Groene Golf

Een tiental natuur organisaties heeft de handen ineengeslagen: september is vanaf nu Groene Maand. Met zo'n vier honderd activiteiten, twintig op een gemiddelde zaterdag....

Ze steekt juist de Deylerweg over, met een brief in haar hand. Typisch Wassenaarse dame, zilvergrijze haren in een knot, een blauwe cape omgeslagen tegen de wind, die niet guur maar net onaangenaam is. Verder schijnt er vandaag een beschaafd Wassenaars zonnetje. En de verslaggever die haar tegemoet komt, in een knalgeel regenpak met laarzen tot de knieën, wordt dan ook bevreemd door haar aangekeken - ze maakt zelfs aanstalten om in een boogje om hem heen te lopen. Maar hij heeft haar al aangeklampt. Of ze hier bekend is? Domme vraag natuurlijk.

Of ze dan het Ommedijkse Bos kent? Hij wordt daar om half tien verwacht door de Hakhoutgroep van het ivn om een oude getijdekreek mee uit te diepen. Laarzen en lunchpakket mee.

Onwillekeurig doet ze een stap je naar achteren.

'Niet gehoord van de Groene Maand?', probeert hij. 'Doorstap wan de lingen in duin en hei, beverpatrouilles in de Biesbosch, vleermuisexcursies, braakballen uitpluizen, waterbeestjes vangen met een schepnet... en dat de hele septembermaand door.

'Ja, ja', zegt ze en kijkt over het kortgemaaide plantsoen naar de brievenbus aan het eind, die eerst zo dichtbij, maar nu onbereikbaar ver weg lijkt.

Het verhaal begint bij Bart Zwagemaker (34). Hij is voorlichter van de Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie (het ivn) en trommelde een paar weken terug de pers op voor een nieuw en omvangrijk project. Elke jaar rond deze tijd organiseerde de ivn haar Op-Stap-weekend, zoals alle organisaties hun eigen activiteiten organiseerden: van de Stichting tot Behoud van Onverharde Wandelpaden (wat weer iets anders is dan de Stichting Wandelplatform-law of de Voetpadendagen van de Nemo), de Stichting Landelijk Fietsplatform, de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, de Vereniging voor Veldbiologie, de Stichting Veldwerk, Landschapsbeheer Nederland, de lto-organisaties met 'de Week van het Platteland' (wat weer iets anders is dan de Landschapsdoedagen); het nivon met haar Milieu Estafette, etcetera.

Verzuiling vindt Zwagemaker een te groot woord, maar er is zeker sprake van 'schuttinkjes': elke organisatie heeft haar specifieke interessegebied met bijbehorende eenkennige uitstapjes. Op initiatief van het ivn zijn nu een tiental grote organisaties tot een gezamenlijke Groene Maand gekomen, waarin meer dan vierhonderd activiteiten zijn samengebald. Wandelingen, fietstochten, natuurbeheersactiviteiten (zoals het uit die pen van getijdekreken) en excursies onderleiding van een gids. Het is een try-out. Bevalt het, dan is van af nu elke septembermaand Groene Maand.

Dit is de laatste keer dat de term 'getijdekreken' valt. Want het Ommedijkse Bos was onvindbaar. Er ligt een Ommedijkseweg tussen Leiden en Was senaar, met een recreatiepark inclusief een stoomtreintje; er liggen sloopbedrijven aan de Ommedijkseweg, met mannen in overall die een redelijk bod uitbrengen op je auto, maar er is geen bos. En Wassenaarse dames worden zenuwachtig als je ernaar vraagt.

Het is dus raadzaam niet op goed geluk richting een excursie te gaan. Zeker niet als de plaatsaanduiding ('derde parkeerplaats aan de rechterhand, na de betonnen duiker') vaag is. Mensen uit de streek weten waarschijnlijk precies wat ermee wordt bedoeld, maar u kunt uren lopen dwalen.

Als u de groene agenda op internet raadpleegt (www.groene-maand.nl) staat bij elke activiteit een telefoonnummer vermeld van een contactpersoon die u precies kan informeren over het al dan niet doorgaan van de excursie en de plaats van vertrek.

Neem Leen den Ouden. Leen den Ouden kan zijn trots nauwelijks verbergen. Hij staat voor het twee jaar terug gereedgekomen streekcentrum van de nvwa (de Natuur- en Vogelwacht de Alblasserwaard), waarvan hij bestuurslid is. 'Vindt u het niet prachtig hier?', vraagt hij. 'En helemaal niet moeilijk te vinden, toch? Als je het eenmaal weet?'

Dertig jaar geleden is de vereniging nvwa opgericht tot behoud van dit uitgestrekte veenweidegebied: weiland, slootjes, houtkaden en natuurlijk de knotwilg, symbool van de Alblasserwaard. Leen kijkt in zuidelijke richting. Boven de eerste huizenrij van Sliedrecht, in de verte, hebben zich donkere wolken gevormd. 'Misschien beter eerst een kopje koffie', zegt hij.

In het nieuwe gebouw is er eindelijk vergaderruimte voor alle subverenigingen die de nvwa rijk is: van de vogelwerkgroep, de plantenwerkgroep, de insectenwerkgroep tot de ivn'ers, waartoe Den Ouden zelf behoort. Verder is er een mooie tentoonstellingsruimte en een goed geëquipeerd archief op zolder.

In de hal staat een flip-over met de activiteiten van deze week. Vanavond is er bijvoorbeeld een egellezing. Links in de hal staat een oud, leeg aquarium waarin een landschapje is nagebouwd met een paar opgezette vogels erin, middenin een velduil die de bezoeker een beetje appelig aankijkt. Een stukje educatie, zegt Den Ouden. Dat is hier heel belangrijk.

De Groene Maandagenda beloofde hier een 'insectenwandeling en paddenpoel' en die excursie zal Den Ouden straks ook geven. Vooralsnog klettert de regent op het pannendak.

Er staat een man voor het raam. De blik onder zijn boswachtershoedje is donker. Het is de technische kracht van het centrum, tevens erkend Bies boschgids. '33 keer is de Grote Waard onder water gelopen, meneer', zegt hij voor zich uit. 'In de loop van de geschiedenis zijn er 72 dorpen verdronken, waarvan er 45 nooit meer zijn opgebouwd.' Hij zegt het somber, alsof thuis zijn kleren nog hangen te drogen van de laatste keer. 'Weet u waar u de kerktoren van Sliedrecht vindt? De echte? Ik wed dat zelfs de burgemeester dat niet weet. De oorspronkelijke kerktoren van Sliedrecht vindt u bezuiden de perenboom tegenover de sluis van Hardinxveld. Ook verdronken, net als de duizenden en nog eens duizenden mensen in die nacht van 18 op 19 november 1421.' Hij steekt zijn vinger op: 'De stormwind boog de wilgen krom, hij joeg het water op,/te schudden stond de westenmuur en hoogste torentop./Een zware donderslag, die straal van flikkerend bliksemlicht...'

'Hè, Frans', zeggen omstanders, 'jaag die journalist niet de stuipen op het lijf.'

'Willen de mensen die voor de excursie komen hun kopje uitdrinken', roept Den Ouden om. 'We gaan naarbuiten.'

De 'Insectenwandeling en paddenpoel', tussen twee bescheiden buien door - wie durft er sinds 1421 nog te klagen? - is geen uitgebreide: hij blijft beperkt tot de heemtuin achter het streekcentrum. Leen den Ouden, in het dagelijks leven senior-consultant in de automatisering, staat met een grote emmer bij de paddenpoel, terwijl collega Jan Trapman met een schepnet door het bruine water gaat.

Ook in Den Ouden schuilt poëzie. 'O krinklende, winklende waterding', citeert hij Guido Gezelle, als het schepnet in de emmer wordt geleegd. 'Goeie vangst, Jan!' Kijk daar is ie: het 'schrijverken' van Gezelle. 'Met 't zwarte kabotseken aan. Kabotseken is een manteltje. Je ziet ook, het is een wat plomp kevertje, het schrijvertje, in tegenstelling tot het schaatsenrijdertje hier. Die heeft een spitste snuit. Duidelijk een wants.'

'Het is écht een goeie vangst, Jan', zegt hij dan. Er zitten kikkervisjes in de emmer, bootsmannetjes en de larve van de waterjuffer... 'Kunnen we het allemaal goed zien?'

Het zijn de kinderen die de eerste ring rond de emmer vormen, daarachter staan de vaders en de moeders, die hippen wat verlegen van het ene been op het andere. Maar langzaam verschuift dat - de kinderen verliezen hun interesse, en uiteindelijk zijn het alleen nog de ouders die gefascineerd over de emmer gebogen staan. Meestal komt dan vanzelf de voortplanting ter sprake.

Buiten het ideaal van de Groene Maand-organisatoren om natuurliefhebbers uit het hokje van hun specifieke vereniging te krijgen, is het natuurlijk vooral de kunst een heel nieuw slag mens naar het bos te lokken. Want er blijft zoiets bestaan als door de wol geverfde excursielopers. Je mag ze niet over één kam scheren, natuurlijk niet. Maar wie straks een van de begeleide wandelingen maakt, vanuit het ivn of de knnv: 'Paddestoelen en herfstverschijnselen' (het is een vroeg paddestoelenjaar) of 'Sporen & zaden', leert vrij gemakkelijk een paar karakteristieke deelnemerstypen onderscheiden.

- De hypochonder. Hij ziet overal tekenen van naderend verval, het liefst onomkeerbare processen. Varens met gele bladeren bijvoorbeeld. 'Dat ligt aan het jaargetijde', zegt de gids nog. 'In het voorjaar zijn ze weer groen.' 'Maar al die afgevallen takken', zegt de hypochonder dan, 'dat komt toch wél door zure regen?'

- De nazegger of galmer. Deze herhaalt steevast het laatste woord van de gids, om blijk te geven van belangstelling of oplettendheid. 'Dit bos', vertelt de gids, 'is bestemd voor natuurbescherming, recreatie en houtkap.' 'Ah, de houtkap', zegt de nazegger. 'We spreken dan van een multifunctioneel bos', zegt de gids. 'Ah, een multifunctioneel bos.'

- De betweter. Deze heeft thuis de literatuur nog even doorgenomen en iedereen zal dat weten. Vooral de gids. 'Eigenlijk is bekertjesmos geen mos, toch?', zegt de betweter. 'Het is een verstrengeling van alg en mos.' En als iedereen is stilgevallen, in mengeling van ontzag en irritatie, doet hij er een schepje bovenop. 'Een symbiose, noemen ze dat.'

- De zuchter. 'Fascinerend', zucht de zuchter. 'Wat is de natuur toch knap.' Het wordt hem of haar bijna te veel, maar overdrijving ligt op de loer. 'Zonder gids loop je aan zo veel dingen voorbij', zegt de zuchter. 'We zouden een vierkante meter kunnen afzetten en daar de hele middag mee zoet kunnen zijn. Van de andere kant', peinst hij, 'is het dan natuurlijk geen echte wandeling meer.'

- De stoorzender. Staat daar diametraal tegenover. De stoorzender heeft de ivn of knnv-wandeling aangepakt omdat ze (meestal een vrouw) vindt dat ze toch 'te weinig aan natuur doet' en bovendien haar vriendin allang niet meer heeft gesproken. Die twee dingen combineert ze. 'Dus ik zeg tegen Dirk-Jan', zegt ze, terwijl de excursieleden op hun ténen een groep kolganzen naderen. 'Ik zeg Dirk-Jan, je moet elkaar in een relatie wel de ruimte geven, elkaar respectéren, anders gaat het fout.'

In Zwolle, tegenover restaurant Het Engelse Werk, met uitzicht op de IJssel, schuilt ivn-gids Elja van Dongen onder een kastanje. Om haar heen zwellen de plassen gestaag aan. Van Dongen zal de excursie 'Wilde bloemen en planten' leiden, maar zoals het zich laat aanzien - ze kijkt op haar horloge - kan ze terug naar huis.

Maar dan heeft ze buiten de trouw en onverzettelijkheid van de echte natuurliefhebber gerekend. Langzaam ko men ze uit alle hoeken en gaten tevoorschijn, natgeregend, en schudden elkaar de hand.

Je vraagt je af wat ze denken, de reizigers in de intercity richting Amers foort: ze denderen over de rivier en zien beneden zich in de uiterwaarden een groepje van tien, twaalf man onder paraplu's over iets gebogen staan. Over iets zeldzaams en wonderschoons, zullen ze denken.

'Ik wil jullie niet vervelen met grasjes', zegt Elja van Dongen en houdt een groen stengeltje omhoog. Maar als we hier even naar kijken: gootvormige blaadjes en die pluim hier bovenop, aan één kant afgeplat - geeft u het maar even door: straatgras.'

'Ah, straatgras', zegt een mevrouw.

'U weet zeker dat het geen ruw beemdgras is', zegt een mannetje met gefronste wenkbrauwen.

Van Dongen is het gewend. 'Kijkt u maar eens naar de platte stengel', zegt ze, 'de aren van het pluimpje die één kant op wijzen: Poa Annua, straatgras.'

'U kunt wel bij mij onder de paraplu', zegt een vriendelijke meneer tegen de vrouw naast hem.

'Je hebt nog steeds mensen die alles wat geel is paardebloem noemen', gaat Van Dongen verder, 'en toegegeven: deze heeft er ook wel wat van weg. Maar kijk eens naar het blad, hoe breed, en voel eens hoe harig. Gewoon biggekruid.'

'Ik heb me voorgenomen', zegt een meisje van iets in de twintig, 'als ik er vijf onthoud, is mijn middag geslaagd.'

'Wij deden op vakantie altijd een spelletje', zegt een mevrouw, 'zoveel mogelijk plantennamen verzinnen met een beest erin.'

'Hier: wilde bertram!' Het kleine mannetje van zojuist was even vooruitgelopen, maar komt nu terug met een kamille-achtig kruid, dat hij met wortel en al heeft uitgetrokken.

'Biggekruid, hondsdraf, kikkerbeet, kievitsbloem, varkensgras...' somt de vrouw van het vakantiespelletje op.

Regen slaat neer op haar boek als Elja van Dongen zoekt of de bloem waarnaast ze gehurkt zit de kale jonker of de kruldistel is. 'Voelen, kijken, ruiken, vergelijken - soms zelf proeven', zegt ze, 'dat komt er allemaal bij kijken.'

Terwijl boven het gezelschap een aalscholver langswiekt en de gids overeind komt ('De kale jonker, inderdaad'), gaat de vrouw van het vakan tie spel lenboek onverdroten verder: 'Beren klauw, wolfspoot, leeuwenbek, zwanebloem...'

Het is nooit aardig een verjaardagsfeestje te verlaten met de mededeling dat je nog een feestje hebt, maar Van Dongen begrijpt het. Er staat voor vanmiddag nog een excursie op het programma: 'Weide- en bosvogels' in polderpark Cronestein, vlak onder Leiden. Over de a28 gaat het naar Utrecht; via de a12 richting Den Haag (ten minste één keer geflitst) en Leiden-oost naar het educatief bezoekerscentrum Het Reigersbos, waar door het jaar heen de meest uiteenlopende groene wandelingen worden georganiseerd. De gidsen Gerard van der Klugt en Yolanda Brouwer staan al in de startblokken.

'De smientjes zijn al terug', straalt Van der Klugt. 'En ze zijn ook al helemaal op kleur!' Hij legt een reusachtige telescoop over zijn schouder. 'Zijn we compleet? Dan gaan we.'

Smienten zijn eenden, zo blijkt later, als het gezelschap aan een oer-Hol landse sloot staat, met uitzicht op een oer-Hollandse polder. En dat 'te rug zijn' van de smienten, wil zeggen: terug uit Scandinavië waar ze gebroed hebben. 'Op kleur' ten slotte, betekent dat ze al helemaal in hun mahoniebruine winterkleed zijn - 'helemaal uitgekleurd' zoals Van der Klugt het ook wel noemt.

'Vergelijk ze maar eens met die grijze krakeenden daarachter', wijst Yolanda Brouwer.

'Met eenden kan ik niks', zegt een oudere dame. Ze weigert door de gereedstaande telescoop te kijken. 'Het spul lijkt allemaal op elkaar. Zwanen wel', zegt ze. 'Zwanen vind ik prachtig. Zwanen zijn monogaam.'

Het is duidelijk een oriëntatiewandeling. Het verschil tussen een kraai en een kauw komt voorbij, evenals dat tussen een meerkoet en een waterhoen.

'In het voorjaar geven we ook onze vogelzangexcursies', zegt Brou wer. Ze attendeert het gezelschap op een rozenbottelstruik waaruit een geluid komt alsof er een roestig fietswiel wordt ronddraaid. 'En?', zegt ze.

'Een klein groenig vogeltje', hint Van der Klugt. 'De groenling!' roept de ijverigste deelnemer. Het gezang in de struiken verstomt onmiddellijk. 'De tjiftjaf', zegt Brouwer vriendelijk. 'Ah', klinkt het achteruit de groep, 'de tjiftjaf'.

Renée staat achter de bar van ontmoetingscentrum Reigersbos en serveert zelfgebakken appelflappen of een lokale variant daarvan. Zij brengt ook het slechte nieuws. De vogelwerkgroep heeft het wonderwel droog gehouden, maar voor de sterrenexcursie, die voor vanavond half negen gepland staat, is het weer te onbestendig. 'Daarvoor moet je, logisch, een stabiele, heldere hemel hebben.' Buiten stapelt iemand de stoelen in elkaar. Het gaat weer regenen. Dus verder gaat de reis verder, via Utrecht en de a2 richting Den Bosch, voor een excursie die minder weersgevoelig is.

Hij staat op de Grote Markt van Veghel: Gerard van Leiden. Het is een uur of negen in de avond. Broeks pijpen in de stevige, hoge schoenen, rugzak om, het nette grijze haar onder de baseballcap. Van Leiden gaat op neushoornjacht, zo lijkt het.

De groep mensen om hem heen groeit snel, tot een mannetje of twintig. Ze gaan 'vleermuizen', zo noemt hij hun nachtelijk avontuur. Een deel van de groep heeft hij al op z'n lezing gehad, dus de basisprincipes zijn bekend. Dat de vleermuis geen vogel is bijvoorbeeld maar een zoogdier. En hoe de sonar werkt, waarmee de vleermuis de afstand naar een obstakel of zijn prooi schat. 'Als dat geluid niet boven onze gehoorgrens lag', onderstreept hij nog eens, 'klonk het als een drilboor in onze oren.' Naast Van Leiden lopen nog drie leden van de vleer muizenwerkgroep mee, elk een detector om de nek, om de geluiden op te pikken en tot een hoorbare frequentie terug te brengen.

Van Leiden had drie dagen terug al even voorgewandeld, en belooft een waar spektakel. 'Jullie zullen na de wandeling geen vleermuis meer kunnen horen', zegt hij. 'Hoewel', hij steekt een vinger in de lucht, 'op een natte, winderige avond zou het weleens anders kunnen liggen.' Hij gaat voorop, met stevige passen. De schemering gaat over in donkerte. Het moet iets geheimzinnigs hebben voor langsfietsende Veghelaren: een groep mensen die zwijgend in een kring op straat staat, de ogen naar het zwerk gericht. Er word gefluisterd, met hoofden geschud, dan gaat het weer verder, achter de man met de pet aan.

'Je kunt met mensen al geen afspraak maken', zegt Van Leiden, 'laat staan met dieren.' Twintig man hangen over de brug van het Julianapark om een glimp op te vangen van de watervleermuis, die hier in strakke, regelmatige banen, voorbij zou moeten komen. De zaklamp van Van Leiden flitst over het donkere water. Drie leden van de vleermuizenwerkgroep kijken ingespannen op hun detectors. Niets.

'Het gaat toch ook slecht met de vleermuizenstand?', vraagt iemand.

'Niet heel goed', zegt Van Leiden. 'De huizenbouw van tegenwoordig biedt weinig mogelijkheden om te schuilen of in winterslaap te gaan. Maar precieze cijfers ontbreken. Daar voor wordt te weinig onderzoek gedaan.'

'Het kan gewoon een avondje tegenzitten', zegt collega Jan. Hij bedoelt het opbeurend. 'Wij hadden met onze werk groep een excursie naar de Moker Hei, prachtig geregeld, heerlijk gegeten, maar geen vleermuis gezien. Botte pech, heet dat.'

Maar in de Vondelstraat, ter hoogte van de oude Bernadetteschool, klinkt opeens zijn stem: 'Roepend mannetje op twintig!' Gedraai aan knoppen. 'Twintig' staat voor 20 duizend hertz, de frequentie van de dwergvleermuis, door de vriendin van Jan, Adrie, liefdevol aangeduid als 'een dwergje'.

'Je voelt het ook', zegt Gerard van Leiden. 'Het is hier een lekker warm, tochtvrij plekje, beschut tussen de bomen. Lekker voor insecten, lekker voor de vleermuizen. Luister.'

En uit alle detectoren klinkt nu het geluid alsof twee biljartballen tegen elkaar ketsen, maar naarmate de tikken elkaar sneller opvolgen, klinkt het meer als Fred Astaire op een parketvloer. Even is het stil. 'Je hoort dat de tikken sneller achter elkaar klinken naarmate de vleermuis zijn prooi nadert', zegt Van Leiden, 'tot de vangstbuzz - dan houdt het even op. Maar hij komt terug, ze vliegen altijd hetzelfde rondje.'

Boven een waterplas, die door de Veghelaren wordt aangeduid als Moe ders Gat, is het zelfs druk. Daar fladderen enkele dwergjes, een laatvlieger en een watervleermuis. In het geval van die laatste klinkt de detector meer als een pruttelende frituurpan. 'Een wat drogere tik dan die van de dwergvleermuis', zegt Van Leiden. De omstanders knikken geïmponeerd. Dit is duidelijk taal voor gevorderden.

Van Leiden wrijft vleermuizendrolletjes samen tussen zijn vingers, het vervilt, vergruist in tegenstelling tot smeuïge muizendrolletjes waar ze wel iets van weg hebben. Hij wijst op het nut van vleermuizen en de noodzaak ze te beschermen. Hij deelt snoepjes uit in de vorm van vleermuizen - er zijn ook een paar gapende kinderen van de partij - en sluit de excursie om een uur of elf, als het weer zachtjes is gaan regen, met dank voor de belangstelling af. Maar niet dan nadat de leden van de vleermuiswerkgroep en de verslaggever hebben beloofd nog een glaasje wijn bij hem te komen drinken, op de goede afloop.

Het is de projectleider van de Groene Maand, Bart Zwagemaker, die de verslaggever de volgende dag uit bed belt. Aan de vroege kant wel te verstaan. Of het leuk en leerzaam was?

Het was vooral nat. En ver.

Dat is niet aardig om te zeggen, maar Zwagemaker reageert voorbeeldig. 'Het weer is een van de redenen waarom het ivn haar jaarlijkse Op Pad-weekend tot een hele maand wilde vervangen', zegt hij. 'Dan weet je tenminste zeker dat het niet helemáál in het water kan vallen.'

En over dat 'ver'. Ruim zeshonderd kilometer afgelegd op een dag. Als je dat in een rechte lijn doet, zit je in Parijs.

Zwagemaker begint uit te leggen dat het juist een van de gedachten achter de Groene Maand is mensen te attenderen op duurzame, groene recreatie in hun buurt. Dat er bij iedereen om de hoek wel iets aan natuur te beleven valt. 'Eigenlijk is het niet de bedoeling dat je in de auto stapt en er het hele land voor doorrijdt', zegt hij vriendelijk. 'Laat staan drie keer.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden