Grote woorden

Heinrich Heine noemde de componist Giaochino Rossini (1792 - 1868) 'de zwaan van Pesaro'. In dat Italiaanse stadje werd onlangs het zeventiende Rossini-festival gehouden....

Van Rossini is een dodelijk commentaar bekend: 'Wagner heeft mooie momenten, maar afschuwelijke kwartieren'. (Mark Twain: 'Wagners muziek is beter dan die klinkt'.) Veel eerder leed Rossini zelf onder kritiek van een oudere collega. Beethoven: 'Rossini zou een groot componist zijn geworden als zijn leraar hem genoeg op zijn broek had gegeven'. De 'zwaan van Pesaro' was inderdaad lui. Als een velletje met een aria van zijn bed viel, schreef hij liever een nieuw dan het op te rapen.

Kunstenaars hakken graag op hun collega's, hoewel ze eigenlijk blij zouden moeten zijn met de verrijking die grote vakbroeders opleveren. Maar het zijn concurrenten op een kleine markt en rivalen in de strijd om een snippertje roem. En vaak ook verraders van de Ware Kunst, omdat ze een andere richting aanhangen.

Soms zijn de tegenstellingen functioneel. Alfred Hitchkock ontkende ooit gezegd te hebben dat acteurs 'vee' zijn. 'Ik zei dat ze als vee behandeld moeten worden.' Dorothy Parker werd juist door haar azijnhoudende humor beroemd. Over de bejubelde filmactrice Katherine Hepburn zei ze dat deze 'het hele register van haar emoties doorliep van A tot en met B'. Over een zojuist verschenen boek: 'Dit is geen roman om lichtjes terzijde te leggen. Het moet met grote kracht geworpen worden'. Parker had geen teer hart. In 1933 werd haar de dood van ex-president Calvin Coolidge gemeld. Ze vroeg: 'How could they tell?'

President Harry Truman was soms te levendig. Hij moest in 1950 met moeite afgehouden worden van fysiek geweld tegen de muziekcriticus van de Washington Post, Paul Hume. Deze man schoot ruimschoots tekort in respect voor de zangkunst van Trumans geliefde dochter Margaret. Hij schreef zijn bezwaren ook nog op: 'Er zijn een paar ogenblikken tijdens haar recital dat je er ontspannen op kunt vertrouwen dat zij haar doel bereikt, dus het einde van het lied.'

Als politici elkaar neerhalen is dat meestal functioneel met het oog op de volgende verkiezingen. Bovendien hebben ze bijna altijd dikkere huiden dan kunstenaars. Maar soms gaan hun strijdmethoden wel erg ver. Zoals die van president Herbert Hoover in 1933, die bij een overwinning van de Democraat Franklin Roosevelt voorspelde: 'Het gras zal groeien in de straten van honderd steden'. Roosevelt won en pakte, anders dan Hoover, de crisis flink aan.

Tegenstanders van Winston Churchill hadden het onprettig. In de jaren dertig vertelde hij hoe hij als kind graag een hogelijk elastisch mens, The Boneless Wonder, op de kermis had gezien. Maar zijn ouders verboden het en hij moest vijftig jaar wachten voordat hij eindelijk het wonder zag: minister-president Ramsay MacDonald (die inderdaad nogal elastisch met het socialisme en Labour omging).

Churchill maakte ook veel grappen over een latere Labour-premier Clement Attlee. 'Een bescheiden mens, die veel heeft om bescheiden over te zijn'. Of: 'Een schaap in schaapskleren'. Minstens zo fraai was zijn commentaar op een Labour-ruzie toen Attlee in het buitenland verbleef: 'Als de muis van huis is, dansen de katten op tafel'.

Churchills voorganger Benjamin Disraeli behandelde in de vorige eeuw zijn grote rivaal William Gladstone nog krachtiger. Als deze in de Thames zou vallen, zou dat 'onfortuinlijk' zijn. Maar als iemand hem dan eruit zou halen 'een ramp'. Gladstone schreef een boze brochure over de Turkse gruwelen in Hongarije, maar Disraeli (toen premier) noemde het moeten lezen van die brochure de grootste van deze gruwelen.

Rivaliteit is vaak mooier dan het klinkt. De historicus C.W. de Vries schreef: 'Het is voor elken grooten staatsman een gemis wanneer hij geen evenwaardig tegenspeler heeft. Zoo was de dood van Nolens een verlies voor Colijn. Groen was wel theoretisch maar niet op het gebied der praktische politiek een voldoende tegenspeler voor Thorbecke.'

Zo heeft menigeen al schimpscheutend (Van Agt over 'Ome Joop' en omgekeerd) veel aan diens belangrijkste rivaal van het moment te danken. De latere Colijn en de latere Lubbers hadden inderdaad te weinig tegenspel om tot volle hoogte te groeien. Evenals Lenin na de Russische revolutie.

Een SDAP-kamerlid vroeg in 1918 aan de militante liberaal Visser van IJzendoorn: 'Wat zou u doen als u Lenin was?'. Het antwoord luidde: 'Dan zou ik je tot mijn hofnar aanstellen, amice'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden