Groepsportret van de grote Hollandse kabouterfamilie

Ze heten Baas, Puntmuts, Pink, Wipneus, Olle Kapoen, Pom, Bijdepink, Liebreng, Hazevoet, Regelrecht, Tom of David. Ze variëren in hoogte van zes centimeter tot pakweg één meter veertig en hebben steevast een baard en/of een puntmuts....

Van onze verslaggeefster

Truus Ruiter

DEN HAAG

En ze krijgen altijd de schuld als er iets is gebeurd dat niemand kan verklaren: 'dat hebben de kaboutertjes gedaan'. Deze 'beschuldiging' stoelt op een mythe die teruggaat tot de Germaanse tijd: dwergen, aardmannetjes of kabouters zouden 's nachts het werk afmaken dat overdag is blijven liggen. Tegenwoordig maken ze vooral rotzooi, schijnt het.

Op de tentoonstelling Dat hebben de kaboutertjes gedaan in het Letterkundig Museum in Den Haag ontbreekt kabouter Prikkeprak, het dappere hulpje van de internist dr Poortvliet uit Kreatief met Kurk, maar dat zal niemand verbazen. Hij opereert in een omgeving die heel wat prozaécher is dan de Nederlandse literatuur, het terrein van deze tentoonstelling.

Een meer dan manshoge Paulus de Boskabouter wacht de bezoekers op. Het geesteskind van Jean Dulieu (Frans voor Jan van Oort) is misschien wel de bekendste kabouter, mede dank zij jarenlange tvexposure vanaf 1967. Op de tentoonstelling ligt een velletje papier met een groot aantal schetsen van kabouters, waaronder de oer-Paulus.

Tijdens de oorlog tekende Jan van Oort, violist en kleinzoon van de beroemde illustrator en cartoonist Johan Braakensiek de aardmannetjes uit tijdverdrijf. Zijn vrouw wees de aardigste aan en samen verzonnen ze de naam Paulus. Het mannetje zou Dulieu vijfendertig jaar lang geen dag met rust laten.

Ook Pinkeltje, die maar een paar jaar ouder is dan Paulus, maakte zijn schepper, de Zaanse dropfabrikant 'meneer Dick Laan', tot zijn slaaf. In menig interview zuchtte Laan ('men schat hem op twee meter', schreef de ene krant; 'hij is zeker 1.76 lang', meldde een andere) onder de last van wéér een nieuw verhaal te moeten verzinnen. Hij liet de kabouter rondzwerven in Madurodam en lanceerde hem in een raket.

Dit actualiseren zorgde voor rare misvattingen: in 1971 protesteerde het NVSH-blad Sekstant tegen de 'benepen tweedeling in het relatiepatroon tussen Pinkeltje en Pinkelotje'.

'Wat is het ideale moedertype in de ogen van het Nederlandse kind?' Die vraag stelde het blad Libelle in juni 1967 om op de omslag met vier snapshots het antwoord te geven: moeder neemt de kinderen mee de duinen in, ze kijkt lief toe (en rookt een sigaretje, sic) terwijl de kinderen spelen, ze maakt de tafel schoon èn ze leest Pinkeltje voor.

'Hoei! Hoei! Hoei' Ik sta oog in oog met het originele manuscript van het allereerste boek dat ik mijn persoonlijk bezit mocht noemen. 'O, wat gaat die wind te-keer! Hij blaast o-ver de wei-den.' Na Bram Vingerling en Daantje liet Leonard Roggeveen de altijd even opgeruimde Okkie Pepernoot uit zijn pen kruipen.

In de jaren zestig moesten Roggeveens zwart-wit illustraties wijken voor de sjabloonachtige tekeningen van cartoonist Ted Schaap, tien jaar later ging er weer een andere tekenaar met de twaalf deeltjes Okkie aan de haal. Sinds 1991 herdrukt de uitgeverij de allereerste versie uit 1934.

Kabouters zijn drukke baasjes, maar niet één heeft zoveel zaken gedaan als kabouter Piggelmee, let wel: exclusief voor Van Nelle. In 1920 schreef L.G. Steenhuizen Van het toovervischje, het eerste Piggelmee-boekje waarvoor men de plaatjes in een pakje koffie of thee kon vinden.

Vanaf 1930 tekende Nans van Leeuwen het pientere cafeée-verslaafde baasje dat maar één bevrediging kende: 'Zijn vrouwje wist wel wat hij wenste. En gaf hem een cadeau voor twee. In de ene hand Van Nelle koffie. In de andere Van Nelle thee.'

Er verscheen Piggelmee-servies, Piggelmee-spelletjes, Piggelmeepuzzels en Piggelmee-ansichtkaarten. En Piggelmee is still going strong want tegenwoordig ligt de Piggelmee-koffiebus weer te koop in de supermarkten.

De laatste vitrine is gewijd aan de hersenspinsels van Rien Poortvliet. Daar aangekomen ben ik veel wijzer geworden over de Wortelmannetjes van Midderigh-Bokhorst, de zandkabouters van Dola de Jong, het kabouterkindje Pompijntje van Rie Cramer, Olle Kapoen van Phiny Dick, kabouter Regelrecht uit Lutjeputje (geboren met 75 zwarte haren in zijn witte baard) en Puk en Muk, de kabouters van Klaas Vaak die 'helemaal achter Luilekkerland' wonen en toch middenin in de Tweede Wereldoorlog terecht kwamen.

Eenmaal geen vreemde meer in kabouterland begrijp ik eindelijk mijn weerstand tegen het werk van Poortvliet. Het is te veel zijn eigen droomland met al die absurde details (een bejaarde kaboutervrouw krijgt boven de 350 jaar last van lichte baardgroei).

Poortvliet laat de fantasie van de lezer geen enkele ruimte en dat past niet in verhalen over wezentjes die al weer verdwenen zijn voor je ze had kunnen zien.

Dat hebben de kaboutertjes gedaan. Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Den Haag. Tot en met 30 oktober.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden