Half Breitner, half nieuw

Hij vereeuwigde zowel de pittoreske grachtjes van zijn geliefde Amsterdam als de moderne tijd, waar hij veel minder mee had: Bernard Eilers stond in spagaat tussen de negentiende en twintigste eeuw....

Door Bob Witman

Pas lang nadat de schilder George Hendrik Breitner was overleden, bleek dat er ook een fotograaf Breitner heeft bestaan. Breitner hield bij leven zorgvuldig geheim dat hij zijn impressionistische schilderijen, bevolkt door volkse joffers in mistige straten met zwoegende apenkoetsiers, maakte met hulp van foto's. Die schilderijen oogstten grote bewondering bij iemand die dezelfde taferelen fotografeerde zonder ze na te schilderen. Maar Bernard F. Eilers (1878-1951) heeft nooit geweten dat hij en Breitner in feite vakbroeders waren.

Er zijn wel meer overeenkomsten. Voor Breitner en Eilers was de stad Amsterdam het uitgangspunt van hun werk, zowel in de straatscs als in de portretten van zijn bewoners. En ze hadden beiden moeite met de twintigste eeuw, die bij de twintig jaar jongere Eilers nog virulenter aanwezig was dan bij Breitner. De schilder kon de elektrische trams ('die leelijke zielloze dozen') domweg weglaten. De fotograaf kon slechts proberen om ze te vermijden, en, als de tramleidingen hem te gortig werden, ze hooguit wegretoucheren.

Een man die zich bedient van een voor zijn tijd zeer moderne techniek, wat fotografie toen was, maar weigert zijn eigen tijd te fotograferen: die moet wel een onverbeterlijke romanticus zijn. Dat laatste klopt, een romanticus was Eilers zeker, maar onverbeterlijk niet helemaal. In zijn vrije werk meed Bernard Eilers lange tijd die 'bewust leelijke dingen' van de nieuwe tijd, maar in zijn opdrachtwerk zie je de twintigste eeuw toch gestalte krijgen.

De landelijke boerentaferelen aan de rand van Amsterdam worden vervangen door moderne uitbreidingswijken van de Amsterdamse School. En bij Philips fotografeert hij op extreem moderne manier de wonderen van Nederlandse vooruitgangsdrift: radiolamp, kathodes en gloeilamp.

En uiteindelijk manifesteert zich daarmee een echt verschil tussen de schilder en de fotograaf. Breitner (1857-1927) was helemaal negentiende eeuw, Eilers niet. Dat blijkt ook duidelijk uit het overzicht dat het Amsterdamse Gemeentearchief heeft samengesteld en uit de monografie die over Eilers is verschenen. Eilers is een man uit twee tijden, de natijd van de negentiende eeuw, en het begin van het moderne Nederland. Hij fotografeerde beide. Zowel besneeuwde grachtjes in Amsterdam, met paard en wagen. Als, in opdracht van de spoorwegen, op indrukwekkende wijze, de ontwikkeling van het Nederlandse treinennet, spooremplacementen en wisselkamers.

Eilers was, zoals alle fotografen van zijn tijd, een self-made ambachtsman. Hij was in armoe opgegroeid, maar omdat hij goed kon tekenen, kreeg hij de kans zich te ontwikkelen en kwam hij in aanraking met het kunstenaarsmilieu. Hij leerde de schilder Sjoerd de Roos kennen en met vrienden trokken ze erop uit, als Nescio's Titaantjes, constateert Anneke van Veen in de monografie Bernard F. Eilers.

Ze schilderden en fotografeerden het land, en elkaar. 'Waren wij wel echte jongens, of veel te ernstige oude mannetjes?', vroeg Eilers zich later af. Al snel maakte hij op een van die tripjes zijn eerste foto, met een geroviseerde camera, 'tesaam gekit met wat glycerine en wat lensjes'. Zoals alle fotografen van zijn tijd leerde Eilers zichzelf de techniek. Hij was lithograaf en had grote kennis van de ontwikkelprocessen.

Eilers heeft lang gewerkt vanuit een eigen studio in Amsterdam, waar hij veel portretten maakte. In die portretten schuilt een grotere ambitie dan het registreren van bruiloften en andere hoogtijdagen. Hij was een kunstenaar die het karakter van de mens wilde treffen. 'De aard van mijn werk eischt persoonlijke bewerking, zoodat voor portret-opnamen bericht van Uw bezoek gewenscht is', schreef hij in zijn brochure. Recensies uit die tijd over zijn werk spreken van mooie, sobere portretten, doodsober zelfs, op het niveau van 'den grooten Holbein'.

De portretten zijn mooi, de grachtjes vertederend, maar de echte verrassing van Eilers' oeuvre zit in zijn opdrachtfotografie voor het bedrijfsleven en architecten. Die geeft een scherp beeld van hoe Nederland in de jaren twintig en dertig de moderne tijd binnentreedt. Dat zit zowel in de foto's die hij voor Philips maakte als in zijn registratie van de Amsterdamse School. Eilers zat midden in een interessante architectengroep met Michiel de Klerk, H.Th. Wijdeveld en J.F. Staal. Ze vroegen hem hun werk te fotograferen, en vooral dat van de geniale, vroeggestorven De Klerk grift zich in al zijn maagdelijkheid in het netvlies.

Er is een voor Eilers' doen koele foto van de nieuwbouw van De Klerk in de Spaarndammerbuurt. Het beeld is geheel en al gevuld door een gevel, de gevel die zo pront versierd is in vergelijking met de sobere modernisten die kort na de Amsterdamse School zouden volgen en met wie Eilers niks op had. Er zijn slechts twee materialen gebruikt, hout voor de deur en baksteen. Maar dat steen: dat welft, dat golft en bulkt. Een heel klassiek voorbeeld van de Amsterdamse school, die met kale materialen veel vorm kon scheppen.

Voor Wijdevelds beroemde tijdschrift Wendingen heeft Eilers een serie historisch geworden bijdragen gefotografeerd. Met als beroemdste voorbeeld het schelpennummer, dat complimenten opleverde tot in Frankrijk, van de grote Le Corbusier: 'Un magnifique album de Wendingen consacrux coquillages', schreef hij collega Wijdeveld die hem een exemplaar had toegezonden.

Eilers' foto's voor Philips werden gemaakt eind jaren twintig, nog vtypograaf Piet Zwart de norm op dit terrein neerzette. Eilers was een Zwart avant la lettre, en rangschikte zorgvuldig de gloeilampen, kogellagers en radiobuizen. Als soldaatjes zette hij de kathodes in het gelid. Het is een sterk beeld, waarvan de moderniteit ook driekwart eeuw later nog schrikbarend is.

Zijn hele leven lang is Eilers steeds teruggekeerd naar de straten van de stad die hem zo fascineerde. Toen hij ouder werd, ging hij op tournee met de toverlantaarn, Amsterdamse straattaferelen en een tekst onder de titel 40 jaar Amsterdam - de ziel der stad. Dat woord ziel verraadde dat hij, net als in zijn portretfotografie, geen genoegen nam met oppervlakkige straatkiekjes. 'U zult bemerken dat deze foto's niet allereerst gemaakt zijn om het stadsgezicht of straattafereel als document, doch veeleer ook, als ik het zag zeggen ''om wat daarachter zit''.'

De tekst van de lezing is op band bewaard gebleven, en is te horen op de tentoonstelling. Je hoort een galmende breedsprakige fotograaf, die zijn liefde belijdt voor een stad, zijn Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden