Grote woorden treffen geen doel

Stilte. Alsof ik, zoals die Chinese trein laatst in Binnen-Mongolië, op topsnelheid een metershoge berg sneeuw ben binnengereden en radicaal tot halt ben gekomen in een oogverblindend wit gat....

In 1940 schreef de dichter W. H. Auden een lange nieuwjaarsbrief – New Year Letter – die begon met de beschrijving van zijn winterstemming. ‘Under the familiar weight / Of winter, conscience and the State, / In loose formations of good cheer, / Love, language, loneliness and fear’

En dat geeft ook mijn winterstemming aan. Hier sta ik, gebukt onder het verzamelde gewicht van de Nederlandse staat en mijn persoonlijke geweten, aangeblazen door een vreemde mengeling van liefde, blijmoedigheid, eenzaamheid en angst. Wat te zeggen? Wat te doen?

W. H. Auden denkt nog even verder. ‘Our reflections turn about/ A common meditative norm/ Retrenchment, Sacrifice, Reform’ Nou, nou, zeggen zijn geleerde critici van achter hun brillenglazen en beeldschermen, nou, nou, grote woorden voor een dichter. Bezuiniging! Offer! Hervorming! Kan Auden de dingen niet wat kleiner houden?

Dat is wat critici en docenten van schrijfcursussen altijd zeggen, en ze hebben gelijk, grote woorden en abstracties treffen geen doel. Schrijf liever concreet en stoffelijk. Schrijf koek en zopie, villa aan de Marina Black Sea Riviera, scheuvelen op ’t Auwerderdaip, kapotte ruiten in Culemborg, schrijf kleine meisjes in Irak. Wat dragen die meisjes voor jurkjes op hun eerste schooldag? Wat willen ze later worden als ze groot zijn?

Maar dat is precies wat Auden ook wil, nu hij eenmaal vanuit Europa in Amerika is aangekomen. Weg van de pretentie en het pessimisme; de toekomst in, snoeien, offeren, hervormen.

En dan niet met de megalomanie van grote mannen, maar door simpelweg zelf iets te doen waar de wereld van opknapt. Het is voor een intelligent dichter na lang nadenken een bescheiden conclusie: dat poëzie kan oproepen tot moed en handelen.

Kalmte in plaats van chaos, inzet in plaats van zonde, moed in plaats van zelfzuchtigheid: Auden kiest er wel een raar tijdstip voor uit, natuurlijk, en een rare plek om zijn visie te ontvouwen. Zelf zit hij aan de veilige kant van de oceaan, en hij zal dan ook nog lang blijven worstelen met zijn rol en zijn taak in het leven: moet hij niet terug naar Engeland en zich aanmelden bij het leger? Niettemin heeft hij ook vanuit Amerika wel iets te bieden: de dichterlijke aandacht voor de bijzonderheid van elk afzonderlijk leven.

Als ik Audens nieuwjaarsbrief te voorschijn haal, op dit moment, dan is het vanwege een passage over statistiek en het grote gevaar van generalisering: tel mensen bij elkaar op, breng hun miljoenen individuele levens terug tot een statistiek, en ze vormen een afschrikwekkende macht – de gruwelijke Leviathan.

‘The average of the average man / Becomes the dread Leviathan,/ Our million individual deeds,/ Omissions, vanities and creeds,/ Put through the statistician’s hoop, The gross behaviour of a group.’

Goed, nu moet u me maar geloven als ik zeg dat ik niet met dit citaat kom aanzetten om een luidruchtige link te leggen tussen onze eigen tijd en Audens tijd. Zo platvloers moet je de dichter niet lezen. Het gaat me hier om de rol van de commentator en de vraag wat die kan doen om het leven draaglijker te maken.

Mensen onderbrengen in gemiddelden is in ieder geval niet de beste bijdrage aan het oplossen van problemen. Integendeel, het gemiddelde vormt zelf het probleem.

De kwestie is dat ik, net als Auden, de laatste tijd steeds heviger twijfel aan de functie van de commentator: aan het deftige opiniëren in de oude media, aan het driftige opiniëren in de nieuwe media, aan mijn eigen opiniërende rol. Bij het duiden op afstand gaat zoveel verloren: inderdaad vallen alle bijzonderheden van het menselijk leven weg. Bovendien los je met abstract commentaar de problemen niet op, je verandert alleen de tijdelijke stemming, en meestal niet ten goede.

Een keerpunt voor mij was het commentaar dan ik aan het begin van het nieuwe jaar las over de angsten van burgers. In de NRC stond een stuk over onderzoek te Sassenheim. In de jaren vijftig waren Sassenheimers geënquêteerd naar hun leven en welbevinden. ‘Drie van de vier mensen waren bang voor de Russen en voor een nieuwe wereldoorlog, maar dat zeiden ze pas als de enquêteurs ernaar vroegen.’

In een nieuwe, recente enquête waren weer andere angsten gevonden: ‘Angst voor Marokkanen, voor moslims in het algemeen. Maar net als in de jaren vijftig: niemand begint er uit zichzelf over.’ Toen ik dit las, dacht ik dat alle alarmbellen toch hadden moeten afgaan bij onderzoekers die steeds alleen angsten vinden die ze zelf eerst moeten benoemen.

Bovendien bleek de vastgestelde ‘angst’ voor Marokkanen bij nader inzien te bestaan uit boosheid over bedreigingen en berovingen; een andere emotie, lijkt me, dan angst voor verre en onbekende Russen. Toch luidde de kop: ‘Vroeger bang voor Russen, nu voor Marokkanen’. Er ging een suggestie van uit die er vooral was ingestopt door de duiders.

Al met al geloof ik steeds minder in het duiden van de maatschappij; in het diepst van mijn vertwijfeling zette ik de televisie aan, viel in een programma van de Organisatie Hindoe Media, OHM, en hoorde een vrouw zeggen: ‘Vind je plicht en doe hem.’

Zo komt het dus dat ik me voel als in een gestrande trein, deuren vastgevroren, ramen buigend onder het gewicht van sneeuw. Nadenkend over mijn plicht, kijk ik omhoog en ik beloof: als ik hier uit kom, dan

Ja, dan wat?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden