Groene littekens in het land

Natuurgebieden maskeren in Zeeland veel van de bressen die de watersnood in 1953 sloeg. Toch blijven de gebieden eilandjes in een agrarische woestijn, die na de ramp werd ingericht.

Een kleine rondgang over Schouwen-Duiveland.

Boven de deur van het dorpshuis in Sirjansland herinnert een mozaïek aan dè nacht in 1953.

Links op de afbeelding boerderijen onder water en een cirkelende helikopter, rechts schijnt de doorbrekende zon over teruggewonnen land.

Die zon is op deze waterkoude winterdag wel heel ver te zoeken, maar De Ramp en haar gevolgen zijn voor geboren en getogen Zeeuw, boswachter Dirk Fluijt - twee was hij toentertijd - nog overal in het landschap van Schouwen-Duiveland zichtbaar.

In de doodse Grevelingen, zonder getij bijvoorbeeld, of in oude paaltjes, bij Ouwerkerk, die ooit de golven van de Oosterschelde braken, maar die nu ver van het water wegrotten tussen de bramen. Of nog verder verhuld, zoals bij Fluijts eigen huis.

Ogenschijnlijk is het een wat onbeduidend bungalowtje. Maar het hart ervan - Fluijt metselde er omheen - wordt nog altijd gevormd door de oersterke grenen noodwoning die de Denen als watersnoodhulp neerzetten. Op historische grond. Hier stond de schuur van grootvader Fluijt, die instortte toen de Grevelingen-dijk pal achter het dorp doorbrak.

Schouwen-Duiveland werd in 1953 zwaar getroffen. Op 25 plaatsen braken de dijken waardoor het grootste deel van het eiland kopje onder ging. Vooral de mensen in Duiveland kregen het zwaar te verduren omdat het water zowel vanuit de Grevelingen als uit de Oosterschelde toestroomde.

Wat nu rest zijn de littekens in het landschap.

Voorzichtig manoeuvreert Fluijt zijn gifgroene Staatsbosbeheer-auto door het wier op de trailerhelling in de Schelp hoek. Hij stopt naast een paar reusachtige betonblokken, ooit bedoeld om de Oosterschelde af te dammen. Voor en achter ons een halve eeuw Zeeuwse natuur, een mengeling van waterkracht, waterstaat en vijftig jaar natuurbeheer.

De basis voor dit natuurgebied werd gelegd toen de Oosterschelde een gat van vijfhonderd meter in de dijk sloeg. 'Waar het gemaal stond, dat was de zwakke plek', aldus Fluijt. Die oude dijk is niet meer gedecht. Waar tweehonderd hectare landbouwgrond lag, resteert nu een baai met zand- en schelpenbanken, een beton-eilandje van oude caissons die overbleven nadat de Zeeuwse dijken waren gedicht en een loswal uit de tijd dat Rijkswaterstaat hier zijn werkhaven had voor de Oosterschelde-pijlerdam. Landinwaarts ligt achter de dijk de rest van het natuurgebied.

Zo goed en zo kwaad als dat ging, werden de in het land ingekerfde kreken dichtgestort met zand en grond om er weer landbouwgrond van te maken. De diepste poelen en kreken en de zwaarst verzilte gronden dichtbij de instroomplek, werden opgegeven.

Langs die marginale gebieden legde Staatsbosbeheer midden jaren vijftig bos aan. Als afscheiding van de landbouwpercelen, om Zeeland aan nieuw bos te helpen, maar ook als camouflage van de littekens van de ramp. En getrouw aan de traditie van de dienst gebeurde dat met bos.

De snelgroeiende populieren, die toentertijd werden geplant, zijn inmiddels bijna allemaal gekapt of ter ziele, de iepen kregen te kampen met iepziekte, de bossen van nu worden dan ook bepaald door wilg, es, eik, kers, beuk.

Bij de andere twee littekens van de ramp die Staatsbosbeheer op het eiland in de jaren vijftig in beheer kreeg, is het niet anders gegaan. Ook Dijkwater en Krekengebied Ouwerkerk, zijn ingepakt in bosschages.

In Dijkwater langs de Grevelingen bij Sirjansland krijgt de natuur ruim baan bijvoorbeeld met een kalkrijke natte duinvalleivegetatie waar onder meer addertong en orchideeën als harlekijn en moeraswespenorchis groeien.

In Ouwerkerk is vooral het waterstaatkundige aspect nog nadrukkelijk aanwezig. Caissons - 60 meter lange betonnen dozen, overgebleven van de landing in Normandië - markeren de plaats waar in november 1953 het laatste dijkgat van Schouwen-Duiveland werd gedicht.

Later werd een nieuwe dijk aan de Oosterschelde-kant gelegd. Er ontstonden inlagen, ondiepe poelen en drasse gebieden waar zand is gewonnen. Ideale terreinen, vertelt Fluijt, voor de wadvogels die bij vloed van de Oosterschelde worden verjaagd.

Maar deze aangeklede littekens zijn eilanden in een landbouwwoestijn. Staatsbosbeheer had na de ramp niet veel in de melk te brokkelen, zo blijkt uit onderzoek van Luc Korpel van de regio West-Brabant - Deltagebied van Staatsbosbeheer. Er bestond weliswaar de intentie om bij het herstel van Schouwen-Duiveland te streven naar 'harmonie en schoonheid', maar in de praktijk kreeg de landbouw prioriteit.

Van oudsher bestond Schouwen-Duiveland uit open land, maar vooral op Duiveland bepaalden voor 1953 kleine percelen en kronkelige dijkjes en weggetjes met bomen en struiken het landschap. Dat groen legde het loodje na de soms maandenlange onderdompeling door het zoute water. De rest volgde later, door de hand van de mens.

Er bestonden al plannen voor een ruilverkaveling, die na de ramp voortvarend ter hand werd genomen. De boerenbedrijven werden vergroot, kleine kavels samengevoegd, de drainage werd sterk verbeterd waardoor op soms marginale weilanden ineens akkerbouw mogelijk was.

Bovendien werden deels de oude polderdijkjes afgegraven, om stromingsgaten elders te vullen of om ruimte te winnen. De herinrichters trokken bovendien het wegenpatroon, vanoudsher gebaseerd op de loop van oude kreken, waar mogelijk recht.

Volgens Korpel deed Staatsbosbeheer wel degelijk pogingen wat van de schoonheid van het oude land te redden, maar dat leidde niet tot veel meer dan de aanleg van groen bij de dorpen en het beplanten van enkele overgebleven dijken. De Cultuurtechnische Dienst, die de ruilverkaveling leidde, en de boeren zelf dachten vooral aan de rentabiliteit.

Dat is nog altijd te zien. In het grijze, open land met veel in de jaren vijftig nieuw gebouwde boerderijen - een vast ontwerp: een wat armelijk woonhuis met een schuur eraan vast - zoeken wulpen, scholeksters en fazanten naar eten. Brandganzen en grauwe ganzen verdringen zich, maar in een landschap zonder veel historie.

Pas als boswachter Fluijt naar het midden van het eiland stuurt, komen we in de omgeving van Schuddebeurs, waar van oudsher rijke Zierikzeeënaren buitens bouwden, weer volop oude bomen en boerderijen tegen. Een groene long, die in 1953 droog bleef.

Toch lijkt er vijftig jaar na de ramp sprake van een kentering. Staatsbosbeheer heeft zich wat aan de greep van de productielandbouw ontworsteld. Land en zee, na 1953 strikt gescheiden, komen weer wat nader tot elkaar.

Het voorstel om een kerf te maken in de duinenrij van Schouwen, waar de zee kon binnendringen, stuitte nog op te veel weerstand. Maar wel ontwikkelt Staatsbosbeheer samen met Natuurmonumenten een groot nat natuurgebied dat aansluit bij de Schelphoek, op voormalige landbouwgrond langs de Oosterschelde. Boswachter Fluijt: 'De onheilsplekken van weleer worden parels langs de Oosterschelde.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden