Grote kleine geschiedenis

Ze komt uit een bekende familie, Marja Vuijsje. Een joodse familie, door de oorlog getekend. Toen ze het verhaal ervan ging optekenen, werd dat een geschiedenis van de Joden in Nederland.

Tijdens het interview in Marja Vuijsjes Amsterdamse bovenwoning, met uitzicht op het Waterlooplein, wordt beneden aangebeld. 'Een doos met tweede drukken', meldt de schrijfster monter als ze terug is. Nu al een nieuwe druk van Ons Kamp, terwijl het boek, met de ondertitel 'een min of meer joodse geschiedenis', pas twee weken uit is. Blijkbaar willen mensen het verhaal over de familie Vuijsje lezen.

Ons Kamp vertelt de geschiedenis van het achtkoppige bakkersgezin van Isaac Vuijsje en Schoontje van Beetz in Amsterdam. De ouders, zoon Louis en dochter Alida kwamen in de oorlog om in concentratiekampen.

Vier zonen overleefden de Tweede Wereldoorlog. Onder hen was Marja's vader Nathan, die in Auschwitz, als begenadigd trombonist, werd geselecteerd voor een kamporkest en relatief mild werd behandeld. Ook Flip - vader van de toonaangevende publicisten Bert, Herman en Flip jr., tevens de grootvader van onder meer schrijver Robert (Alleen maar nette mensen) -maakte deel uit van het gezin.

Het verhaal omspant de 20ste eeuw en het heden en voert van Amsterdam naar Israël, waar Marja's oudere broer woont en haar neefje Yoni. Die laatste gaf haar door zijn nieuwsgierigheid naar zijn voorouders mede de aanzet het boek te schrijven.

'Het is een familiegeschiedenis, maar', zegt Vuijsje, 'ik hoop wel dat ik erin ben geslaagd het individuele verhaal te overstijgen. Mensen hebben soms de neiging mij aan de borst te koesteren: Ach God, dat arme kind. Maar het is me niet om medeleven begonnen. Ik vertel het verhaal omdat alle manieren van doodgaan in de oorlog of te overleven in de familie Vuijsje aan bod komen. Onderduik, vergast worden, het kamp overleven. Ik wil het grote laten zien door het kleine te vertellen.'

Een pittige titel, Ons Kamp.

'Ik liep er al jaren mee in gedachten. Ik geef toe, ik wilde een beetje schoppen. In de familie is hij slecht gevallen, neef Bert vond hem verschrikkelijk. Maar er zit mooie ironie in. Een antwoord op Hitlers Mein Kampf. En op de neiging van mensen, politici voorop, om zich Auschwitz toe te eigenen. Auschwitz is een duizenddingendoekje geworden. De term komt altijd van pas als je naar iets heel ergs wilt verwijzen. Het kamp is van iedereen.

'De titel verwijst ook naar de periode van voor de oorlog, toen mijn ooms enthousiaste deelnemers waren aan de AJC-kampen van de socialistische jeugdbeweging, en Duitsland nog gold als het voorbeeldland: de beste boeken, de mooiste muziek, het modelsocialisme kwamen er vandaan. En voor mij is 'Ons Kamp' ook zo dierbaar omdat het weerspiegelt hoe mijn vader en ik over de oorlog spraken. Als we op tv keken naar de herdenkingsplechtigheden in mei, gaf hij altijd ironisch commentaar: 'Zo zo, nou, dat is maar weer mooi gezegd. We hebben weer een hoogtijdag.'

'Hij had, net als ik, een afkeer van opgelegde plechtigheid, aan rituelen zonder inhoud. Vergelijk het met katholieken die alleen met Kerst nog naar de mis gaan. Er zit vaak zo weinig ónder dat herdenken, het is oppervlakkig. Waarmee ik niet wil zeggen dat het herdenken moet worden afgeschaft. Auschwitz is geen geschiedenis van de Joden, maar van de mensheid.'

Je vader praatte dagelijks over zijn kampervaringen.

'Mijn vader was een lieve, en in veel opzichten open en warme man. Elke dag vertelde hij over het kamp. Voor mij als klein kind waren het bijzondere sprookjes, die altijd eindigden met zijn overwinning op Hitler. Zo vertelde hij erover: hij had van de nazi's dood gemoeten, maar hij overleefde ze, hij kwam terug met de trein op Amsterdam Centraal. Dat was een euforische ervaring.

'Hij praatte er altijd over, ook met bezoek. En verzon ook dingen. Dat hij in 1939 gemobiliseerd was en met een geweer met een kromme loop vanonder een afdakje Duitse vliegtuigen uit de lucht schoot. Hij kon mooi zingen, dat deed hij er ook nog bij.

'Toen ik 10, 11 was, ging ik me voor hem schamen en ben ik me geleidelijk gaan afsluiten voor die verhalen. Ik heb me gebarricadeerd, net zoals mijn oom Flip, die altijd zweeg over zijn oorlogsherinneringen. Ik was overvoerd geraakt en hoefde niets meer te weten. Nog tot ik aan dit boek begon te werken, drie jaar geleden, had ik me nooit serieus verdiept in boeken over de oorlog of de shoah.

'Toen ik ouder werd, had mijn vader het er op verjaardagen nog altijd over, en mijn vriendinnen vonden het ook interessant om te horen. 'Is de plaat weer blijven hangen', zei ik dan. Ik kon de verhalen woordelijk meevertellen. Omdat hij zo'n massief, afgerond verhaal had - ik heb in het kamp gezeten, maar ik heb de oorlog overleefd - heb ik ook heel lang gedacht dat hij van mei 1940 tot mei 1945 in het kamp zat. Veel later ben ik me gaan realiseren dat hij pas in 1944, met het laatste transport uit Westerbork, in het kamp is gekomen.'

Het was een vorm van bezweren. Je schrijft dat hij er weinig emoties bij toonde.

'Zeker, het verhaal hield hem op de been. Het was zijn mantra, zijn manier om een verdedigingsmuur op te werpen. Over de schaamtevolle zaken sprak hij niet. Over het feit dat zo veel Joden uit deze omgeving, het Waterlooplein, al waren afgevoerd terwijl hij nog gesperrt was: hij had van de Joodsche Raad voor zolang het duurde vrijwaring gekregen van transport, omdat hij nog nodig was in de bakkerij die bakte voor het getto.'

Waarom was dat zo schaamtevol?

'Hij was zelf een jongen uit het getto. Hij was heel sociaal, had nooit hiërarchisch ontzag. Hij heeft door het succes van de bakkerij die zijn vader in 1936 op de Weesperstraat opende, kunnen klimmen op de maatschappelijke ladder. Hij is altijd verwantschap blijven voelen met de arme jongens met wie hij vroeger in het getto op school had gezeten. En juist de gewone mensen, bij wie hij zich thuisvoelde, waren allemaal weggevoerd.

'De ondertitel, een min of meer joodse geschiedenis, verwijst er ook naar. Voor een deel is het de geschiedenis van de sociale beweging van voor de oorlog, die met mijn Joodse familiegeschiedenis is verweven. Daarover werd in de familie Vuijsje heel weinig gesproken, terwijl die periode juist zo succesvol was. Veel Joden hingen in de vooroorlogse jaren wel aan hun tradities, maar waren weinig religieus. Ze maakten dezelfde ontwikkeling mee als de niet-Joodse arbeidersklasse. Betere huisvesting, meer scholingsmogelijkheden. Ze hadden een achteraf naïef gebleken geloof in de toekomst.'

Je schrijft dat de herinneringen aan de vooroorlogse tijd zijn bedekt met de as van Sobibor. Hoe bedoel je dat?

'Alle Joodse levens, het geluk dat mensen hebben beleefd, hun ups en downs, hun verliefdheden, zijn met terugwerkende kracht gereduceerd tot het verschrikkelijke dat hen in de oorlog is overkomen: de gaskamer. Dat is het publieke beeld van de Joodse oorlogsslachtoffers. Treurig en clichématig. Met Ons Kamp wil ik dat beeld rechtzetten, een meer down to earth voorstelling van zaken geven.

'Mijn neef Herman heeft de theorie dat de opgelegde plechtigheid over de jodenvervolging bij de Nederlanders voortkomt uit het enorme schuldgevoel over het feit dat zo veel Joden zijn weggevoerd. Ik geloof dat niet. Ik denk dat het de meesten het niet zo veel kon schelen, iedereen heeft zijn eigen gedoetje. Ik zeg dat zonder verwijt. In de oorlog was 5 procent actief in verzet, 5 procent fout, en de rest zat daartussenin. Zo gaat het in elke samenleving. Er is veel grijs, om met de historicus Chris van der Heijden te spreken.

'Er doen veel clichés de ronde over hoe de Joden die de vervolging overleefden hun ervaringen hebben verwerkt. Mijn vader ging bepaald niet een leven lang gebukt onder schaamte en schuldgevoel. Alles had een bitterzoete bijsmaak, dat wel. Maar hij had iets wat veel Joodse overlevers ook kenmerkt: het vermogen uit het leven te halen wat erin zit. Intens te genieten van een gebakje, je concentreren op het goede en het fijne - vooral op eten.

'Hij stond in de familie bovenaan in de hiërarchie van het leed. Hij had als enige het kamp overleefd, dat maakte hem bijzonder. Als hij op een feestje met andere overlevenden over het kamp praatte, schaamde oom Jaap zich. Die liep dan weg, omdat hij alleen maar ondergedoken had gezeten. Nog zoiets geks: na afloop van familiebijeenkomsten werd mijn vader als enige altijd met de auto naar huis gebracht. Waarom? Had denk ik ook te maken met een soort compensatie voor Auschwitz.'

Je schetst in Ons Kamp ook de golfbewegingen in de wijze waarop analoog aan de tijdgeest Joodse overlevenden werden bejegend.

'In de naoorlogse jaren heerste er een mentaliteit van: niet zeuren, aanpakken, want we zijn allemaal gelijk. Natuurlijk wisten de Joden wel dat dit niet zo was, ze hoefden maar te denken aan verdwenen familieleden.

'Dat, en de AJC-mentaliteit van voor de oorlog heeft er in Joodse kring overigens wel toe geleid dat bijna iedereen is doorgedrongen tot de, vaak hogere, middenklasse. Dat weerspiegelt ook de mentaliteit van het beste uit je leven halen.

'In de jaren zestig veroorzaakte vooral het proces tegen Eichmann in Israël een schok bij het grote publiek. Door de getuigenissen drong pas echt door wat er was gebeurd. Toen weer wat later de welvaart toenam en er ruimte kwam voor persoonlijke ontplooiing, was er een proces van psychologisering. Mede onder invloed van de tv-documentaire uit 1972 over psychiater professor Bastiaansen werden alle joden als oorlogsslachtoffer beschouwd. In die documentaire, Begrijpt u nu waarom ik huil?, werd een patiënt met kampsyndroom van Bastiaansen getoond die, onder invloed van lsd, de mishandeling door een bewaker schreeuwend en huilend herbeleefde.'

Dat maakte op veel mensen diepe indruk.

'Het was ook heel dramatisch, maar tegelijk zag ik dat bijvoorbeeld mijn vader niets met de psychologie van de oorlog te maken wilde hebben. Na de oorlog was mijn vader geen heel ander mens dan ervoor. Ischa Meijer heeft het eens mooi verwoord over wat het concentratiekamp zijn ouders heeft gedaan: 'Ze waren na de oorlog niet neurotischer dan ervoor. Maar in het kamp hadden ze wel bijgeleerd.' Dat sprak me erg aan. Natuurlijk hebben mensen trauma's opgelopen. Maar het is mode geworden om te zeggen dat iedereen getraumatiseerd was.'

Niet iedere Jood die onder de oorlog geleden heeft, is beschadigd?

'De vraag is niet zo interessant. Wel: wat heeft iemand gedaan om verder te kunnen in het leven? Met welke mechanismen heeft men de moed erin gehouden. In de Joodse gemeenschap was flink doen een constante. Psychisch leed is heel lang afgedaan als een zwakte. Dat veranderde in de jaren zeventig. Toen waren de meeste joden die de oorlog als volwassene hadden meegemaakt een jaar of 50, 60, een leeftijd waarop je toch al meer gaat terugblikken op je leven.'

Je beschrijft de lotgevallen van je familie heel ingehouden.

'Ik nam Bernard Haitink tot voorbeeld, toen hij een grote operazangeres becommentarieerde die bij een dramatisch lied een snik in haar stem had. Niet doen, zei Haitink. Je moet zo zingen dat je niet jezelf, maar anderen laat huilen. Om gevoel over te brengen, moest ik lucht scheppen. Het mocht niet larmoyant worden. Sommige zaken wilde ik ook niet beschrijven, hoewel ik best weet hoe die zijn gegaan. De gang naar de gaskamers bijvoorbeeld van mijn grootouders, daar zwijg ik over. Ook omdat ik vind dat ze recht hebben op een zekere privacy. Hoe ze zich moesten uitkleden, terwijl ik zeker weet dat ze zich nooit bloot zouden willen tonen, dat was te erg.'

Een paar jaar nadat ze aan het Waterlooplein was komen wonen, is Vuijsje begonnen aan Ons Kamp. 'Toen ik de eerste hoofdstukken schreef, over het vooroorlogse leven hier in de buurt, en over de bakkerij van mijn grootouders aan de Weesperstraat, vond ik het vreselijk om naar buiten te kijken. Alleen maar treurigheid. Nu kan ik gelukkig weer in 2012 leven.'

Ze prijst zich gelukkig met de lovende reacties van haar familie ('Afgezien van de titel dan'), en de grote schrijvers daarin, door wier talent ze zich tijdens het schrijfproces niet wilde laten intimideren. 'Ik had voorheen nogal wat afstand tot mijn familie - wie had gedacht dat ik me er nog eens zo op zou storten?'

En, hebben jullie veel gemeen?

'Een zekere levenslust, nieuwsgierigheid, zelfspot. Voor de grap zeg ik wel eens: we zijn afkomstig van de stam Levi. De Levieten zijn van oudsher muzikanten en schrijvers, en de Vuijsjes zijn daarbij te verlegen om veel te zeggen. Ze schrijven het liever op.

'Natuurlijk zijn de Vuijsjes, net als iedereen, het resultaat van de genen en van de omstandigheden waarin we opgroeiden - waarbij het getto nogal invloed heeft gehad. Wat we, behalve het taalgevoel, in elk geval gemeen hebben is dat we buitenstaanders zijn, eenlingen die nergens deel van uitmaken. We kunnen goed observeren, dat maakt ons geschikt als journalist. Een prettig, vrij beroep, bovendien. Woordvoerder van een vakbond zie ik een Vuijsje niet snel worden. Voor je het weet hebben we ruzie.'

Marja Vuijsje: Ons Kamp, een min of meer joodse geschiedenis. 336 pag; Atlas; € 21,95.

ISBN 978 90 450 1617 7

Cv:

1955Geboren in Amsterdam

1967-1971Mulo

1978-1982Sociale Academie

1980Freelance journalist voor o.m. Vrij Nederland en Opzij.

1985-1987Schrijversvakschool 't Colofon

1990Redacteur Opzij

1996-2001Werkzaam voor VARA- en NOS-radio

2008Publicatie Joke Smit, biografie van een feministe.

Nathan Vuijsje (1910-1996), Marja's vader, was tot augustus 1944 ondergedoken. Na verraad werd hij opgepakt. In september ging hij op transport naar Auschwitz-Birkenau. Een maand later werd hij als trombonist toegelaten tot het concentratiekamporkest van Auschwitz. Nadat het kamp in januari 1945 werd ontruimd overleefde hij de zogenaamde 'dodenmarsen' richting het westen en werd hij nog een paar maanden gevangen gehouden in Dachau.

Flip Vuijsje (1913-2004) was met een niet-joodse vrouw getrouwd en geloofde ook niet dat gemengd gehuwden ongemoeid zouden blijven. Vanwege onduidelijke verordeningen die erop wezen dat kinderen uit gemengde huwelijken als 'voljoods' beschouwd zouden worden, gingen Flip en zijn vrouw in de zomer van 1943 scheiden. Ze hadden een zoontje en dachten hem op die manier te beschermen. Omdat hij geen ander onderduikadres kon vinden, hield Flip zich uiteindelijk verborgen bij zijn eigen vrouw in Amsterdam-Oost.

Jaap Vuijsje (1920-2010) werkte net als Bram met een vals persoonsbewijs in de Noordoostpolder. Tijdens een razzia in de polder die werd gehouden om mannen te ronselen voor de Arbeitseinsatz werd hij opgepakt en meegevoerd naar Maastricht. Daar wist hij te ontkomen en een onderduikadres te vinden. In september 1944 maakte hij er de bevrijding mee.

Bram Vuijsje (1907-1985) had als gemengd gehuwde uitstel van deportatie naar het oosten 'bis auf Weiteres', maar was ervan overtuigd dat gemengd gehuwden en hun kinderen uiteindelijk niet gespaard zouden blijven. Onder een vals persoonsbewijs bracht hij de laatste oorlogsjaren voornamelijk door in Blokzijl, een van de dorpen met werkkampen voor mannen die meewerkten aan de ontginning van de Noordoostpolder.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden