Groot atleet voor een klein moment

Het zomerreces van het Engelse parlement biedt Sebastian Coe de gelegenheid de WK atletiek bij te wonen. De legendarische middenafstandloper, nog steeds bezitter van het wereldrecord op de 800 meter, was in Göteborg aanvankelijk sceptisch en somber....

IN DE VERBITTERDE maar onvergetelijke duels tussen Steve Ovett en Sebastian Coe was het latere parlementslid de smoking, Ovett de boerenkiel. Coe was dan wel van oordeel dat de Britse pers de rivaliteit tot overdreven proporties uitvergrootte en ten onrechte overgoot met de 'romantiek van de klassenstrijd', tegenpolen waren ze zeer: rauw tegenover fijnzinnig, brute kracht tegenover sierlijkheid. Ovett, de onverschillige schobbejak, was de held van het volk, Coe als onberispelijke gentleman de 'ware' Brit.

Ook al nam hij fel stelling tegen de Zuidafrikaanse apartheid en negeerde hij in 1980 Thatchers zeer dringende advies om de Spelen van Moskou te boycotten, Coe was de 'geboren Conservative zoals hij zich aan het begin van zijn parlementaire loopbaan noemde. Grootgebracht in een gezin met een sterke hang naar cultuur: zijn tweelingzus balletdanseres, zijn moeder operazangeres, hijzelf vernoemd naar de hoofdpersoon uit Shakespeare's The Tempest.

Sebastian Coe behaalde op de 800 en 1500 meter, die oer-Engelse afstanden, vier Olympische medailles, twee gouden en twee zilveren. Tien maal verbeterde hij een wereldrecord, het laatste in 1982. Zes jaar later, na een vergeefse poging om zich nog één maal voor de Spelen te kwalificeren, nam hij afscheid. IOC-voorzitter Samaranch slaagde er niet in om Coe, toen al deel uitmakend van de atletencommissie, een wild card te bezorgen.

Zeven jaar later zit hij zonder een spoor van vergrijzing met een koptelefoon op de tribune van het Ullevi-stadion. Met zijn aangename Oxford-Engels doet hij voor de BBC-radio kond van de wereldkampioenschappen atletiek. Hij zou soms scherpe bewoordingen willen kiezen, cynisch uithalen naar atleten die blessures lijken te fingeren en een week later waarschijnlijk weer voor 60.000 dollar aan de start staan bij een Grand Prix-wedstrijd. Maar hij moet zich enigszins inhouden, politicus als hij thans is.

Coe is er trots op nooit een tv-toestel bezeten te hebben. 'Ook als commentator zou ik nooit voor televisie willen werken. Tv is mij te orthodox, te compact te steriel. Het lijkt me niets om naar een race te zitten kijken en te moeten vertellen wat iedereen thuis op het scherm kan zien en het dan ook allemaal nog eens te moeten herhalen bij de slow motion. Met radio kun je dieper gaan. Ik kan een verhandeling van vijf minuten geven over de afwezigheid van de Chinezen of over de dopingproblematiek. Bij tv wordt alles in mootjes van vijftien seconden gehakt. Dat doet de werkelijkheid en de commentator geen recht.

'Televisie is plaatjes tonen en zeggen wat erop te zien is. Bovendien, de enorme concurrentie dwingt televisiemakers niet al te negatief te zijn. Je kunt niet te vaak iemand laten zeggen: dit is een slechte wedstrijd. Als radiomaker ben je onafhankelijker. Begrijp me goed, ik val de BBC niet aan, want met afstand wordt daar, als het om sport gaat, de beste televisie gemaakt. Maar ik voel me er niet comfortabel. Radio is romantischer en tegelijk informatiever. Je schept zelf plaatjes, kunt meer aan de verbeelding overlaten.

'Radio is ook gezelschap. Minstens twee keer in de week zit ik meer dan vier uur in de auto naar Falmouth, het district dat me voor het parlement kandidaat stelde, en als er sport op een zender is, blijf ik luisteren, zelfs als ik niet eens zo geïnteresseerd ben. Radio heeft het tegen jou persoonlijk. Daarom is het gezelschap.'

De verslaggever Coe foeterde de eerste dagen van de WK heel wat af. De Britse atletiek leek op een dieptepunt, vooral ethisch. Hij had zijn bedenkingen over de afwezigheid van hordenloper Colin Jackson, zelfs over de ernst van Linford Christie's blessure. Maar de bewoordingen waren voorzichtig, niet op individuen gericht. Hij mist de pure, niet op bankafschriften gerichte gedrevenheid die hem zelf naar de wereldtop bracht.

Coe werd groot, zeer groot in een overgangsfase. Pas halverwege zijn carrière kwamen aanzienlijke beloningen in het vizier. Maar jarenlang beulde hij zich af zonder enige financiële compensatie. Hij werd hard in de Engelse crosses en trainde onder leiding van zijn vader Peter Coe, die zich het vak zelf had geleerd, zo intensief dat de Sunday Telegraph ooit schreef: 'Zouden ze dit een paard aandoen, dan stond morgen de dierenbescherming op de stoep.'

TOCH SCHONK die wijze van atletiek beoefenen Coe alle voldoening die hij zich kon wensen. 'Op het gevaar af dat ik versleten word voor iemand die hetzelfde zegt als alle vertegenwoordigers van een oude generatie, zeg ik toch, en ik meen het: het is allemaal minder leuk geworden. Het is zo ongelooflijk serieus, zo hard ook en er zijn nog maar zo weinig atleten die gevoel hebben voor de historie van hun sport.

'Ik ben op het grootste evenement van het jaar, kijk naar de gezichten van de atleten en stel vast dat het is alsof ze weer zomaar een dag op kantoor beleven. Goed, elke twee jaar een WK is te veel van het goede en dan wordt er ook nog gesproken over een jaarlijks WK, maar dan nog hoef je als atleet niet rond te lopen met een houding van: it is a pain in the neck. Zo van: ik ben liever bij een gala van Zürich, waar grof geld te verdienen valt, maar ik moet hier nu eenmaal zijn omdat het een onderdeel van de marketing is.

'Een atleet hoort niet betaald te worden voor het uitkomen voor zijn land. Ik heb er geen moeite mee dat ze naar Zürich, Brussel en Monte Carlo gaan omdat Coca Cola, Fuji en Snickers ze daar heel erg verwennen. Een carrière is kort en er wordt hard gewerkt. Maar een atleet moet het wel kunnen opbrengen om voor niets zijn land te vertegenwoordigen. Nou ja niets? Voor roem en glorie.

'Het is het circuit waarin de atleet rondloopt dat hem heeft veranderd. Ik weet dat het voor mij eenvoudig is dat circuit te kritiseren, want mijn achtergrond is totaal verschillend. Toen ik in de sport kwam heb ik nooit de idee gehad dat ik geld zou kunnen verdienen. Ik kwam van de universiteit, was afgestudeerd econoom en dacht: welk beroep zal ik eens kiezen. In het bankwezen, of iets anders? Nu heb je atleten die op hun zestiende zeggen: dit wordt mijn carrière. Dat verontrust me.

'Want kunnen ze er daadwerkelijk van leven? En zo ja, een loopbaan duurt maar zo kort. Wat daarna? De meest ongelukkige mensen die ik in het leven tegenkom, zijn sporters die moeten stoppen en niets hebben en kunnen. Het is mijn heilige overtuiging dat je andere bezigheden of interesses naast de sport moet hebben. Het is absoluut af te raden, en dat geldt voor iedereen, om van trainingssessie naar trainingssessie te leven. Van een monomaan bestaan wordt niemand beter.

'Ik heb dat aan den lijve ondervonden, in 1980, voor de Spelen van Moskou. Toen heb ik een heel hoge prijs moeten betalen voor een intensieve, eentonige voorbereiding. Ik verkeerde in een uitstekende fysieke conditie en besloot me bij wijze van uitzondering voor alles en iedereen af te sluiten. Maar ik kwam in Moskou en voelde niets, ik was te gefocust geweest en mentaal niet scherp meer, toen het moest gebeuren. I stopped smelling the roses. Die fout heb ik nooit meer gemaakt.

'De sport is nog gezond maar staat voor heel belangrijke beslissingen. Veranderingen zijn onontbeerlijk, als de sport niet volledig wil vastlopen in de commercie. Te veel atleten brengen meer tijd door met hun pr-agenten, accountants en managers dan met hun coaches. Het is een probleem waar de bonden en federaties greep op moeten krijgen. Hun rol is evident.

'Je kunt niet langer zeggen dat bestuurders niets valt kwalijk te nemen omdat alleen zij nog de echte amateurs zijn. We leven niet meer in de jaren vijftig. Tegenwoordig zijn er in elke bond mensen die heel behoorlijk worden betaald. Zij moeten meer verantwoordelijkheid nemen. Als de sport tijdelijk in de problemen is, door mindere prestaties, is het vrijwel onmogelijk daar beleidsmatig op in te spelen. Het is een golfbeweging, de ene lichting is nu eenmaal talentvoller dan de andere. Maar als de sport permanent in de problemen dreigt te komen, moet het beleid aangepast.

'Want denk niet dat het publiek, juist het atletiekpubliek, de verloedering niet waarneemt. Geen publiek is zo deskundig en beschaafd als atletiekpubliek, je ziet het hier in Göteborg. Voetbalbestuurders zouden daar uit kunnen leren. Het atletiekpubliek weet precies wat er speelt, binnen en buiten het stadion. Het publiek ziet of atleten zich natuurlijk gedragen en het kent het dopingprobleem. En als de negatieve verschijnselen algemeen worden, ligt er dus een taak voor de bestuurders om de ethiek van de sport te verbeteren.

'De redenering dat die bestuurders een slecht voorbeeld uit de top van de sport krijgen, van mensen als Samaranch of Nebiolo, bestrijd ik. Of is maar ten dele waar. Het IOC was nog niet zo lang geleden een vervallen pandje met een paar kamers aan de rand van een Zwitsers meer. Het is nu een bloeiende onderneming die geld doorsluist naar de derde wereld en solidariteitsfondsen in het leven heeft geroepen. Ik ben het niet eens met dat boek In de ban van de ringen, waarin Samaranch wordt geattaqueerd. Er zijn zo veel pluspunten ook. Samaranch heeft een eind gemaakt aan de politieke boycots van de Spelen, iedereen wil ze nu hebben en iedereen doet mee.

'Hetzelfde met Nebiolo. Hij heeft de atletiek welvarend gemaakt. Maar ik geef toe, ik ben een fervent tegenstander van eens in de twee jaar een WK, en van het reduceren van de dopingstraf van vier tot twee jaar. In de sport dienen we trouw te blijven aan de basisprincipes die al meer dan een eeuw oud zijn: free, fair and open competition. Aanleg en vaardigheid, alleen die twee mogen de wedkamp beslissen.

'Wie de musicus betaalt mag de toon bepalen. Dat accepteren we. Maar we moeten er voor waken dat de sponsors de hele symfonie herschrijven. In sommige sporten is dat veel te nadrukkelijk gebeurd. Je moet erkennen dat op de eerste plaats de atleten de competitie vormgeven. Kom mij niet aan met de boodschap dat atleten de marathon moeten lopen in een temperatuur van dertig graden en bij een vochtigheidspercentage van honderd, omdat de gemiddelde Amerikaan om vijf in de namiddag met een sixpack binnen handbereik de marathon op de televisie wil zien. Dat zijn voor mij zaken waarover absoluut niet valt te onderhandelen.

'Maar je hoeft ook niet roomser dan de paus te zijn, met als gevolg dat de sport de strijd om de aandacht van de sponsors verliest. Een aantal commerciële richtlijnen is best aanvaardbaar, het leven is niet zwart of wit. Compromissen zijn mogelijk maar er is een grens die niet overschreden mag worden. Ik ben ondanks alles optimistisch, omdat ik geloof in het goede van de mens. Maar misschien zit ik er vreselijk naast.

'Ik heb ook strikte opvattingen over doping, die heb ik steeds gehad. Toch is het gebruik te begrijpen. Misschien ben ik wel de verkeerde figuur om erover te spreken omdat ik doping nooit nodig heb gehad, dus nooit aan de verleiding heb blootgestaan. Maar als je altijd vierde staat, als je weet dat het verschil met een plaats op het podium maar een paar tienden is, dan kan ik me indenken dat je toegeeft aan de zwakte. Maar die afweging zal nooit gemaakt worden door iemand die tot de besten van de wereld behoort en die nog beter wil worden. Het speelt uitsluitend bij sporters die part of the party willen zijn en weten dat ze er nooit bij zullen horen als ze niets extra's gebruiken.

'Ik geloof niet dat die beslissingen alleen worden genomen, zeker niet van het ene op het andere moment; dat iemand 's nachts wakker wordt en zegt: ik heb er genoeg van, ik ga gebruiken. De sociale achtergrond en de druk van de coaches en verstrekkers zijn veelal bepalend. Coaches voelen haarfijn aan of sporters er ontvankelijk voor zijn. De federaties hebben te lang de ogen gesloten voor dubieuze praktijken van mensen rond de sporters.

'Ik vind ook dat federaties de taak hebben de historische waarde van sport te benadrukken. Voor sommige grote atleten bestaat er geen morgen, geen gisteren, ze beseffen niet dat je de sport moet doorgeven, dat je er even gebruik van mag maken, dat je mag hopen een merkteken te zetten, maar dat je het daarna weer moet afstaan. Want het leven draait door, ook zonder jou, de grote atleet voor een klein moment. De Coe's verdwijnen, de Kipketers komen. Ik beschuldig niemand maar ik bespeur een tendens onder atleten dat het ze niet uitmaakt hoe ze de sport achterlaten als ze met pensioen gaan. Kipketer mag mijn 800-meter-record verbeteren, maar als hij het doet dan wel graag op de manier van Edwards, Beamonesk.'

DAT WOORD gebruikte Coe om de buitenaardse wereldrecords hinkstapspringen van Jonathan Edwards te beschrijven. Want na al zijn sombere beschouwingen zag hij in het Ullevi plotseling de 'glimpen van genie', die ook de vertesprong van Bob Beamon in 1968 kenmerkten. Maar Edwards gaf volgens Coe meer dan alleen 'technisch' een nieuwe dimensie aan de driesprong.

'Zijn optreden was het absolute hoogtepunt. Zo kalm, zo licht, zo soepel. Edwards transcendeerde de sport voor een moment. Gewoon goede prestaties leveren is naäpen wat ooit eerder is gebeurd. Men doet hetzelfde wat ooit iemand eerder heeft gedaan, alleen een beetje beter. Wat je Edwards hebt zien doen, was daarentegen geniaal, hij heeft de sport, de discipline veranderd, dat is het verschil. En het had niet door een fijner, prettiger mens gedaan kunnen worden.

'In het leven van iedere topatleet is er een jaar, en het waarom is nooit te achterhalen, dat het allemaal vanzelf gaat. Dat je bijna niets verkeerd kunt doen. Edwards beleeft dat nu, ik had zo'n jaar in 1981, Walker had zo'n jaar, Ovett, Aouita had zijn 1985. Het is een synthese van een aantal dingen, geestkracht en lichaamskracht. Je kunt je maar beter niet verdiepen in het waarom want dat is de goden verzoeken, het lot tarten.'

'In Edwards zie ik zo veel terug van hoe ik zelf was toen ik in 1979 aan de top kwam. Hij geniet zo intens van wat hij doet. Vorig jaar hadden we een lang gesprek, in Canada. Hij wilde het toen opgeven, had een virusziekte gehad en zag de zin van het springen niet meer in. Ik heb toen gezegd: je komt eruit, hoe dan ook, je hebt de leeftijd nog niet om je te laten terugwerpen. Ik heb hem verteld over eenzelfde periode in mijn loopbaan, toen ik anderhalf jaar tegen een lymfeklierontsteking moest vechten, terwijl ik in de kracht van mijn leven was. Maar daar kom je uit en dan ben je hongerig naar succes, omdat je zoveel hebt in te halen. De trainingen verlopen ineens soepel en dan beleef je dat bijzondere jaar.

'De laatste jaren heeft het in de atletiek ontbroken aan bijzondere, positieve figuren als Edwards. Ik herkende het genie, maar dat niet alleen, ik zag zo veel meer. Jonathan Edwards is het zuivere, het schone gezicht van de atletiek. Ik ben bepaald niet zo zwaargelovig als hij, maar zou ik het wel zijn dan had ik gezegd: Edwards is met een heel goede reden op aarde neergezet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden