Haat of verering, een tussenweg was er niet

Met het afhaken van Fidel Castro verdwijnt de laatste politieke hoofdrolspeler van de twintigste eeuw van het wereldpodium. Eindelijk, verzuchten zijn vele tegenstanders, onder wie heel wat van de Cubanen die nooit een andere baas van hun land hebben meegemaakt....

Mensen haten Fidel Castro of mensen vereren hem. Een tussenweg is vrijwel nooit mogelijk gebleken: de man laat niemand onverschillig. Wie schrijft over de laatste communistische leider van het westelijk halfrond of over het Cuba van de afgelopen halve eeuw in het algemeen, zal dat nooit in ieders ogen goed doen, klaagde twee jaar geleden Ignacio Ramonet.

De hoofdredacteur van Le Monde Diplomatique had net een even omvangrijke als kritiekloze biografie van Castro gepubliceerd, en de halve wereld was over hem heen gevallen. ‘Het is als met stierenvechten. Je hebt mensen die ervan houden en mensen die het verfoeien, en nooit breng je een van die groepen op andere gedachten, hoeveel argumenten je ook aandraagt.’

Fidel Castro is, tot een darmbloeding hem anderhalf jaar geleden velde, altijd een onvervalste overlever geweest. Om te beginnen letterlijk. Een paar jaar geleden was de Amerikaanse ex-minister van Defensie Robert McNamara in Havana voor een conferentie over de rakettencrisis van 1962, die de wereld aan de rand van een kernoorlog bracht. De minister van John Kennedy had een vrolijke discussie met Fidel, zoals hij in eigen land kortweg heet, over het aantal moordcomplotten van de CIA tegen de Cubaanse leider. Meer dan dertig, aldus Fidel. ‘Zullen we het op een stuk of tien houden?’, antwoordde McNamara.

Maar Castro heeft zich vooral ook een politieke overlever getoond: de door de Verenigde Staten georganiseerde invasie van de Varkensbaai in 1961; de crisis vanwege de Sovjet-raketten op het eiland een jaar later; de val van de Berlijnse Muur in 1989 en de daarop volgende ineenstorting van de Sovjet-Unie, zijn hoofdsponsor; een aantal interne crises, gepaard gaand met een exodus van Cubanen.

En hij overleefde negen (bijna tien) Amerikaanse presidenten, die een voor een hadden beloofd Fidel Castro ten val te zullen brengen.

Fidel Castro heeft altijd een ongewoon vermogen aan de dag gelegd om mislukkingen om te zetten in overwinningen. Dat begon al met zijn aanval op de Moncada-kazerne in 1953, een fiasco dat zeventig van zijn mannen het leven kostte, maar dat de eerste morele overwinning van de rebellen werd en hem tot een internationaal bekend figuur maakte. Ook de guerrilla-oorlog tegen het bewind van generaal Batista begon dramatisch slecht, maar bracht hem twee jaar later aan de macht.

Op 1 januari 1959 deed Fidel Castro zijn triomfantelijke intrede in Havana, aan het hoofd van een kolonne bebaarde opstandelingen, en met twee duiven op zijn schouders: een onmiskenbaar teken van de Afrocubaanse goden en een bewijs van zijn gelukkige gesternte. Dat gesternte en de efficiënte inzet van zijn geheime diensten hebben hem bijna een halve eeuw aan de macht gehouden.

Hoe is het mogelijk dat een communistisch regime het zolang volhoudt in het geopolitieke hart van het Westen? ‘Het geheim van het volharden van een zo curieus sociaal experiment, is een open deur’, zegt de Cubaanse historicus en dissident Rafael Rojas.

‘Cuba is een eiland op 180 kilometer van de kust van de VS, de machtigste natie van de planeet. In de symbolische strijd die deze ongelijke buren voeren in het Caribisch gebied, neigt de sympathie van een flink deel van de wereld te gaan naar die kleine David. Alle rancunes, stereotypen en vooroordelen die Goliat, de Filistijnse reus, oproept in Afrika en Azië, Latijns-Amerika en Europa, binden zich samen tot een wereldwijde legitimering van het Castrisme.’

De Cubaanse revolutie was de verwezenlijking van een romantische utopie. Fidel Castro en niet te vergeten zijn adjudant Ernesto Che Guevara waren de jonge helden die erin waren geslaagd met een handjevol medestrijders een verfoeid dictatoriaal bewind omver te werpen.

Het was bovendien de eerste televisierevolutie. Vanaf de eerste dag konden Cuba en de rest van de wereld de bebaarde leider aan het werk zien: Fidel tijdens een urenlange toespraak, Fidel tijdens een interview, Fidel tijdens een persconferentie. Hij deed vooral wat hij het beste kon, en hij zou het altijd blijven doen: praten. En hij betoverde de linkse intelligentsia in de hele wereld, midden in de Koude Oorlog.

De Franse schrijver Jean-Paul Sartre schetste tijdens zijn verblijf in Cuba in 1960 Fidel Castro als een soort pantheïstische engel: ‘Hij is alles tegelijk: het eiland, de mensen, het vee, de planten, de grond. Hij is het hele eiland.’

Fidel wás de Revolutie, die ‘in werkelijkheid de eenheid is van caudillo en volk, van Fidel en de natie in een permanente oorlog tegen een externe vijand, het yankee-imperialisme en diens mogelijke bondgenoten op het eiland’. Fidel Castro had het niet beter over zichzelf kunnen verwoorden.

Het enorme ego van Fidel Castro liet weinig ruimte voor concurrenten, laat staan voor critici. De eerste zuiveringen begonnen direct nadat hij zich openlijk tot het communisme had bekend en een steunpilaar van de Sovjet-Unie was geworden.

Dat werd door zijn buitenlandse aanhangers nog begrepen en verdedigd. Veel schrijvers en andere intellectuelen hielden het echter in 1971 voor gezien toen de dichter Heberto Padilla werd gearresteerd en in de slechtste stalinistische traditie tot een schuldbekentenis werd gedwongen. Voor mensen als Sartre, Vargas Llosa of Carlos Fuentes betekende dit het einde van de utopie.

De onderdrukking van alle oppositiegeluiden door het Cubaanse regime heeft in de loop der jaren niet alleen het leger van zijn vurigste medewerkers drastisch uitgedund, maar ook de externe steun voor Fidel Castro nagenoeg geheel doen verdwijnen. De laatste getrouwe verdedigers (José Saramago, Eduardo Galeano) hielden het in 2003 voor gezien, na de executie van drie bootkapers en de massale arrestatie van 75 dissidenten, die tot extreem lange gevangenisstraffen werden veroordeeld. Zo ongeveer de enige schrijver die nog bij Fidel over de vloer komt, is Gabriel García Márquez.

Hoewel Castro publiekelijk altijd een onwrikbaar optimisme over de eeuwigheidswaarde van de Cubaanse Revolutie aan de dag legt, blijkt hij daar toch zijn twijfels over te hebben. Het grootste gevaar komt niet van buiten, zei hij tegen zijn biograaf Ramonet, maar van binnen: ‘Dit land kan zichzelf vernietigen. Deze revolutie kan zichzelf vernietigen. Wijzelf kunnen die vernietigen, en dat zal onze eigen schuld zijn. Als wij niet in staat zijn onze fouten te corrigeren. Als wij er niet in slagen een eind te maken aan vele zonden: een hoop diefstal, een hoop corruptie en een hoop geldbronnen van de nieuwe rijken.’

Tot die fouten rekent Castro uiteraard niet het Cubaanse politieke en economische systeem in het algemeen. Zijn keuze van ‘socialisme of dood’ zal hij tot zijn laatste snik verdedigen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.