Opinie

'Halabja is het symbool van onze nalatigheid'

Vandaag is het op de dag af 24 jaar geleden dat het Koerdisch-Iraakse dorpje Halabja, vlak bij de grens met Iran, door Saddam Hoessein werd gebombardeerd met gifgas. Ferdows Kazemi woonde toen in Iran. Als het aan haar ligt, wordt Halabja hhet symbool van onze nalatigheid als gemeenschap.

Maart 1988, Halabja. Westerse persfotografen bij een omgekomen Koerd met kind.Beeld AFP

Het was eind zeventiger jaren. De jonge, islamitische Iraanse republiek daagde de VS uit. Ayatollah Khomeini noemde Amerika de grote Satan en hij waarschuwde de moslimlanden voor zijn misleidende rol in de wereld. De Verenigde Staten werden zenuwachtig.

In diezelfde tijd koesterde buurman Saddam Hoessein zijn jongensdromen. Hij wilde van het Midden-Oosten één Arabische Unie maken. Maar hij wist dat hij dat niet zonder slag of stoot zou kunnen realiseren. Het vereiste een religieuze en etnische zuivering, zowel binnen als buiten zijn landsgrenzen. Het buurland Iran was altijd al een serieuze bedreiging geweest voor zijn macht. Voor de revolutie genoot Iran de steun van het westen. Toen waagde Saddam het niet om dat land de oorlog te verklaren.

Maar toen hij in 1980 zeker wist dat de VS niet direct zouden ingrijpen, zag hij zijn kans schoon en viel hij Iran binnen. Het was 1980. Tegelijkertijd begon hij een binnenlands offensief tegen etnische minderheden. De Koerden waren zijn voornaamste doelwit.

Saddam als pion van de VS
Voor de VS was het islamitische Iran het grootste gevaar voor de macht in de regio. En Saddam Hoessein fungeerde als pion van de VS bij het uitschakelen van dat land. Zodoende kon hij, als een van de meest bloeddorstige figuren uit de hedendaagse geschiedenis, ongestoord een veldtocht tegen de menselijkheid ondernemen. Hij schroomde niet om ongeoorloofde oorlogsmiddelen, ingevoerd uit het westen, in te zetten om zijn doel te bereiken. (Hoe ironisch, alsof we ook geoorloofde middelen tegen de menselijkheid hebben).


Tijdens een oorlog mogen er geen chemische wapens ingezet worden. Dat is een internationaal erkende regel. De Iraakse luchtmacht viel op 28 juni 1987 het Koerdische dorp Sardasht in Iran met gifgas aan, waarbij velen direct of jaren daarna om kwamen. Hij overtrad daarmee duidelijk de internationale verdragen. Maar de internationale gemeenschap stond erbij en keek ernaar! Iran was namelijk het doelwit van het westen en niet Irak.

Landgenoten
Menig westerse burger dacht: 'Irak of Iran, goed of fout? Geen idee; laat ze elkaar maar uitmoorden. Dan hebben we er geen last meer van'. Want zeg nou zelf, wie in het westen had enig idee van wat zich in de beide landen afspeelde, wie de mensen waren die daar woonden en wat hen bezielde? Droegen ze niet allemaal een hoofddoek en lange, zwarte gewaden? En lieten ze zich niet allemaal door de Islam overheersen? Waren ze eigenlijk niet allemaal slecht?
En zo kon Saddam zijn gang gaan en doorgaan met het uitmoorden van onschuldige burgers waaronder zijn eigen Koerdische landgenoten.

Het zijn beelden, beelden en nog eens beelden. Gegraveerd in het geheugen van veel Koerden en ook niet-Koerden. Allen getroffen door de misdaden van Saddam Hoessein. De acht jarige Irak-Iran- oorlog legde uiteindelijk het laatste, zware loodje. De Amerikaanse en Russische wapenindustrieën waren inmiddels heel wat wapens armer en Iran en Irak heel wat ellende rijker. De oppermachten zorgen nooit voor andermans armoede; rijkdom voor allen is hun streven. Frans van Anraat had veel succes bereikt in Sardasht. Sardasht was doodgezwegen, en Saddam had nog voldoende mosterdgas over. Het was 16 maart 1988, en deze keer was Halabja aan de beurt.

Over Halabja is veel geschreven en gezegd, maar pas nadat de VS Irak binnenvielen. Mosterd na de maaltijd. Hoe ironisch! De beelden van de misdaden van Saddam Hoessein in Halabja bereikten de internationale gemeenschap. Maar de wereld stond erbij en keek ernaar. Het is triest als de doden doodgezwegen worden.

Twee jonge kinderen
Het was 1990, ruim drie jaar na Sardasht en twee jaar na Halabja. Ik huurde een kamer in Shiraz bij een gezin met twee jonge kinderen, beide geadopteerde jongens. De jongste was pas een jaar of drie oud. Op een dag vertelde de moeder in bedekte termijn de geschiedenis van het jongste jongetje aan mij. Hij was op zijn kamer aan het spelen, en ik dacht dat hij ons niet hoorde. Toen de moeder het over de chemische bombardementen en Koerdestan had, rende het jongetje echter uit zijn kamer naar me toe en trok zijn shirt omhoog. Het waren littekens van diepe wonden. In tranen nam ik hem in mijn arm en kuste hem. Hij keek me verbaasd aan en begreep niet waarom ik huilde.

Voor hem was het niets bijzonders, alleen wat littekens. Hij had geen herinneringen aan de oorzaak ervan. Hij wist niet eens dat hij waarschijnlijk de enige overlevende was van een heel gezin. Niemand wist iets over hem, zelfs niet hoe oud hij precies was. Hij was, na de chemische bombardementen, samen met tientallen anderen naar het ziekenhuis gebracht en elke zoektocht naar een familielid van hem was zonder resultaat gebleven. Vervolgens was hij naar een ziekenhuis in Shiraz gebracht en daar geadopteerd. Hij was toen, zo schatten de artsen, ongeveer 6 maanden oud.

Tussen Hoessein en Iraanse regime
De littekens van dat kleine, vrolijke jongetje lieten diepe wonden bij mij achter. Ik was toen en ben nog steeds een fel tegenstander van het Iraanse regime. En ik worstelde met een enorm dilemma. Een worsteling die nooit opgehouden heeft. Aan de ene kant stonden de Iraanse autoriteiten met hun misdaden tegen hun eigen volk. En aan de andere kant stond Saddam Hoessein die zowel het Iraanse volk als zijn eigen volk belaagde. De internationale gemeenschap zweeg over de misdaden van Saddam Hoessein en vergrootte die van Iraanse ayatollahs.

Niemand in het westen wilde Iran geloven in de bewering dat Saddam in het bezit was van chemische wapens. Ik bleef worstelen met dat dilemma. En nog duizenden anderen. Hoe kan de stem van de Koerdische en Iraanse volkeren gehoord en geloofd worden door de internationale gemeenschap, als het dictatoriale systeem van de ayatollahs de vertolker is van die stem?

Dat was het dilemma en dat is het dilemma. De Koerdische en niet Koerdische vrijheidsstrijders worden in Iran de mond gesnoerd, omdat ze geen massale steun krijgen van de oorlogsgeneratie, die door de internationale gemeenschap in de steek gelaten werd. Dezelfde gemeenschap die niet wilde ingrijpen toen Saddam Hoessein veel Iraakse en Iraanse Koerden uitmoordde. Uitmoordde, met het mosterdgas dat Bush later, tevergeefs zocht. Die schijnheilige zoektocht - als excuus om Irak binnen te vallen - vergrote het wantrouwen jegens de organisaties, die de bewakers van vrede en rechtvaardigheid zouden zijn.

Tegelijkertijd, hoe sterk ik ook het Bush-regime veroordeel, het stopte wel de genocide onder de Koerdische volkeren.

Gemeenschap
Mijn oordeel over de internationale gemeenschap in het verleden is hard. Tegelijkertijd ben ik er van overtuigd dat we het niet op moeten geven. Alleen die internationale gemeenschap kan hoop bieden. Zij heeft de taak om volkeren te beschermen tegen de misdaden van personen of ideologieën. En elk individu binnen die gemeenschap heeft de taak om erop toe te zien dat de gemeenschap haar taak niet verwaarloost, ten gunste van andere belangen.

De beelden van Halabja - hoe afschuwwekkend ook - moeten ingeprent worden in het geheugen van elk individu en in het collectieve geheugen van de internationale gemeenschap. De kinderen, moeders, vaders, opa's en oma's, ja van een ieder die door het gifgas van Saddam Hoessein en van het westen vermoord is, moet een gezicht komen. Een tweede Halabja- of Sardasht-drama mag nooit meer plaatsvinden en daar moeten wij, individuen voor zorgen. Een gemeenschap ontleent haar macht aan individuen die haar vormen.

Het wordt tijd dat wij bewust omgaan met onze kracht als individu waardoor we de gemeenschap kunnen aanspreken op haar tekortkoming. Halabja moet het symbool worden van onze nalatigheid. Een gedenkteken in de stad waar misdadigers tegen de mensheid terecht kunnen staan. Een gedenkteken dat ons en onze nakomelingen zal blijven herinneren aan een afschuwelijke gebeurtenis die voorkomen had kunnen worden.

Voorkomen had kunnen worden als wij verantwoordelijker omgegaan waren met onze macht. Een gedenkteken dat deze slachtoffers een gezicht geeft. En een gedenkteken dat hun dood iets minder zinloos maakt. Een gedenkteken dat meehelpt een tweede Halabja te voorkomen. En dat is het minste wat we voor de nabestaanden van die tragedie kunnen doen.

Ferdows Kazemi is publicist en columnist voor vk.n.l
Volg haar op twitter: @FerdowsKazemi

 
Want zeg nou zelf, wie in het westen had enig idee van wat zich in de beide landen afspeelde, wie de mensen waren die daar woonden en wat hen bezielde?
 
Hoe sterk ik ook het Bush-regime veroordeel, het stopte wel de genocide onder de Koerdische volkeren.
Foto uit maart 1988 uit Halabja.Beeld AFP
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden