Half beest half god

Terwijl Japanners hun belangstelling voor het traditionele sumo-worstelen lijken te verliezen, raakt deze met mysteries omgeven sport in het buitenland steeds populairder....

TOKIO is nog nauwelijks ontwaakt wanneer de deur van de school opengaat. Een dikke jongen sloft, met de slaap in zijn ogen, naar buiten en zet een paar vuilniszakken vol etensresten op de stoep. Het loopt tegen zes uur in de ochtend, de lucht is grijs en de buurt nog stil. In de verte snort een vroege auto voorbij. De jongen gaat terug de school in, pakt een bezem en begint sloom de rode kleigrond aan te vegen. Langzaam komt het gebouw tot leven. Grote, vlezige lijven stommelen een trap af op weg naar het sportzaaltje op de begane grond. Er wordt weinig gesproken, en veel gezucht. Alle geluiden en bewegingen zijn zwaar en traag, alsof we zijn beland in een onbekend universum waar andere zwaartekrachtwetten gelden.

De jonge reuzen zijn overweldigend in hun lichamelijkheid. Menselijke mastodonten die geheel lijken te bestaan uit vlees, vet en spieren. Vleesballonnen, zonder nek, maar met bolle wangen, dikke borsten, uitpuilende buiken en enorme dijen. Weinig geest, veel lichaam. Zweet glanst op het bijna naakte lijf wanneer een worstelaar gehurkt in de rondte loopt om de bovenbenen te stalen. Een ander laat het achterwerk zo ver mogelijk doorzakken om vervolgens eerst het rechterbeen omhoog te tillen en dan het linker, het liefst zo'n vijfhonderd keer op een dag. Het oogt log, maar dat is gezichtsbedrog. Een van de worstelaars gaat met de benen gespreid op grond zitten en raakt met het hoofd de vloer aan, dertig tellen lang. Vervolgens drukt hij zich op zijn knuisten weer omhoog. Zo log en toch zo lenig, als een balletdanser - wie het niet ziet, gelooft het niet.

De jachtige buitenwereld bestaat niet in de sumo-school van Azuma Zeki. De traagheid van alle handelingen is van een aangename soort. Er wordt niet veel gepraat, wel veel gehijgd. Af en toe stoten de worstelaars kreten uit. In het gesluierde licht van het stoffige, duistere zaaltje waant men zich in een mythische wereld, bevolkt door reuzen en cyclopen, half mens, half beest, half god.

Sumo zou al 1500 jaar oud zijn. In oude verhalen wordt beschreven hoe de goden tegen elkaar in het strijdperk traden om het land te verdelen of hoe de krachten van goed en kwaad met elkaar streden om de macht. Tot op de dag van vandaag tracht de sumo-bond die mystiek te handhaven. Niet alleen blijft het leven van de worstelaar (riki shi) zoveel mogelijk een mysterie, maar ook wordt strikt vastgehouden aan de traditionele kledij en de oude rituelen en spelregels. Voor het kapsel zijn er speciale kappers die een opleiding krijgen van zeven jaar voor zij geacht worden zelfstandig het beroemde gepommadeerde knotje te kunnen maken. De grootste kampioenen, de yokozuna's, zijn al bij hun leven legenden. Deze rang, vergelijkbaar met een premier in de politiek, is voor weinigen weggelegd. Op dit moment zijn er drie yokozuna's, twee Hawaiianen en slechts een Japanner.

Een van de Hawaiianen, Akebono, waggelt rond acht uur de school van Azuma Zeki binnen. Wie hem van dichtbij ziet, kan zich alleen maar verbazen. Iedereen heeft weleens iemand gezien van 2.03 meter lang. En ook is (op televisie) weleens iemand te zien die 230 kilo weegt. Maar hoe vaak kom je iemand tegen die én 2.03 meter lang is én 230 kilo weegt? Akebono is de vleesgeworden reus uit de kinderboeken. Zijn aanblik roept ook een kinderlijk soort verwondering op, brengt je van je stuk, imponeert je in de meest zuivere zin van het woord. Want zijn hele verschijning vloekt met de menselijke maat waaraan je normaal je omgeving afmeet.

En het is niet alleen de grootte, maar ook de vorm. Akebono's gestalte is volstrekt asymmetrisch, zijn hoofd is klein, hij heeft geen nek en zijn benen zijn betrekkelijk dun. Maar tussen dat hoofdje en die beentjes zit een gigantisch lijf dat is opgebouwd uit een paar vetplooien die gewillig meetrillen op elke beweging die hij maakt. Als een zwemband van vlees wulpt de buik over het onderlijf. Zijn middel heeft een omvang van 150 cm. Maar ondanks al die massa gaat ook deze kolos als een danser met gespreide benen op de grond zitten. Zuchtend en steunend; alle lucht die in het lijf zit, komt er bij de totstandkoming van dit mini-wonder uit. De geluiden lijken soms op die van een varken.

De gangbare schoonheidsnormen zijn niet van toepassing op Akebono. Toch is hij in Japan een sekssymbool. Ook de jongere worstelaars-in-opleiding zijn populair bij de vrouwen. In de avonduren kan men ze rond het Tokiose metrostation Ryogoku, in de buurt van het Kokugikan stadion, zien rondrijden op fietsen die ineens heel erg klein lijken. Gekleed in hun dunne katoenen kimono's flirten zij met de meisjes. Tijdens een van de zes toernooien die jaarlijks worden gehouden, kan men deze aandoenlijke kindreuzen, moeizaam lopend op sandalen met houten blokjes eronder, ook overdag tegenkomen in de straten rond het sumo-stadion. Het is op zulke momenten dat de wereld van de rikishi en die van de gewone stervelingen zich vermengen.

Als het waar is, zoals iemand ooit schreef, dat de aantrekkingskracht van sport gelegen is in het feit dat zij een fantasiewereld biedt met eigen wetten en spelregels waar de liefhebber helemaal in kan opgaan, dan geldt dat zeker voor sumo. Hoewel de belangstelling in Japan wat terugloopt, trekt de sport internationaal meer aandacht, onder meer door de samenvattingen van satellietzenders. De fascinatie heeft mede te maken met de rituelen, die deels door de shinto-religie worden bepaald. De ring met de klei, de dohyo, is heilige grond. Voordat een worstelaar tegen een ander het gevecht aangaat, strooit hij een handvol zout in de ring. Dit shinto-ritueel is bedoeld om de grond te zuiveren en de boze geesten te verdrijven. Toch zijn de rituelen er vooral om de traditie te koesteren, sumo is meer sport dan religie.

DE ESTHETIEK van sumo is gelegen in de manifestatie van pure kracht. In de oer-botsing tussen twee reuzen die elkaar buiten de ring proberen te werken of op de grond te drukken. Dan gaat het erom hoe die kracht wordt gebruikt, in de juiste combinatie van gewicht, snelheid en geduld. Het komt vaak aan op de eerste klap. Wanneer die komt, weet niemand. Als de worstelaars na de inleidende rituelen gehurkt tegenover elkaar gaan zitten, kijken ze elkaar in de ogen, horen ze elkaars ademhaling, ruiken ze elkaars lichaamsgeur. Een soort sur place, zoals van sprinters bij het wielrennen. Die gedwongen intimiteit vereist een ijzeren beheersing van de zenuwen; de instinctieve menselijke neiging om in dreigende situaties snel of in paniek te handelen, moet worden onderdrukt.

Het draait dus niet alleen om het lichaam, maar ook om de geest. Je moet durven wachten op het voor jou beste moment van de aanval. Het moeilijkste onderdeel van welke sport dan ook (Jan Raas kon het: tijdens een WK-wielrennen in Limburg was hij de favoriet, vlak voor de finish sprong een Fransman weg, zijn titel was in acuut gevaar, een seizoen dreigde te mislukken, maar Raas bleef zitten, hij verroerde zich niet, koelbloedig wachtend tot de Duitser Thurau uiteindelijk ging en de vluchter terughaalde, waarna Raas op de streep over hem heen denderde).

Niet iedereen (niet in de sport, niet in het echte leven) heeft echter de koelbloedigheid die nodig is om te kunnen afwachten. Sommige worstelaars zijn als een te strak gespannen boog - in hun gretigheid of angst storten zij zich op hun tegenstander, die maar een stap opzij hoeft te doen en ze tuimelen onder hoongelach het publiek in. Meestal echter botsen de lijven tegen elkaar, het hoogtepunt van veel wedstrijden. Er is gemeten dat een worstelaar door de combinatie van gewicht en snelheid met een kracht van 800 kilo tegen zijn tegenstander kan aanknallen. De worstelaars zijn er niet alleen op getraind die klap uit te delen maar ook op te vangen.

Tijdens een test in Amerika bleek dat professionele Amerikaanse football-spelers er niet in slaagden een sumo-worstelaar een centimeter van zijn plek te krijgen. Daarom is de klap waarmee twee sumo-worstelaars tegen elkaar aan kletsen, het moment van de waarheid. Wie drukt er door, wie bezwijkt er? Vaak is het snel gebeurd, binnen een paar seconden, en was het voorspel beduidend langer dan het spel zelf. Maar als de tegenstander erin slaagt de klap te absorberen, komt het meestal aan op de grip van de handen waarmee ze pogen de mawashi, de band die om hun middel en tussen hun billen is gebonden, te pakken om zo de ander buiten de ring of op de grond te drukken.

Er zijn worstelaars die duwen en zij die de tegenstander bij de band pakken en proberen om te gooien. Het vereist kracht (gemeten is dat Akebono met zijn rechterhand 90 kilo kan optillen, een normale volwassene 40 kilo) maar ook meer techniek.

Akebono en de andere Hawaiiaanse yokozuna, Musashimaru, zijn duwers. Hoewel Akebono zeer geliefd is, wordt de dalende populariteit van sumo in Japan wel toegeschreven aan het feit dat de twee Hawaiianen te groot, te zwaar en te sterk zijn voor hun Japanse tegenstanders. Daardoor zou sumo te saai zijn geworden. Er kwam zelfs een discussie op gang of de toelating van buitenlanders niet moest worden gestaakt, maar dat werd uiteindelijk afgewezen. Er is juist gekozen voor internationalisering van sumo. Akebono werd in 1993 de eerste niet-Japanner die yokozuna werd.

OM OOK zover te komen, moet de jonge sumo-worstelaar elke ochtend om vijf uur zijn bed uit om zich de rest van de dag te wijden aan trainen, eten en slapen. In de school van Azuma Zeki komen 's ochtends om acht uur al de eerste etensgeuren de sportzaal in drijven. In de keuken wordt hard gewerkt aan de chanko-nabe, de bouillon die de worstelaars straks te eten krijgen. Er gaan ingewanden, rauwe inktvis, sardientjes, vlees, groenten en grote hoeveelheden suiker in. De sumo-worstelaars nuttigen deze bouillon op een nuchtere maag na de training. Daarnaast drinken ze grote hoeveelheden bier en sake en brengen ze de hele middag slapend door. De beste garantie om aan gewicht te winnen.

's Avonds zitten we met drie man in een chanko-restaurant van een voormalig worstelaar. We krijgen de schaal eten niet op, en worden onpasselijk bij de gedachte dat een sumo-worstelaar in zijn eentje vier schalen voor zijn rekening neemt. Jongere worstelaars zelfs tweemaal vier, want voor hen staat ook 's avonds chanko op het menu. Ze moeten kunnen drinken als een walvis en kunnen eten als een paard. Alleen zo worden reuzen gekweekt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden