Had Hearst een boodschap?

DE VADER van William Randolph Hearst was een 'Forty Niner': een van de tienduizenden Amerikanen die in 1849 naar Californië trokken, op zoek naar goud....

Eigenaar van mijnen in Montana (Anaconda), Nevada en Mexico richtte hij z'n ambities in de jaren zeventig op de politiek en kocht, om effectief campagne te kunnen voeren voor een zetel in de Senaat en voor het gouverneurschap (allebei mislukt, overigens: de Democraten legden het af tegen de Republikeinen), The Examiner op, een van de twee lokale kranten die toen in San Francisco werden uitgegeven.

Zo was het bedje van zijn in 1863 geboren enige zoon meteen al aardig gespreid. De vader was weliswaar op zijn manier dominant, maar had het te druk met z'n zaken om zich ooit serieus met de opvoeding te bemoeien, en de moeder kon het zich als een 'grande dame' veroorloven het kind al op z'n tiende mee te nemen op een lange, culturele reis door het oude Europa. De rijkeluisjeugd van William Randolph eindigde op gepaste wijze in Harvard, waar hij dankzij z'n grote sociale vaardigheden - en z'n ampele toelage - een populaire student werd, weinig uitvoerde, en dus sjeesde. Hij was twintig toen de oude Hearst hem, zonder veel illusies dat het wat zou worden, de post gunde die hij al vóór z'n universitaire excercitie diep had begeerd. Hij werd redacteur en mede-eigenaar van The Examiner. De gedenkwaardige carrière kon beginnen.

Het beste boek dat over Hearst werd geschreven, is nog altijd Citizen Hearst (1961) van de Amerikaan W.A. Swanberg. De nieuwe biografie van de New Yorker David Nasaw put weliswaar uit een indrukwekkende hoeveelheid privé-correspondentie, memo's, telegrammen en transcripties van telefoongesprekken, die veertig jaar geleden nog niet beschikbaar was, maar die weelde aan bronnen lijkt de nieuwe auteur eerder te hebben dwarsgezeten dan dat hij ermee is geholpen: al die brieven en briefjes aan kennissen, ondergeschikten en (vooral) moeder Phoebe brengen ons niet veel dichter bij de specifieke karaktereigenschappen die het verhaal van de mediamagnaat tot dat onverbiddelijke succesverhaal moeten hebben gemaakt.

Voor een deel heeft dat waarschijnlijk te maken met het feit dat Nasaw - in tegenstelling tot Swanberg - betrekkelijk weinig aandacht heeft voor de maatschappelijke context waarbinnen Hearst z'n onmiskenbare talenten kon ontplooien. Het Amerika dat hij tegemoettrad, was het Amerika dat zich na de bloedige Burgeroorlog op een zeg maar gerust explosieve manier herstelde, en waar alles expansie was wat de klok sloeg: van de infrastructuur tot de landbouw, van de industrie tot de technologie, van de politieke cultuur tot de prille informatica, en van het nog maar half bewoonde continent tot de definitieve 'vervulling' van het grote experiment. Toen Hearst werd geboren, telde het land dertig miljoen inwoners. Op het moment dat hij The Examiner in handen kreeg, was dat aantal al verdubbeld. Nog weer twintig jaar later waren het er al bijna honderd miljoen. Dat snel groeiende oplagepotentieel werd hem bij wijze van spreken zomaar in de schoot geworpen.

Over de wijze waarop Hearst zijn imperium opbouwde en uitbreidde, zijn de meningen altijd verdeeld geweest. Al tijdens z'n leven (hij stierf in 1951) werd hij gevreesd en vervloekt als een even gevaarlijke als gewetenloze populist - begrijpelijk vanuit het standpunt van z'n concurrenten, die hij, als het erop aankwam, met de meest ignobele middelen een loer draaide, en die zich des te feller weerden naarmate zijn invloed groter werd, het aantal kranten en tijdschriften dat hij opkocht groeide, en z'n mediahonger zich al vroeg in de twintigste eeuw ook richtte op radiostations en filmproductiekantoren, vanwaar hij zijn boodschap ten slotte in enigerlei vorm ook kon verspreiden.

Maar had hij een boodschap?

Ook daar zijn de geleerden het niet erg over eens, en ook op dat punt biedt de topzware biografie van Nasaw nauwelijks uitkomst.

In het voetspoor van zijn vader heeft ook William Randolph zich in de politiek geweerd - met iets meer resultaat: hij diende, voor de Democraten, een paar termijnen in het Congres. Maar al vrij snel beproefde hij z'n geluk als 'onafhankelijk' kandidaat, wat in Amerika nooit een kansrijke uitgangspositie is geweest, en in welke hoedanigheid dus ook Hearst geen been aan de grond kreeg.

Bij Nasaw blijft onduidelijk met welk 'programma' hij de strijd eigenlijk precies had willen aanbinden. Vaststaat dat hij in elke denkbare politieke constellatie aan de rechterkant van het spectrum figureerde. Zijn racisme (tegen Japanners, tegen Mexicanen) was even onverbloemd als z'n antisemitisme, waarmee hij zich vooral tegen z'n grootste rivaal Pulitzer richtte. Hij dweepte met Mussolini en later met Hitler, in wie hij een belangrijk staatsman in de strijd tegen het bolsjewisme zag; z'n pro-Duitsheid dateerde trouwens al van de Eerste Wereldoorlog, toen hij (uit afkeer van alles wat Engels was - oud Amerikaans sentiment) met de keizer sympathiseerde, en vanaf het moment dat de oorlog aan Duitsland was verklaard, nog alle journalistieke zeilen moest laten bijzetten om aan de verdenking van landverraad te ontkomen.

Hij poseerde graag als de kampioen van 'de kleine man', maar dat was in de keiharde Amerikaanse krantenwereld uit de eerste helft van de twintigste eeuw voor alle uitgevers meer een kwestie van overleven dan van ideologie: van de miljoenen 'kleine mannen' die er jaarlijks als immigranten bijkwamen, moesten ze het hebben. Hetzelfde geldt voor de onthullingsjournalistiek, die we in de persgeschiedenis als muckraking kennen. Ze diende ogenschijnlijk het nobele doel om corruptie bij de overheid of in het bedrijfsleven aan de kaak te stellen, maar de verhalen voedden bovenal de rancune van 'de kleine man', die er niet genoeg van kon lezen - ze werden dus geschreven (en opgeklopt, en soms uit de duim gezogen) ter wille van de losse-verkoopcijfers.

Nasaw wijdt een afzonderlijk hoofdstuk aan Orson Welles, naar wiens film Swanberg indertijd zijn boek vernoemde. Hoe 'onbillijk' was Citizen Kane? De vraag lijkt me nauwelijks relevant, maar Nasaw meent Hearst omstandig in bescherming te moeten nemen tegen de al te links (en al te jong) geachte filmmaker. Maar het zou weleens kunnen zijn dat Welles met z'n fictieve Kane dichter in de buurt is gekomen van de mysterieuze Hearst dan Nasaw met al z'n nieuwe bronnen. Bij alle verontschuldigende verklaringen en verzachtende omstandigheden die in het boek worden aangevoerd om het portret nog een beetje te adelen, blijftHearst daar toch overwegend een onaangename Draufgänger wie het altijd eerder om persoonlijke macht dan om de publieke zaak ging. Kane was altijd nog tragisch in z'n rotstreken.

Was Hearst het prototype van de mediamagnaat die we een halve eeuw later terugvinden bij iemand als Rupert Murdoch?

Misschien.

Maar bij alle macht die hem werd toegeschreven, passen toch een paar relativeringen. Als zijn journalistieke huzarenstuk gelden nog altijd de ophitsartikelen waarmee zijn kranten de korte Spaans-Amerikaanse oorlog om Cuba (1898) zouden hebben ontketend ('my war', liet hij zijn inktkoelies schaamteloos schrijven). Maar het staat als een historische paal boven water dat Washington dat oorlogje ook zonder alle opwinding in de yellow press zou zijn aangegaan, dus het aandeel van Hearst heeft nooit echt politieke betekenis gehad.

In de jaren tussen 1910 en 1940 werd in één op de drie Amerikaanse gezinnen een krant of een tijdschrift van Hearst gelezen, maar z'n eigen pad naar het Witte Huis is met alle gepubliceerde peptalk niet geëffend, en alle in zijn opdracht ondernomen hetzes tegen presidentskandidaten die het naar zijn oordeel absoluut niet moesten worden (Wilson en Franklin Roosevelt onder anderen), bleken achteraf niets te hebben opgeleverd: ze werden het wel.

Noch z'n isolationisme, noch z'n pro-Duitsheid, noch z'n flirt met fascisme en nationaal-socialisme heeft verhinderd dat Amerika uiteindelijk toch in twee wereldoorlogen z'n gewicht in de schaal legde, en deed wat Hearst wilde verbieden.

Miljoenen lezers, luisteraars en kijkers kunnen manipuleren, en toch z'n zin niet krijgen. Dat geeft de burger moed.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden