Grote en kleine kwesties tussen joden en niet-joden

ONDER DE OPVALLENDE, om niet te zeggen provocerende titel Gojse nijd & joods narcisme heeft de historica Evelien Gans een essay geschreven waarin ze poogt de achtergronden te belichten van 'de (deels verhulde) woede aan joodse kant en de (deels ingeslikte) wrevel aan niet-joodse kant - kortom, de met taboes...

Het is een ambitieus, ook wel moedig en bepaald niet van pretenties gespeend project waaraan Evelien Gans zich heeft gezet. Tot mijn spijt kan ik niet aan de conclusie ontkomen dat het op een irritante mislukking is uitgelopen.

Irritant is in de eerste plaats de enorme hoeveelheid grote en kleine kwesties en kwestietjes die door Gans in vogelvlucht worden aangestipt. De rel rond de opvoering van het toneelstuk Het vuil, de stad en de dood van Rainer Werner Fassbinder. De kruistochten in de middeleeuwen. De joodse rol in de geldhandel (in het verleden). De merites van de columnist Theo van Gogh. De relletjes rond de studentenbladen Propria Cures (over een karikatuur van de joodse schrijver Leon de Winter) en Nait Soez'n. De poging tot vernietiging van het joodse volk in de Tweede Wereldoorlog. De joodse na-oorlogse generatie. De relatie van de Nederlandse joden tot de staat Israël. De verhouding tussen Nederland en Duitsland. De verstandhouding tussen Nederland en Indonesië. De vernieling door een glazenier van een monument ter nagedachtenis aan Auschwitz.

Het valt niet mee om bij een dergelijk aanbod aan qua betekenis moeilijk vergelijkbare gebeurtenissen en verschijnselen het spoor niet volledig bijster te raken. Toch vallen er met enige moeite wel wat rode draden uit het geheel te destilleren. Gans is op het spoor van haar onderzoek gezet door de in 1987 hoog opgelopen controverse over de opvoering van Fassbinder's toneelstuk over een in Frankfurt woonachtige Rijke Jood. Nogal wat Nederlandse joden achtten het stuk antisemitisch. Een actiegroep probeerde - met succes - opvoering te verhinderen. Toneelgroep en regisseur waren door die gang van zaken zeer gefrustreerd. Gesteund door een belangrijk deel van de publieke opinie betoogden zij dat de vrijheid van meningsuiting hier in het geding was; ze hadden, zoals Evelien Gans het treffend formuleert, het gevoel te moeten zwichten voor 'de dictatuur van het leed'.

Uit deze nogal onverkwikkelijke botsing leidt Gans de categorieën af voor haar verdere analyse. Aan niet-joodse kant is volgens haar in Nederland sprake van tegen joden gerichte nijd (wat een vreselijk woord), die gevoed wordt door oude en nieuwe stereotypen. Klassiek is de koppeling van het begrip jood aan 'rijk'. Er zijn ook andere: sluw, laf, achterbaks en - naar het filosemitische neigend - muzikaal. Evelien Gans betoogt dat deze stereotypen de Tweede Wereldoorlog hebben overleefd en nog met nieuwe zijn aangevuld.

Als belangrijkste daarvan noemt ze 'een al dan niet vermeende joodse monopolisering van het leed', die 'nijd en weerzin losmaakt'. Die gedachte illustreert ze aan de hand van de vete tussen Theo van Gogh en Leon de Winter. De filmer en columnist Van Gogh koestert volgens haar 'thematische nijd' jegens De Winter, die het lot van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog als een van zijn literaire inspiratiebronnen gebruikt. Die mogelijkheid heeft Van Gogh niet en dat maakt hem nijdig.

Tot zover is het betoog verhelderend. Alleen is het de vraag of Gans het fenomeen Van Gogh niet overwaardeert. Het is waar dat deze rebel without a cause (Gans) een rol speelt in intellectueel Nederland, maar eerder ondanks dan dank zij zijn obsessie met jodendom en shoah. Evelien Gans toont met dit voorbeeld aan dat anti-joodse vooroordelen in vernieuwde vorm voortleven, maar, dunkt mij, niet dat ze veel wijder zijn verspreid dan in de openbaarheid tot uiting komt. Moeite heb ik ook met de andere kant van de medaille, Evelien Gans' (zelf)kritische blik op de houding van de joodse gemeenschap. Daarvoor geldt om te beginnen dat die zo pluriform is (van ultra-orthodox tot geheel geassimileerd, met alle schakeringen daartussen) dat er moeilijk in algemene zin over kan worden gesproken. De constatering van Gans dat de Nederlandse joden gevangen zitten in een dichotomie van leed (om wat er in de oorlog is gebeurd) en trots (op Israël), nog aangevuld met nostalgie en zelfcensuur, is mij dan ook veel te schematisch.

'Maar wie was Leon de Winter', vraagt Evelien Gans zich af 'zonder zijn erfenis van de shoah, en zou hij daar werkelijk afstand van willen doen?' Met alle respect voor de goede bedoelingen van de schrijfster vind ik die vraag bijna obsceen. Het gaat namelijk niet om 'willen', maar om 'kunnen'. Elders schetst Gans overtuigend de trauma's waar ook de naoorlogse joodse generatie nog mee worstelt, zich uitend in psychische en zelfs fysieke problemen als slaap- en eetstoornissen en aanvallen van angst en paniek.

Natuurlijk doen joodse individuen er verstandig aan te proberen de invloed van dat trauma op hun leven terug te dringen (bijvoorbeeld via psychotherapie), maar waarschijnlijk is het een illusie te verwachten dat dat ooit helemaal lukt. De beste dienst die aan de door Gans gewenste 'normalisering' kan worden bewezen is daarom de erkenning van het bestaan van deze trauma's, van - om het ook eens provocerend te zeggen - een zeker 'recht op overgevoeligheid'. Dat impliceert niet dat alles wat voor joden ook maar kwetsend zou kunnen zijn (harde kritiek op Israël, Fassbinder et cetera) uit de openbaarheid moet worden geweerd. Maar een royale erkenning dat er sprake is en blijft van kwetsbaarheid, is op z'n plaats.

Veel heil verwacht Evelien Gans van nieuwe reflectie en debat over het oorlogsverleden. De joden zouden zich daarbij moeten ontworstelen aan 'leed en trots'. De niet-joodse Nederlanders zouden zich moeten buigen over vragen als: 'Heeft de Nederlandse bevolking niet heel wat gecollaboreerd? Heeft men niet de joodse medeburgers zonder veel verzet laten afvoeren?' In die benadering zie ik eerlijk gezegd weinig positiefs. Wat zou zo'n collectieve soul-searching anders kunnen opleveren dan nieuw verlammend schuldgevoel? Het is ook nogal misleidend om te doen alsof de reflectie op de oorlog nog zou moeten beginnen. De boeken van Lou de Jong, van Jacques Presser, het (door Gans zelf aangehaalde) onderzoek van Hans Blom naar de deportatie van de Nederlandse joden, tal van vaak indrukwekkende fictie-werken, ze zijn er allemaal al. Het slingeren van verwijten naar 'de Nederlanders' over collaboratie, lijkt mij een onzalig idee. Natuurlijk is tijdens de oorlog het lot van de joden anders en meestal veel dramatischer geweest dan dat van niet-joden. En natuurlijk waren niet alle Nederlanders helden. Twee kanttekeningen zijn hierbij echter van groot belang. Ten eerste hebben ook vele niet-joodse Nederlanders onder de nazi-bezetting geleden; het joodse leed was enorm, maar niet exclusief. En ten tweede was de oorzaak van de vervolging, onderdrukking en uitroeiing extern.

Het was de bezetting van Nederland door nazi-Duitsland die een einde maakte aan vrijheid en democratie. Pas daardoor ontstonden de voorwaarden voor vervolging en collaboratie. In het 'collectieve geheugen' van joodse en niet-joodse Nederlanders zit dus wel degelijk ook een belangrijke bindende en gemeenschappelijke component. Vertaald in de termen van vandaag komt die neer op het toekennen van een onschatbare waarde aan politieke vrijheid en een democratische, pluriforme samenleving waar meerderheden en minderheden elkaar volop de ruimte laten om zichzelf te zijn. Onder die voorwaarden zal het in Nederland tussen joden niet-joden waarachtig wel (blijven) gaan.

Anet Bleich

Evelien Gans: Gojse nijd & joods narcisme.

Arena; ¿24,90.

ISBN 90 69 7411 72.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden