Grote blondines die witte woorden spreken Oorspronkelijke metaforen in 'Liedjes' van Federico García Lorca

De poëzie van Federico García Lorca (1898-1936) onthult niet direct al haar bekoringen aan de lezer. Bij veel gedichten stuit je op hoogst ongebruikelijke woordassociaties en metaforen, die een goed begrip van Lorca's poëticale wereld in de weg staan....

SANDER DE VAAN

Het uit de Poema del Cante jondo afkomstige gedicht 'De gil' is een treffend voorbeeld: De ellips van een gil/slaat van bergwand/tot bergwand//Uit de olijvenwei/wordt hij tot regenboog/zwart op het nachtblauw//Ay!// (Die in de holen wonen/komen met walmende lampen).

Ook wie niet eerder iets van Lorca las, zal worden gegrepen door het prachtige beeld van de terugkaatsende gil, die de door de vallei jagende wind bespeelt. Naarmate je meer vertrouwd raakt met Lorca's symboliek, geven deze mysterieuze verzen zich verder bloot: de dichter blijkt met de door eeuwenlang lief en leed gevoede kreet van de flamencozanger de almacht van de dood te hebben verbeeld.

'De gil' werd vertaald door de in 1994 overleden Dolf Verspoor, die een belangrijk deel van Lorca's poëzie voor een Nederlands publiek toegankelijk heeft gemaakt. De dichter Bart Vonck zet nu het door Verspoor aangevangen werk voort met de bundel Liedjes, de eerste van een nieuwe reeks vertalingen die in 1998 (Lorca's honderdste geboortejaar) moet uitmonden in een uitgave van diens Verzamelde gedichten.

Het oorspronkelijk in 1927 verschenen Liedjes is Lorca's tweede bundel, maar wordt door veel critici beschouwd als zijn 'eerste echte dichtwerk'. Inderdaad toont Lorca hier voor het eerst zijn sterke literaire persoonlijkheid. In zijn debuut, Libro de poemas, liet hij zich al te zeer beïnvloeden door het modernisme en de Spaanse dichter Juan Ramón Jiménez.

Een van Lorca's belangrijkste inspiratiebronnen, de Andalusische volkscultuur met haar rijke traditie van copla's, minne- en wiegeliederen, is in Liedjes prominent aanwezig. Veel van de hier opgenomen 'canciones' zijn in een geraffineerd poëtisch jasje gestoken en verrijkt met surrealistische en impressionistische elementen die nog niets van hun oorspronkelijkheid hebben verloren.

Lorca legde zijn preoccupaties (met name betreffende de vergankelijkheid van het bestaan en de daaruit voortvloeiende eenzaamheid van de mens) in een kleine negentig gedichten vast, die hij over elf secties verdeelde. Tezamen vormen deze reeksen een buitengewoon rijke staalkaart van Lorca's ontluikende poëtische vermogen.

Opvallend is dat diverse gedichten aanvankelijk wat oppervlakkig aandoen, maar bij herlezing snel aan diepgang winnen. Een goed voorbeeld is het 'Liedje met beweging', waarvan de sleutel in Lorca's kleurengebruik blijkt te liggen: gisteren flonkerden de sterren blauw en rood (van illusie en passie), morgen zullen ze wit en paars (van droefenis en leed) zijn. De mens, zo suggereert Lorca, tracht bij de dag te leven, maar wordt voortdurend gekweld door zoete herinneringen en bittere toekomstverwachtingen.

Afgezien van deze kleuren, die in de meest uiteenlopende vermommingen opduiken, bevat Liedjes ook andere, typisch Lorquiaanse symbolen als die van de maan, de nacht en de zee. Vaak staan zij voor de dood (een voornaam personage in Lorca's poëzie), maar niet altijd. Zo vervult de maan weliswaar haar onheilspellende rol in de intrigerende 'Maanliedjes', maar elders fungeert zij tevens als symbool van het leven en de liefde.

Vaak ook geeft Lorca bestaande symbolen een geheel nieuwe betekenis mee. Dit is bijvoorbeeld het geval in zijn beroemde 'Ruiterliedje', waarin hij het paard associeert met de dood: 'Córdoba/Veraf en alleen//Zwarte merrie, grote maan/olijven in mijn zadeltas/Al ken ik de wegen/nooit kom ik aan in Córdoba.' Het tragische voorgevoel van de ruiter is door Lorca in bondige, suggestieve zinnen gevangen: het leven leidt onvermijdelijk naar de dood.

Een van de verdiensten van Lorca is dat hij steeds weer oorspronkelijke metaforen en woordassociaties weet te vinden. Soms ligt de betekenis daarbij voor de hand ('De heren/zijn gehuwd/ met grote blondines/die witte woorden spreken'), maar veel vaker wordt de lezer tot peinzen gedwongen ('Augustus/tegenover de zon een palet/van perzik en suiker': doelt Lorca op Andalusië, met haar roodbruine aarde en witte huisjes, of schetst hij de 'zoetheid' van zonnestralen?).

Vonck besteedt in zijn nawoord nauwelijks aandacht aan Lorca's hoogstpersoonlijke taalgebruik. Toch zou de lezer gebaat zijn geweest met enkele vingerwijzingen. Liedjes bevat immers nogal wat gedichten (met name in de reeks 'Liefde') die je zonder enige voorkennis over Lorca's symboliek amper kunt doorgronden.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze bundel niet louter uit 'moeilijke' gedichten bestaat. Zo maakt Lorca in het wonderschone 'Liedje van de scheidende dag' onomwonden gewag van zijn vertwijfeling omtrent het vluchtige bestaan: 'Wat moeilijk heb ik het/je te laten gaan, dag!/Je gaat, van mij vervuld/ je komt terug en kent me niet/.'

Liedjes zal ongetwijfeld ook veel niet-ingewijden aanspreken. Lorca's eigenzinnige taalgebruik hoeft immers geen onoverkomelijk bezwaar te vormen: de frisse bries die door deze bundel waait, stimuleert tot nadenken en interpreteren. Misschien zijn deze met zorg gepolijste gedichten nog het beste te vergelijken met olijven: hoe vaker je ervan proeft, des te beter ze smaken.

Federico García Lorca: Liedjes. Uit het Spaans vertaald door Bart Vonck. Meulenhoff, ¿ 39,90.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden