Grote collectie roofkunst voor het eerst te zien in Deventer

De kunstwerken leiden een sluimerend bestaan in donkere opslagplaatsen

Nu in Deventer: een internationaal opzienbarende expo over roofkunst Hoe een echtpaar het bijna onmogelijke toch voor elkaar kreeg.

Eva Kleeman en Daaf Ledeboer controleren het ophangen van een schilderij in de Deventer Bergkerk. Beeld Harry Cock

Het begon allemaal toen Eva Kleeman (50) tijdens de bezichtiging van een modern werk in een depot ook eeuwenoude schilderijen zag die het volgens haar niet verdienden daar te blijven hangen. Toen zij dat 's avonds aan haar man vertelde, kwamen ze op het idee om dat prachtige werk in een tentoonstelling te laten zien. Maar dat bleek onmogelijk te zijn.

Kleeman, destijds nog museumdirecteur, nu freelance tentoonstellingsmaker, en Daaf Ledeboer (52) ontdekten dat deze schilderijen geen eigenaar meer hebben. Ze behoren tot een collectie die dankzij de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog een sluimerend bestaan leidt in donkere opslagplaatsen.

Veel van wat de nazi's bij Joden aan bezittingen confisqueerden, werd meteen verkocht. Maar een uitzondering werd gemaakt voor 17de-eeuwse kunst, vanwege de voorliefde daarvoor van Adolf Hitler, die een eigen museum in Oostenrijk zou krijgen (dat nooit werd gerealiseerd), en diens tweede man Hermann Göring, een verwoed verzamelaar.

In hun opdracht werd ook op grote schaal werk bij kunsthandelaren gekocht - dankzij gemanipuleerde wisselkoersen was de Duitse mark in bezette gebieden veel waard. De aankoopdrift van de nazi's leidde zelfs tot een hausse; in 1943 waren de prijzen voor oude schilderijen in Nederland zes keer zo hoog als tijdens het begin van de bezetting.

Roofkunst voor, tijdens en na WO II. T/m 27/8 te zien in de Bergkerk in Deventer.

Deze geroofde en gekochte kunst werd na de oorlog grotendeels in Duitsland teruggevonden, met name door de 'Monuments Men', een door de Amerikanen opgerichte legereenheid van internationale kunstexperts. Duizenden werken werden door de Nederlandse overheid teruggegeven, maar vaak was er geen eigenaar meer te vinden - vermoedelijk omdat die was vermoord. Ruim vierduizend kunstwerken, waaronder 17de-eeuwse toppers, zijn nooit gerestitueerd en door het Rijk in bewaring gesteld. De mooiste exemplaren zijn permanent aan musea uitgeleend, maar veel ligt al sinds het einde van de oorlog in depot.

Acht jaar later is het Kleeman en Ledeboer toch gelukt om dat werk in een expositie te laten zien. Dankzij hun initiatief - dat inmiddels de aandacht heeft getrokken van The New York Times en de BBC - is in de onlangs gerestaureerde Bergkerk in Deventer de overzichtstentoonstelling Roofkunst voor, tijdens en na WO II te zien. 'Eigenlijk kan het niet dat we dit organisatorisch en financieel voor elkaar hebben gekregen', stelt Kleeman. 'Dit is werk voor een museum.'

Aanvankelijk had zij en haar man nul op rekest gekregen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), de overheidsinstantie die over de roofkunstcollectie waakt. Het was ondenkbaar dat dit historisch en juridisch gevoelige werk aan particulieren zou worden uitgeleend, zo hadden ze te horen gekregen. Maar in 2011, toen zij het nog een keer probeerden bij het hoofd kunstcollecties van de RCE, viel hun voorstel wel in goede aarde. 'Dat was iemand die durfde', verklaart Ledeboer. Een lange bedeltocht volgde om geld bij elkaar te krijgen. Dankzij bijdragen van niet minder dan negentien fondsen en overheidsorganen kwam de financiering rond.

Meermaals hebben ze erover gedacht om met het project te stoppen. 'Je moet een gestaald soort optimisme hebben om dit erdoor te douwen', zegt Ledeboer, die net als zijn vrouw kunstgeschiedenis studeerde en werkzaam is als adviseur stedebouw. Hij zit voor de VVD in de gemeenteraad van Deventer. Die stad en de provincie Overijssel hebben ook aan de expositie bijgedragen. Het was een moeizaam proces, bekent Ledeboer, doordat veel ambtenaren 'heel erg kwaliteitsgericht zijn', maar niet worden afgerekend op tijd. 'Ze zijn erg bang dat er iets fout gaat. Als het eng wordt, leggen ze het onder aan de stapel. Wij hadden geen pressiemiddel. Daarom duurde het ook zes jaar.'

Dat de tentoonstelling er is gekomen, is ook te danken aan de medewerking van Rudi Ekkart, de kunsthistoricus die twintig jaar geleden door de Nederlandse regering werd gevraagd te adviseren over de teruggave van roofkunst en daar sindsdien altijd bij betrokken is gebleven. Hij selecteerde de zestig werken die in de Bergkerk worden getoond te midden van historische foto's en documenten. Samen met historicus Eelke Muller schreef hij een catalogus die een fascinerende kijk biedt op een complexe kwestie die nog steeds niet kan worden afgesloten.

De uitverkoren kunstwerken belichamen tragische geschiedenissen van Joodse kunstliefhebbers; de waardevolle werken die zij in bezit hadden werden na de oorlog veelal teruggevonden, maar zijzelf waren vaak voorgoed verdwenen. Na de oorlog sprong de Nederlandse overheid weinig sensitief om met de overlevenden die om restitutie verzochten: zij moesten een onkostenvergoeding van 2,5 procent van de taxatiewaarde betalen om hun gestolen bezit terug te krijgen. Vaak kwam het niet eens zover, omdat eigendom niet kon worden aangetoond - het bewijs daarvoor was eveneens geplunderd.

Schrijnend is ook dat tussen 1949 en 1953 veel gerecupereerd werk is verkocht ten bate van de schatkist.

'Deze verkopen vonden plaats bij verschillende Nederlandse firma's. Wrang detail is dat sommige van de betreffende bedrijven tijdens de oorlog Joods geconfisqueerd bezit hadden geveild', wordt in de catalogus opgemerkt. In 1997 stelde de toenmalige regering een onderzoek in naar de collectie die was overgebleven, mede naar aanleiding van een bericht in de Volkskrant dat de overheid na vijftig jaar nog steeds op een berg oorlogskunst zat. Een commissie onder leiding van Rudi Ekkart concludeerde dat het restitutiebeleid 'formalistisch, bureaucratisch, kil en veelal zelfs harteloos' was geweest. Dat was de opmars tot een veel ruimhartiger beleid, met als toppunt de teruggave van 202 werken aan de erfgenamen van Jacques Goudstikker, de Amsterdamse kunsthandelaar die in mei 1940 een dodelijke val had gemaakt op het vrachtschip waarmee hij bezet Nederland was ontvlucht.

Het echtpaar Eva Kleeman en Daaf Ledeboer, organisatoren van de tentoonstelling in de Deventer Bergkerk. Beeld Harry Cock

Nog steeds wordt er kunst gerestitueerd. Kleeman wijst in de kerk op een portret van een edelman, dat door de Nederlandse oorlogsmisdadiger Pieter Menten in Polen is ontvreemd. Onlangs is het schilderij toegewezen aan een nabestaande van de oorspronkelijke eigenaar. 'Dit is nooit te zien geweest en het is meteen de laatste keer', zegt ze. 'Het gaat na de tentoonstelling naar Australië, waar de erfgenaam woont.'

Zowel Ledeboer als Kleeman hebben Joodse wortels. Die achtergrond heeft bij deze tentoonstelling geen rol gespeeld, benadrukken ze. Het doel van hun stichting is om depotstukken van het Rijk aan de vergetelheid te ontrukken.

Kunst kon levensreddend zijn, laat hun eerste tentoonstelling zien. Zo wist een Joodse kunsthandelaar met 25 familieleden naar neutraal terrein te ontkomen door inlevering van een Rembrandt. Nog bizarder is dat onderduikadressen konden worden betaald dankzij de verkoop van waardevol werk aan nazi's via kunsthandelaars. Een aantal van deze werken zou zelfs in het Führermuseum terecht zijn gekomen als de bouw daarvan was doorgegaan. Doordat uit veiligheidsoverwegingen de naam van de Joodse verkopers niet was vastgelegd, is hun identiteit niet meer te achterhalen.

Overzicht

Twee keer is een deel van de in depots opgeslagen roofkunst geëxposeerd. Nog nooit is daarover een overzichtstentoonstelling gemaakt zoals nu in Deventer.

Amerikanen tonen de 'Vermeer' van Han van Meegeren Beeld ap

De rol van meestervervalser Han Van Meegeren

Zowel Hans Posse, de man die het (nooit gerealiseerde) kunstmuseum van Adolf Hitler moest inrichten, als nazi-kopstuk Herman Göring was verzot op oude kunst, zoals die uit de Gouden Eeuw. In hun opdracht werd in Nederland heel wat 17de-eeuws topwerk geroofd en aangekocht.

Göring wist in 1944 de kroon op zijn collectie te zetten door een onbekend schilderij van Johannes Vermeer op de kop te tikken, Christus en de overspelige vrouw. Dit werk was zo duur geweest dat hij daarvoor een deel van zijn collectie had moeten verkopen.

Aan het einde van de oorlog schonk hij het doek aan zijn vrouw en dochter in de hoop hun financiële zekerheid te verschaffen. Het werd evenwel door de geallieerden ontdekt en in beslag genomen. Het schilderij bleek door de Nederlander Han van Meegeren aan Göring te zijn verkocht. Toen die van samenwerking met de vijand werd beschuldigd, ontrolde zich een absurd scenario.

Om onder de dreiging van een lange gevangenisstraf uit te komen, bekende Van Meegeren dat hij dit werk had vervalst. Het was niet de enige 'Vermeer'die hij had geschilderd; ook De Emmausgangers, in 1937 voor een kapitaal aangekocht door Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam (dat het Rijksmuseum in Amsterdam had afgetroefd), was van zijn hand, evenals een paar andere doeken.

Het feit dat Van Meegeren een nazi-coryfee een vervalst werk had aangesmeerd voor een smak geld, leverde hem tijdens zijn strafproces veel sympathie op. Niettemin werd hij in 1947 tot een jaar cel veroordeeld, een straf die hij door een fataal hartinfarct nooit zou uitzitten. Christus en de overspelige vrouw is ook te zien op de roofkunsttentoonstelling in Deventer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.