezen en invloedrijke criticus was, eerst bij het Utrechts Dagblad, daarna bij de NRC, had hij als museumdirecteur te maken met een rij van persoonlijkheden en een reeks instanties die over zijn schouder meekeken.

Er was het voortdurende gesteggel om geld, de conflicten met de Haagse bureaucratie die net als nu mooie plannen had, maar de knip op de beurs hield. En dan was er nog de hinderlijke aanwezigheid van H.P. Bremmer, de geestelijke erfgenaam van mevrouw Kröller-Müller, die uiteindelijk het recht van veto had en gebruikte over de vernieuwende plannen van Hammacher. Hij stierf in 1956 en dat moet een hele opluchting zijn geweest.

Ook hing er in de jaren vijftig de schaduw van Salomon van Deventer, directeur in oorlogstijd, over het museum: zijn transacties met de bezetter zijn nooit opgehelderd.

En het moet niet eenvoudig zijn geweest om met een persoonlijkheid als 'de ingenieur' om te gaan, de neef van Van Gogh die maar niet kon besluiten aan wie hij de familiecollectie zou nalaten. Dat deze ten slotte niet aan zijn museum toeviel, moet voor Hammacher een nederlaag zijn geweest.

Voor een biograaf met inlevingsvermogen zouden alleen al Hammachers jaren in Otterlo een schitterend verhaal vol dramatiek hebben opgeleverd. Misschien wilde Hammacher zelf niet meewerken aan een biografie die zijn persoonlijkheid zou onthullen, zijn emoties zou blootgeven. De Ruiter heeft zich daaraan braaf gehouden en heeft zijn onderwerp bedolven onder een overdaad aan feiten, namen en jaartallen. Aan een kritische beschouwing is hij al evenmin toegekomen. Erger is dat niet één citaat uit de mond van Hammacher uit dit boek van meer dan zeshonderd bladzijden bijblijft. Het beste wat ervan gezegd kan worden is dat het onderzoek een monnikenwerk moet zijn geweest. Prachtig onderwerp, saaie biografie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden