Hadden we iets kunnen doen om Marije te helpen?

Een jaar na de zelfmoord van Marije (16) vraagt magazineredacteur Evelien van Veen, wier zoon bij Marije in de klas zat, zich af: hadden we iets kunnen doen om haar dood te voorkomen?

Beeld Privé-archief

Vandaag een jaar geleden, op 13 mei 2016, worden op een gymnasium in Utrecht om half twee 's middags de lessen stilgelegd. Alle docenten vertellen tegelijkertijd het verschrikkelijke nieuws. Marije heeft zelfmoord gepleegd. Het is een week na de meivakantie, waarvan ze niet is teruggekeerd. Ziek, veronderstelt de klas. Opgenomen blijkt nu, in een kliniek, voor haar eigen veiligheid. Daar, godverdomme, heeft ze de kans gekregen een einde aan haar leven te maken. Een mooi, sprankelend, slim en met het leven worstelend meisje dat een paar weken eerder 16 was geworden.

Ik heb Marije nooit ontmoet. Ik kende haar alleen uit de verhalen van mijn zoon, een klasgenoot van haar. Of verhalen - pubers zijn niet zo mededeelzaam, maar af en toe kreeg ik iets te horen. Over een meisje, destijds in de tweede, dat hij aardig vond. En zij hem kennelijk, aardig genoeg om hem in vertrouwen te nemen toen hij naar de krasjes op haar armen vroeg. Nee, die waren niet van de kat. Ze was gepest op de basisschool en nu liep ze bij een psycholoog, dat wist hij ook nog te vertellen tussen huiswerk en Minecraft door. Hij was er zichtbaar van onder de indruk en ik herinner me dat ik er toen op aandrong een mentor in te lichten, althans, dat Marije dat zelf moest doen. Dat was al gebeurd, vertelde hij een paar dagen later. En ik was gerustgesteld.

Gerustgesteld - wat een bizar begrip is dat nu, na wat er is gebeurd. Waarom heb ik destijds niet gezegd: wie is dat meisje, neem haar eens mee naar huis? Waarom heb ik de school of haar ouders niet gebeld, gewoon, omdat we elkaar, en zeker pubers, een beetje in de gaten moeten houden? Waarom heb ik niks méér gedaan dan mijn zoon welterusten wensen en overgaan tot de orde van de dag?

Discussiëren als de beste

Thuis vertelt mijn zoon hoe in alle klassen die middag om stilte is gevraagd. Dat sommige kinderen moesten huilen, een leraar ook. Nee, hij weet niet wat er precies met Marije aan de hand was en waarom ze was opgenomen. Hij dacht eigenlijk dat het wel goed met haar ging. Ze zat, net als hij, bij de debatclub - ze kon discussiëren als de beste, ze moest de volgende voorzitter worden, vond de rest. Ze zat bij de schoolkrant, ze fotografeerde. Ze zou meegaan met het filmkamp over twee weken, ze had nota bene zelf een groepje vierdeklassers enthousiast gemaakt om zich daarvoor in te schrijven in plaats van voor een gewone werkweek naar Parijs of Berlijn.

Ja, achteraf beseft hij dat ze misschien niet bij het populairste meidengroepje hoorde, dat ze weleens somber was. Dat ze op kamp vorig jaar in de tent lag te lezen terwijl de disco in volle gang was. Maar ze was geliefd om haar droge humor en ze had wel vriendinnen: meisjes die ook negens voor wiskunde haalden, die ook op de disco-avond lagen te lezen in de tent. De kwetsbaarste meiden, concludeer ik in gedachten - niet de populaire hockeymeisjes die een stroom kijk-eens-hoe-leuk-we-het-hebbenselfies op Snapchat zetten, maar de meiden die daar thuis, op hun kamer naar kijken en denken: daar hoor ik niet bij.

Mijn zoon gaat naar de uitvaart met een stroom schoolgenoten, allen met een witte roos in de hand. 's Avonds eten we pizza met hem en zijn vrienden. Ze vertellen over de rieten mand waarin Marije lag, haar ouders die iedereen begroetten, de toespraken, waarin meer dan eens verteld werd hoe Marije na de basisschool een nieuwe start had zullen maken. Ik schenk cola en snijd pizza, maar 's nachts grijpt de paniek me naar de strot als ik denk aan dat mooie, gave kind in die mand dat op haar 12de al een 'nieuwe start' moest maken - in wat voor kutwereld leven we?

Beeld Privé-archief

Er werden zo veel mooie dingen over Marije gezegd bij haar afscheid, als ze dat allemaal gehoord had..., zeggen haar ouders die ik samen met mijn zoon op een zomeravond opzoek. Ze maken hun zin niet af, maar wij weten wat ze bedoelen: dan was ze vast minder onzeker geweest. Misschien bedoelen ze ook wel: had ze dan nog geleefd?

Marije was niet manisch-depressief, vertellen ze. Ze was niet schizofreen, ze had geen borderline, al was dat wel eens geopperd, en ze was ook niet anderszins gediagnosticeerd met een psychische stoornis. Ze was intelligent, gevoelig, en ze had toekomstplannen: ze wilde later arts worden. Ze legde de lat hoog, voor anderen en voor zichzelf. Ze was ook angstig en bovenal ongelukkig. Ze liet het aan bijna niemand merken, maar haar ouders wisten hoe laag haar zelfbeeld was, hoe buitengesloten ze zich vaak voelde, sinds het pesten was begonnen op de basisschool.

We zitten in de tuin, waar het langzaam donker wordt, en Marijes ouders vragen mijn zoon naar herinneringen aan haar, verhalen die ze niet kennen. Hij vertelt hoe ze eens zo de slappe lach had dat ze de klas uit moest om tot bedaren te komen - iets fijns om aan terug te denken, Marijes ouders zien het ook zo, en ik, ernaast, vind mijn zoon dapper en Marijes ouders bovenmenselijk hartelijk en kalm.

Had het geholpen?

Ongetwijfeld zal er woede zijn, en bitterheid, maar we merken het niet: zij maken het ons makkelijk, terwijl we niets te bieden hebben, geen troost, niet eens betere herinneringen. Wij maken deel uit van de achteloze buitenwereld die Marije heeft gekwetst; ze gaf mijn zoon in de tweede een Valentijnslolly en hij, destijds 13 en onhandig, reageerde domweg niet. Zij stak haar nek uit en hij wees haar af - daar moet het voor haar op neer zijn gekomen. Wat was er gebeurd als ik mijn zoon vaker gevraagd had naar Marije? Hun vriendschap had aangemoedigd, gezegd: nodig je haar uit?

Had het geholpen? Hadden we het verschil kunnen maken voor Marije, wij, ouders, klasgenoten, school? Het is een bekend fenomeen na een zelfdoding, het schuldgevoel tot in de wijde omgeving. Zo bekend dat er ook een bijna automatische tegenreactie komt, een haastig doekje voor het bloeden: 'Zo'n meisje is niet te helpen', krijg ik te horen, en: 'Haal je je niet te veel in je hoofd?'

Maar het laat me niet los. Is een suïcidale jongere werkelijk niet te helpen met vereende krachten? Zeker wel, hoor ik van deskundigen als ik een congres bezoek over suïcidepreventie. Dat moet hoog op de agenda, zeggen de initiatiefnemers: de cijfers stijgen alarmerend. Afgelopen jaar waren er 1.871 gevallen van zelfdoding in Nederland, waarvan 130 in de leeftijd van 10 tot 25 jaar. Hoogleraar René Diekstra opent zijn lezing met het verhaal van Jürgen Peters, een Duitse jongen die in 1969 aan de rand van een watertoren stond, klaar om te springen. Een vriendin beneden wist hem op andere gedachten te brengen; hij keerde terug naar de trap. Maar toen schreeuwde iemand uit het toegestroomde volk vijf fatale woorden: doe het dan, du Feigling (jij, lafaard). Jürgen Peters deed het. Wat hij wil aantonen, zegt Diekstra, is dat zelfdoding bijna altijd tot op het laatste moment is omgeven met ambivalentie en dat de omgeving net dat laatste duwtje kan geven - de goede kant op, of de verkeerde.

Een volgende spreker is Jan Mokkenstorm, psychiater en oprichter van 113Online, platform voor suïcidepreventie. Hij pleit ervoor te streven naar een land zonder zelfmoord, zero suicide, te beginnen met betere zorg. Hij noemt het onacceptabel dat er patiënten zijn die eenzaam en radeloos sterven en dat - ook in instellingen - suïcide wordt geaccepteerd als iets dat er gewoon bij hoort.

Niks gelaten acceptatie, geen 'troostrijk pessimisme' meer zoals doorklinkt in zinnen als 'je kunt het nooit voorkomen' en: 'als ze het willen, doen ze het toch'. Dat is niet waar, blijkt uit onderzoek: er zijn bewezen behandelmethoden - cognitieve therapie met name - die de suïcidecijfers omlaag kunnen brengen en die beginnen allemaal met praten en met in de smiezen houden of het wel goed met iemand gaat.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Naast de schoolkrant en debatteren, hield Marije zich bezig met fotografie. De foto’s die dit verhaal illustreren, zijn door haar gemaakt.

Beeld Privé-archief

Mokkenstorm maakt de vergelijking met het aantal verkeersdoden in Nederland: dat is sinds de jaren zeventig spectaculair gedaald omdat we met zijn allen besloten hebben het hoge cijfer niet langer te accepteren. Er zijn autogordels gekomen, meer alcoholcontroles, de Bob is ingeburgerd; het heeft effect gehad. Zo pleit hij ook voor een gezamenlijke aanpak van risicofactoren bij zelfmoord.

Een gevoel van vernedering en verlies, vertelt hij als ik hem een week na het congres spreek, zijn zulke risico-factoren, net als pesten en sociale uitsluiting. Een beetje meer zorgen voor elkaar, simpel gesteld, ja, dat kan dus preventief werken. Net zoals het gewoon is geworden om te vragen wie de Bob is vanavond, moeten we beter opletten: is die collega of die leerling niet eenzaam en haalt hij of zij zich niks geks in het hoofd?

Na Marijes dood vond haar moeder op haar kamer een boekje waarin ze in 2014 haar drie liefste wensen had geschreven. Op 1: een vriendin waar ik het belangrijkst voor ben. Op 2: een vriendje. Op 3: dood.

Haar ouders vertellen thuis rustig, verslagen, hun verhaal. Als ook maar één iemand er iets aan kan hebben, vinden ze dat al zinvol.

Tot een jaar of 8 was Marije een blij, leergierig kind dat, net als haar oudere broer en jongere zusje, huppelend naar school ging. Maar in groep 4 veranderde dat. Ze kwam in een lastige, slecht functionerende klas waar de juffen niet bij machte waren de sfeer te verbeteren en de brutalen de kans kregen de minder weerbare kinderen op hun kop te zitten. Marije was er een van. Ze werd er onzeker van, raakte verkrampt. Een makkelijke prooi voor pesters. Misschien probeerde ze te hard vriendinnetjes te maken, zeggen naar ouders nu. Haar vader herinnert zich dat ze in die tijd, in de auto, eens vroeg: papa, hoe moet dat, vriendschap, is daar misschien een plan voor? 'Dat gaat op een dag vanzelf', stelde hij haar gerust - hij is het nooit vergeten.

Pesten

Het is bij Marije niet vanzelf gegaan. Hoe vrolijk ze zich ook voordeed, diep van binnen ontwikkelde ze het gevoel dat ze niets waard was. En elke keer als ze haar neus stootte - als ze zich bij een vriendinnengroepje wilde aansluiten, bijvoorbeeld, en dat niet lukte - werd dat gevoel bevestigd. Ze schreef in maart 2016: 'Het ergste vind ik nog dat ik nooit in staat ben vrienden te behouden. Dat vind ik zo ontzettend lastig. Altijd, elke keer, gaat het eerst goed en leuk en na een tijdje ontstaat er afstand. Hoe of waarom weet ik niet. Ik weet gewoon niet wat ik daarmee moet. Het maakt me moedeloos, verdrietig vooral omdat ik geen idee heb hoe het komt en hoe ik het oplos.'

Het pesten had haar beschadigd, zagen haar ouders machteloos, ze deed zo ontzettend haar best. Thuis was ze vaak somber en teruggetrokken, ze kreeg angsten en ging op een dag ook zichzelf beschadigen. 'Een aan zelfhaat grenzend laag zelfbeeld', constateerde een therapeut. 'Niemand zit op mij te wachten', constateerde ze zelf als ze op Facebook de vrolijke foto's van anderen had bekeken. Ze kon er maar beter niet meer zijn. 'Ik wil niet meer de pijn, niet meer de leegte en het besef dat ik dit ben. Mislukt.' schreef ze op haar 16de verjaardag. Maar ambivalentie was er ook, en levenslust, en, tot op het laatst, plannen voor de toekomst: vanuit de kliniek nog meldde ze zich aan om na de zomer leerlingmentor van een brugklas te worden. Uit haar dagboek: 'Ik weet niet wat ik moet doen. Ik wil dood en iets van het leven maken tegelijk, gymnasium halen, geneeskunde studeren. Zoveel tweestrijden in mijn hoofd. Ik kan dit niet. Help.'

Maak niet de fout één oorzaak aan te wijzen, zegt psychiater Jan Mokkenstorm; suïcide is vaak een optelsom van én aanleg én een depressie of angststoornis én omgevingsfactoren. Lang niet iedereen die gepest is, wordt depressief of suïcidaal en schuldigen aanwijzen is nooit aan de orde. Maar it takes a village to raise a child én it takes a village to prevent a child from suicide, zoals Diekstra zei op het congres: volwassenen moeten goed opletten of er geen kind ondersneeuwt.

In gebreke gebleven

Mokkenstorm schetst wat er vaak omgaat in het hoofd van een suïcidale puber. Drie dingen, kort gezegd: ik hoor er niet bij, ik ben hier tot last, ik ben al zo gewend aan het idee van de dood (door zelfbeschadiging bijvoorbeeld) dat ik er niet bang meer voor ben. Wat school en omgeving daar tegenover kunnen stellen: niemand hoeft hier alleen te zijn, niemand is hier lastig, we willen dat je erbij blijft. Eenvoudige zinnetjes, die me snoeihard raken - wat zijn we hopeloos in gebreke gebleven, een klasgenoot, zo dichtbij.

Suïcidepreventie is een collectieve verantwoordelijkheid, stelt Diekstra. Hij doet al zijn hele werkzame leven onderzoek naar zelfdoding onder jongeren en al die jaren bestrijdt hij dezelfde misvattingen daarover. Dat het in een vlaag van gekte gebeurt, bijvoorbeeld. Niet waar: suïcide is vaak de uitkomst van een langdurig innerlijk proces. En dat een doodswens onveranderbaar is, is ook niet waar; de meeste jongeren willen niet sterven, ze weten alleen niet hoe het verder moet. Suïcide is geen stoornis, het is gedrag, zegt Diekstra. Een uiting van iemand die doorgaans niet dood wil, maar die grote problemen heeft.

Diekstra heeft vorig jaar een boek gepubliceerd samen met Andy Sanders, de vader van Saskia, een meisje dat zelfmoord pleegde toen ze 13 was. 'Het is net alsof ik hier niet hoor...' luidt de ondertitel en het bevat fragmenten uit de dagboeken die Saskia in de jaren voor haar dood bijhield. In dat boek volgt Diekstra haar spoor terug in de tijd om te analyseren hoe het zo ver heeft kunnen komen. Hij pleit ervoor dat na iedere suïcide te doen: psychologische autopsie, noemt hij dat, een zo volledig mogelijk onderzoek naar wat eraan vooraf ging. Een terugblik, om voor toekomstige gevallen van te kunnen leren.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Beeld Privé-archief
Beeld Privé-archief

Suïcidecijfers kunnen omlaag

Wat had ik kunnen doen, vraag ik hem, en wat had ik mijn zoon moeten leren? Ik geef zelf al een soort antwoord als ik vertel hoe ik mijn zoon uitzwaaide op brugklaskamp vroeger en het verschil met mijn dochter, die nu in de brugklas zit. Tegen mijn zoon zei ik destijds: heb het leuk! Tegen mijn dochter zeg ik hetzelfde, maar ik zeg óók dat ze om zich heen moet kijken naar wie er alleen zit, en dat ze dat kind erbij moet halen. Jezus, het is zo logisch - waarom moest zich eerst een ramp voltrekken voordat ik zoiets eenvoudigs had geleerd?

Je kunt een blinde niet verwijten dat hij over een paaltje struikelt, zegt Diekstra, maar hij beaamt het meteen: we leren onze kinderen wat graag voor zichzelf op te komen - helemaal niet gek in deze prestatiemaatschappij - maar we vergeten vaak ze te leren voor anderen te zorgen. Hij heeft een lesprogramma voor scholen ontwikkeld, Skills for life, waarin zaken als vriendschap en pesten, maar ook omgaan met negatieve en eventuele suïcidale gedachten voor jongeren bespreekbaar worden gemaakt. 113 Suïcidepreventie ontwikkelde een hand-reiking zelfmoordpreventie voor scholen en universiteiten en zet netwerken ter preventie op in de geestelijke gezondheidszorg. Ook zijn er trainingen voor docenten en zelfs kappers, ook vaak vertrouwenspersonen tenslotte, om signalen op te pikken en in actie te komen als blijkt dat een puber flirt met de dood. Er is wat aan te doen, benadrukken ze beide. De suïcidecijfers kunnen omlaag.

Het is een illusie om te denken dat alle zelfdodingen te voorkomen zijn, zegt psychiater Stanneke Lunter. Haar eigen dochter maakte 2,5 jaar geleden een einde aan haar leven, net als Marije binnen de muren van een instelling. Jitske was 17. In haar onlangs verschenen boek Geen angst, geen pijn, geen leven beschrijft Lunter wat daaraan vooraf ging en stelt ze zichzelf de pijnlijke vraag: fout gedaan of fout gegaan? Haar dochter leed aan een zware depressie, concludeert ze, die te laat werd onderkend.

Diagnose gemist

Lunter pleit daarom ervoor tijdig in te grijpen bij jongeren van wie de omgeving signaleert dat het niet goed gaat. 'Veel jongeren tussen 12 en 16 kampen met depressieve klachten. Ze lopen vast op school, in vriendschappen, worden opstandig of onbereikbaar voor hun ouders. Pubergedrag, wordt dan al snel gezegd, en soms zelfs: borderline. Maar dat vastlopen kan het gevolg zijn van een depressie, die bij jongeren vaak over het hoofd wordt gezien. Volwassenen met een depressie zijn vaak continu lusteloos, terwijl pubers dalen én pieken hebben, nog steeds af en toe uitbundig kunnen zijn. Jongeren met een depressie hebben vaak een extra laag zelfgevoel en verlaagde drempel om over te gaan tot zelfbeschadiging of suïcidepogingen. In combinatie met stemmingswisselingen wordt dan nogal eens aan borderlineproblematiek gedacht en de diagnose depressie gemist.'

Lunter doet een aantal aanbevelingen. Meer openheid over somberheid en suïcidaliteit bij jongeren, eerder en beter diagnosticeren (dus minder lange wachtlijsten in de GGZ en vooral niet meer bezuinigen), snel en gericht behandelen, bij voorkeur thuis en niet in een instelling. 'Voor mijn dochter is het te laat. Maar het had bij haar gepast dat anderen er iets van kunnen leren.'

Al noemt ze zero suicide onhaalbaar, ook Lunter stelt dat het aantal jongeren dat ertoe overgaat - zelfdoding is doodsoorzaak nummer één in de leeftijdscategorie van 20-25 jaar - omlaag moet en kan. 'We kunnen niet met zijn allen voorkomen dat er jongeren ongelukkig zijn. Maar we moeten wel met zijn allen beter over ze waken en een klimaat creëren waarin geldt: je blijft erbij.'

Had iemand Marije kunnen redden? Het is de eeuwige vraag na een zelfdoding, maar het is er dus ook een die zich niet laat wegwuiven, weet ik nu. Laat ik het anders formuleren: hadden we Marije kunnen helpen? Een klein beetje maar, net dat ene kleine beetje dat misschien verschil had gemaakt? Stel dat het antwoord ja is?

Praten over zelfdoding kan bij de hulp- en preventielijn 0900-0113, of chatten via: 113online.nl

Beeld Privé-archief
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden