GROTE WOORDEN

DE ATJEHERS hebben Ramadan, 'overdag vasten en 's nachts eten'. Hollandse soldaat: 'Dan hebben wij het beter bekeken. Overdag eten en 's nachts zuipen'....

Historisch en cultureel gevoelig en sfeervol. Er is wel gemopperd over traagheid en knullige actiescènes. NRC Handelsblad: 'Een middelmatige Amerikaanse regisseur brengt het overtuigender in beeld.' Wellicht, maar het is prettig om op een van al die netten eens niet Amerikaanse middelmaat te zien.

De vrolijke bloeddorst van die volop imperialistische tijd rond 1900 blijkt. Een soldaat over vijandige 'benden': 'In zulke kleine mootjes. Met een sausje van sambal erover.' Een kapitein Graafland moet destijds een bevel gegeven hebben: 'Gij moet als dollen op de Atjehers instormen.' Het lied van de marechaussee, waarschijnlijk gemaakt door een Ambonees: 'Slaat erop, marsosé, voor een dode komen er tien in de plaats.' Bij een 'Groote Belabbering', de omsingeling en bestraffing van een 'gampong' (dorp) was de marsosé tamelijk veilig, dankzij het alles wegmaaiende machinegeweer.

Een luitenant Kempees: 'Het bleek dat onder de menschenhoopen nog 61 kinderen ongedeerd konden worden voor den dag gehaald. In zo'n geval komt het goede hart van den soldaat weer boven. Aardig was het om te zien met welke zorg de marechaussées deze kleinen behandelden. Als een staaltje van fanatisme moge hier verteld worden, dat eene lichtgewonde moeder eerst haar ongedeerd kind en daarna zichzelve met een paar rentjong-steken in den buik het leven benam; een treurig bewijs hoeverre opgezweept fanatisme de normale menschelijke gevoelens kan ontaarden.'

Dubbele moraal. De tegenstanders waren fanaat en wreed, ook voor hun eigen landslieden, terwijl de Hollandse en de Indo-soldaat 'iets groots' verrichtten. Ook Wilhelmina was bang dat zij niet genoeg gedecoreerd zouden worden. Kolonel M.H. du Croo: 'En de lezer die dit verhaal in de rustige rust van een rustige omgeving leest, denke zich ook één kort ogenblik in die nachtelijke bivaks, op een grindplaat of op de rotsblokken van een onbegaanbare aloeë, de honger, de kou, de eindeloosheid van zo'n regennacht (. . .) en hij erkenne de eenvoudige grootheid van deze zoo eenvoudige kleinen.'

Een kleine minderheid in de Tweede Kamer - SDAP, enkele links-liberalen en de conservatieve katholiek Victor de Stuers - deed dat allerminst. De laatste toornde vanaf 1904 steeds weer tegen moordpartijen met 'repeteergeweer'. In 1910 zei hij 'dat het Atjehse knekelhuis in de laatste tien jaar bereikt heeft een totaal van 21.324 geraamten, waaronder enige duizenden van vrouwen en kinderen.'

Een jaar later zag hij een kleinere stijging. 'De voorraad wild begint uit te dunnen. . . daar moeten de heeren niet om lachen, want het is een afschuwelijk feit' Over het 'fanatisme' van de Atjehse strijders wilde hij niet horen. 'Ik raak de beteekenis van onze taal kwijt; op school leerde men mij dat zoo iets heet vaderlandsliefde.'

De Stuers kreeg in de Kamer weinig gehoor en het is curieus hoe de ethisch hoogstaande (CHU-oprichter) De Savornin Lohman het probleem oploste: 'Ons legerbestand moet zorgen dat er veiligheid zij op heel Sumatra. Men kan dat noemen imperialisme, of niet, maar het kan niet anders.'

En later: 'Wanneer wij die menschen door middel van geweld willen onderwerpen, niet aan onze heerschappij, maar aan het gezag van recht en orde, dan heiligt dit doel alle middelen.' Van Heutz, die in 1907 gouverneur-generaal werd, zei toen: 'Waar militaire macht moest ingrijpen en menschenlevens door het zwaard teloorgingen, is kalme berusting in het onvermijdelijke geoorloofd.'

Atjeh was langdurig en hevig, maar in wezen niets nieuws. In de Max Havelaar (1860) komen 'Lampongsche rebellen' voor op de zuidkust van Sumatra. Deze vormden ook een toevluchtsoord voor steeds van hun buffels ('kerbau-kerbau') beroofde Javanen. Multatuli eindigt zijn sobstory Saïdjah en Adinda in zo'n rebellendorp, 'dat pas veroverd was door het Nederlandsche leger, en dus in brand stond'.

'En weinig tijds later was er te Batavia groot gejubel over de nieuwe overwinning die weer zoveel lauweren had gevoegd bij de lauweren van 't Nederlandsch-Indische Leger. En de Landvoogd schreef aan het Moederland dat de rust in de Lampongs hersteld was. En de Koning van Nederland, voorgelicht door zijn Staatsdienaren, beloonde wederom zoveel heldenmoed met ridderkruisen.' Er stegen 'uit de harten der vromen dankgebeden ten hemel, bij het vernemen dat de Heer der heirscharen weer had meegestreden onder de banier van Nederland.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.