Gruwen van je land

Een groeiende groep Nederlanders bekeert zich tot de islam. Wat drijft hen? ‘Alles mag maar in Nederland: roken, drinken, seks. Daar stoor ik met aan.'...

In een rijtjeshuis in Breda spreiden drie tot de islam bekeerde Nederlandse vrouwen een gebedskleedje uit. Ze trekken sokken aan, bedekken hun haar en wenden zich tot Allah. Op tafel staan schalen koekjes en glazen thee.

Na afloop van het gebed vertellen Rabi’a (29) en Jamila (28) dat zij de islam, ‘de waarheid’, omhelsden lang voor de aanslagen van 11 september 2001 op New York en Washington. Zij zijn elf en negen jaar geleden bekeerd, maar merken dat ze zich sinds 11-9 steeds minder aantrekken van de negatieve reacties. Of ze nu een modieus hoofddoekje dragen of een allesbedekkende gezichtssluier (niqaab), ze worden als autochtone moslima’s toch uitgespuwd door de samenleving. Rabi’a draagt sinds januari een niqaab en Jamila al enkele jaren een ghimaar, een lange hoofddoek die het gezicht wel toont.

Neeltje (24), Aliyaah (25) en Ayesha (39) zijn recente bekeerlingen. Zij weten nog precies op welke dag ze de geloofsgetuigenis, shahada hebben uitgesproken. Ayesha, die ‘nog niet aan een hoofddoek toe is’, op 1 maart van dit jaar. ‘Dat was de dag van mijn hergeboorte’. Aliyaah, van oorsprong kapster, nu werkzaam voor T-Mobile: ‘Ik heb er bijna zeven jaar over nagedacht. Dat is veel te lang. Uiteindelijk komt het neer op acceptatie van het gevoel dat je moslim bent. Ik heb op 9 juli shahada gedaan en ben ook onmiddellijk de hoofddoek gaan dragen.’

Neeltje, zelfstandig kapster met een eigen klantenkring in Oosterhout: ‘In december 2004 ben ik serieuze boeken gaan lezen over de islam. Ik voelde dat de islam mij naar de waarheid zou leiden, zodat ik de juiste stappen kan zetten op weg naar het leven na de dood. Want het hiernamaals is pas echt belangrijk. Op 3 augustus ben ik officieel moslim geworden.’

Moslimvriendje

Vier van de vijf vrouwen zijn door een moslimvriendje met de islam in aanraking gekomen. Jamila – die vroeger Jaimy heette – door een Marokkaans vriendinnetje. De vier benadrukken dat ze ‘absoluut niet door hun partner tot het geloof zijn gedwongen’, zoals altijd wordt beweerd. Het was veeleer nieuwsgierigheid naar wat dat is, de islam. En ze vroegen zich af of dat geloof echt zo vrouwonvriendelijk is.

Ze richten zich veel meer op de ‘zuivere islam’ dan hun partners, zeggen ze. In de relatie zijn zij nu de ‘touwtrekkers’ in het geloof, zoals Ayesha het uitdrukt. Ze streven naar perfectie en doen dat op eigen kracht, met hulp van hun ‘zusters’. Neeltje: ‘Ik had ruim drie jaar een relatie met een moslimvriendje. Toen de relatie werd verbroken, ben ik weer volop uitgegaan. Een tijd lang heb ik niks meer gelezen over de islam, maar ik werd daar heel onrustig van. Ik ben uiteindelijk teruggekeerd naar de islam. Die geeft zoveel duidelijkheid. Op elke vraag is er een helder antwoord.’

Neeltjes ouders hadden, zoals zoveel ouders van nieuwe moslims, grote moeite met haar bekering. ‘Het heeft tijd nodig.’ De moeder van Aliyaah probeert haar dochter, die vroeger Anita heette, er nog van af te praten. Ayesha (voorheen Yolanda) merkt dat haar ouders – ze is atheïstisch opgevoed – worden beïnvloed door de negatieve berichtgeving. ‘Ze hebben geen kennis van de islam, hebben alles van de media.’

De familie van Jamila is er inmiddels aan gewend dat ze moslima is. ‘Eerst wilde mijn moeder niet met me over straat. Een hoofddoek vond ze belachelijk. Nu is ze er aan gewend. Ik draag nu een ghimaar en zij zegt trots: Kijk, dit is mijn dochter.’

Rabi’a (Rebecca, vader joods, moeder katholiek) zegt dat haar ouders liever niet over de islam praten. ‘Laatst wilde mijn moeder lasagna maken, maar daar zat spekvet in. Dat heeft ze toen niet gedaan. Ik vertrouw haar wel. Ze houdt rekening met mijn overtuiging.’

De vijf vrouwen verkeren in verschillende stadia van ‘overgave aan Allah’. Ayesha vergelijkt de islam met een grote boom met stevige wortels, de vijf zuilen: geloofsbelijdenis, gebed , armenbelasting, vasten en bedevaart naar Mekka. Ayesha: ‘Als je je daaraan houdt, ben je een goede moslim. Alle andere zaken zie ik als blaadjes die aan de boom groeien. Bij mij is het blaadje van de hoofddoek nog niet eens aangegroeid.’

In het streven naar perfectie gaan de moslima’s steeds meer met de rug naar de westerse samenleving staan. De bereidheid ‘concessies’ te doen aan de Nederlandse waarden en normen neemt af. Jamila, moeder van een zoontje van 2 en een dochtertje van 1 jaar, heeft uiteindelijk haar werk bij OZ Verzekeringen opgegeven. Eerst wilde ze haar mannelijke collega’s geen hand meer geven. Vervolgens kondigde ze aan dat ze niet meer meedeed aan het vieren van verjaardagen. ‘Daar doen we niet aan in de islam, wel meedoen op het werk vond ik hypocriet.’

Bidden in het fietsenhok

Na 11 september 2001 vroegen de collega’s wat ze van Osama bin Laden vond. Ze had gezegd dat ze niet achter hem stond. Rabi’a onderbreekt haar. ‘Waarom mag je niet zeggen dat je voor hem bent? We hebben hier toch vrijheid van meningsuiting? Oh nee, dat geldt dat niet voor moslims.’

Jamila werd bij de baas geroepen en moest zich ‘in een onislamitische situatie tussen allemaal mannen’, verantwoorden. ‘Waarom?’, vraagt Rabi’a. ‘Had ze soms gezegd dat ze OZ zou willen opblazen?’ Jamila: ‘Het was zo verschrikkelijk. Eerst bad ik in het fietsenhok. Toen ik om een bidruimte vroeg, kreeg ik te horen dat het helemaal niet mocht op het OZ-terrein.’ Ayesha: ‘Belachelijk toch. In Nederland heb je overal rookruimtes, maar gebedsruimtes worden niet toegestaan.’

In maart 2003 nam Jamila ontslag. Ze werd zwanger en vindt het nu heerlijk om ‘de natuurlijke weg van de vrouw te volgen. Lekker thuis voor de kinderen zorgen.’ De andere vrouwen vallen haar enthousiast bij. Ze onderschrijven de lezing die een broeder van de Haagse As Soennah-moskee onlangs in Eindhoven hield. Hij gaf de man in een relatie de positie van koning, en de vrouw die van premier. Mannen en vrouwen zijn wel gelijkwaardig, zei hij, maar anders. De man is verantwoordelijk voor de vrouw.

Ayesha en Rabi’a, beiden uit een feministisch milieu, vertellen over de rust die over hen is gekomen nu ze ‘in overeenstemming met hun natuurlijke aanleg’ mogen handelen. Rabi’a: ‘Ik heb niks met Alles went, behalve een vent. Op televisie zie je moederende vaders en vrouwen die op hun achterste poten gaan staan om hun recht te halen. Dan denk ik, dat klopt niet. En: doe toch rustig mens. Ga voor man en kinderen zorgen, zo is het bedoeld, zo ben je geschapen.’

Aliyaah: ‘Vrouwen baren niet voor niets. In de islam is veel meer respect voor het opvoeden van kinderen.’ Ayesha: ‘In Nederland wordt op het huishouden neergekeken, alsof je constant koffie zit te leuten bij de buurvrouw. En wat is er mis mee dat de moslimman de boodschappen sjouwt? Boodschappentassen zijn vaak hartstikke zwaar. Laat die man dat toch lekker doen.’

Thuis bij de vrouwen hangen geen foto’s aan de muur. Afbeeldingen van mensen zijn niet toegestaan in de islam. Er wordt steeds minder televisie gekeken en naar muziek geluisterd. Aliyaah: ‘Van de muziek ben ik nog aan het afkicken, dat is best moeilijk.’

Dat streven naar perfectie doen ze vooral om ‘pluspunten te verzamelen’. Jamila: ‘Op de dag des oordeels bepaalt Allah of je in het paradijs komt. Wie de meeste punten heeft verzameld, krijgt het straks het best in het paradijs.’

Diamantjes

Dat de bekeerde Ibrahim (27) en Ismail (21) ook in verschillende stadia ‘van overgave aan Allah’ verkeren, wordt meteen duidelijk als ze de As Soennah-moskee in Den Haag binnenstappen. Ismail, een Antilliaan die vroeger Shurnel heette, heeft geen baardje, draagt geen djellaba (islamitisch gewaad) en geeft de verslaggeefsters zonder schroom een hand. Ibrahim, felle blauwe ogen, lange rode baard, zegt dat hij geen vrouwen mag aanraken van zijn geloof. ‘Dat is niet minachtend bedoeld. Ik heb juist veel respect voor vrouwen. Mijn zusjes bijvoorbeeld zie ik als diamantjes. Ik wil niet dat iedereen daaraan mag zitten.’

Ismail kwam op zijn 6de vanuit Curaçao zonder ouders naar Nederland. Hij ging bij kennissen wonen. Hij was wel op zoek naar ‘iets van een geloof’, maar het kwam er nooit van. Hij werkte in de paprikakassen in ’s Hertogenbosch, ging veel om met Marokkanen en leerde vooral de onderlinge saamhorigheid, de broederschap, waarderen. Hij rookte en dronk en was ‘geen lieverdje’, zegt hij. ‘Er waren dagen dat ik geen werk had en dan ging stelen.’ Tijdens zijn werk in de kassen vertelde een Marokkaanse collega over zijn geloof. Ismail wilde meer houvast in zijn leven en kreeg behoefte naar de moskee te gaan. ‘Maar ik durfde niet. Het is een hele grote stap. Ik wist niet of ik geaccepteerd zou worden.’

Islamitisch getrouwd

Een Marokkaanse kennis nam hem mee naar de As Soennah-moskee. Ismail werd warm omhelsd door ‘broeder’ Faouzi, een soort conciërge die zeer actief is in de moskee. Ismail: ‘Ik vergat mijn angst en heb meteen de getuigenis afgelegd. Dat was in maart. Ik ga nu vaak naar de moskee, leer elke dag weer nieuwe dingen. Wat wel en niet mag. Ik steel, rook en drink niet meer, ga niet meer uit.’

Zijn Hollandse vriendin, met wie hij samenwoonde, is door hem ook in de islam geïnteresseerd geraakt. Zij is in mei bekeerd. ‘Meteen de eerste keer dat ze hier in de moskee kwam, heeft ze shahada gedaan. We zijn diezelfde dag islamitisch getrouwd door broeder Faouzi. Want samenwonen is niet toegestaan in de islam.’

Hij en zijn vrouw zijn nog lang niet zo ver als ‘broeder’ Ibrahim, zegt Ismail verontschuldigend. Hij had bijvoorbeeld een baardje (moslims die de zuivere islam aanhangen streven ernaar precies te handelen en er uit te zien als de overleveraars van de profeet), maar heeft dat vanwege zijn werk afgeschoren. ‘Niet omdat ze geen baard toestaan, maar vanwege de veiligheid.’ Hij is installatiemonteur, moet kabels trekken en draagt daarbij een gasmasker. Een baard zit dan in de weg. Maar Ismail beseft dat als hij 100 procent voor zijn geloof had gekozen, zoals Ibrahim doet, hij zijn werk had moeten opgeven.

Elke zondag naar de kerk

Ibrahim, die christelijk is opgevoed en als kind elke zondag naar de kerk ging, heeft vanwege zijn islamitisch uiterlijk zijn baan verloren. Hij weet dat zeker, al gooit zijn werkgever het op ‘verstoorde arbeidsverhoudingen’. Hij weigert concessies te doen. ‘De islam is de kern van mijn leven, de rest drapeer ik erom heen.’

Ibrahim is nooit echt op zoek geweest naar zijn identiteit of zijn geloof, zegt hij. Zijn reizen naar Marokko, waar hij drie keer is geweest met een Marokkaanse vriend, hebben bij hem een snaar geraakt. ‘Ik voelde me er meteen thuis, alsof ik een van hen was. Zo warm was het, veel minder kil dan in Nederland.’ Tot de islam brachten die bezoeken hem niet. Bij hem kwam het islamgevoel plotseling op, als ‘een influistering’. De maanden voorafgaand aan dat moment in mei 2004, dacht hij na waarom hij als christen niks aan het geloof deed en niet bad.

Op een nacht, bij volle maan, was hij ineens gaan bidden. ‘God laat mij zien welke weg ik moet bewandelen.’ En Allah wees hem de weg. Hij weet nu, de islam is compleet en volmaakt, is wetenschap en economie tegelijk. ‘De koran is geen boek van 1400 jaar geleden, maar is up to date, is op elke tijd toe te passen.’

Ibrahim klopte aan bij een Marokkaanse buurman, deed de shahada in Leiden en kwam uiteindelijk terecht in de als radicaal te boek staande As Soennah-moskee. ‘Ze zijn zeer actief op internet, doen veel voor jongeren, geven lezingen in het Nederlands.’

Daar is hij nu elke dag te vinden. Zijn honger naar kennis over de islam is niet te stillen. Ook hij is druk bezig ‘punten te verzamelen’. ‘Hoe meer ik gehoorzaam aan de regels van de islam en probeer het welbehagen van Allah te zoeken, hoe hoger ik in het paradijs in de hiërarchie zal stijgen. Het zou oneerlijk zijn als iedereen, of hij nu goed doet of niet, in het paradijs dezelfde beloning krijgt.’

Net als de Bredase vrouwen heeft Ibrahim steeds meer moeite met de westerse maatschappij. ‘Spullen kan je in je hand houden, niet in je hart. Ik gruw van het wezenloze consumentisme.’ En: ‘Moet je kijken hoe ze hier met bejaarden omgaan. We stoppen ze weg in tehuizen, kinderen komen nauwelijks meer op bezoek.’ Sinds hij moslim is, is hij veel inniger met zijn moeder. ‘Ik neem bloemen en cadeautjes voor haar mee. Dat moedigt de islam aan.’

Enigszins in verwarring is hij over een passage in het boekje Raadgevingen voor nieuwe moslims, dat door de omstreden El Tawheed-moskee in Amsterdam is uitgeven en ook in de As Soennah te koop is. Daarin staat dat moslims geen genegenheid mogen koesteren voor christenen, joden en andersdenkenden.

‘Ik denk dat bedoeld wordt dat als ze Allah uitschelden, je dan niet met ze als vriend mag omgaan.’ Maar hij heeft, zegt hij, onvoldoende kennis om die passage precies te duiden. ‘Daarvoor moet je bij de imam zijn.’

Ibrahim heeft zichzelf thuis Arabisch geleerd, wil in de toekomst verhuizen naar een islamitisch land. Hij wil weg van de haast- en stress-maatschappij. ‘Haast komt van Satan.’ Hij wil zich in alle rust in een islamitisch land op het hiernamaals voorbereiden.

Hennie Huisman

Ook de vrouwen uit Breda willen op termijn naar een moslimland. Rabi’a: ‘Niet eens zozeer vanwege mijzelf. Ik ben bang voor de toekomst van mijn kinderen.’ Ze heeft drie zoontjes van 4, 6 en 9 jaar. ‘Met 9 jaar is verkering al heel gewoon. Hennie Huisman vraagt op tv een prulletje van 6 of zij al verkering heeft. Meisjes van 12 hebben seks. Daar stoor ik me aan. Alles mag maar in Nederland: roken, drinken, seks. Ik ben bang dat als mijn zoon 15 is en alle kinderen uit zijn klas naar de disco gaan, ik hem niet kan tegenhouden.’

Zolang de vrouwen Nederland nog niet hebben verlaten, proberen ze onislamitische situaties zoveel mogelijk te mijden. Jamila: ‘Alleen op straat kom ik niet-moslims tegen en als ik thuis bij mijn familie op bezoek ga. Ik vind het best vervelend mij tussen niet-moslims te begeven.’

Neeltje, die pas zes weken officieel moslim is, twijfelt over een vertrek. Het lijkt haar wel fijn in een land te wonen waar de islam normaal is en ze gewoon vijf keer per dag kan bidden. Maar ze weet niet of ze haar familie en vriendinnen wel kan missen.

Ayesha kan, vanwege persoonlijke omstandigheden, voorlopig niet afreizen naar een moslimland. ‘Maar’, zegt ze monter, ‘de agressie hier en de drempels die worden opgeworpen om islamitisch te leven, maken ons alleen maar sterker. We moeten hier zoveel doen voor ons geloof, dat we straks in het paradijs vast extra worden beloond.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden