Grillige avonturen in één groot gekkenhuis

Er zijn weinig leuke boeken, maar als een boek zó begint, dan zit het wel goed:..

'De districtsstad N telde zoveel kapperszaken en uitvaartbureaus dat het was of de inwoners louter geboren werden om zich te laten scheren, knippen, het hoofd met brillantine op te frissen en meteen te overlijden. In werkelijkheid werd er in de districtsstad N maar weinig geboren, geschoren en gestorven. Het leven in de stad N was bladstil.'

Het boek heet De twaalf stoelen en het werd geschreven door Ilja Ilf en Jevgeni Petrov, voluit: Ilja Arnoldovitsj Fajnzilberg (1897-1937) en Jevgeni Petrovitsj Katajev (1903-1942), een duo dat ook heel komische dingen te berde wist te brengen als men vroeg hoe ze dat deden, een boek met z'n tweeën schrijven.

Het verhaal speelt zich af in de jaren na de Oktoberrevolutie van 1917; de republiek is dan al onvervaard op weg één groot gekkenhuis te worden. Ippolit Matvejevisj Vorobjaninov, een man van adel, die zich onder de gewijzigde omstandigheden als bureaucraat heeft kunnen handhaven, ontdekt bij de dood van zijn schoonmoeder dat zij een zak met diamanten in een van haar twaalf stoelen heeft verstopt, en die stoelen zijn verkocht.

Ippolit gaat op zoek, maar zijn pad wordt al spoedig gekruist door de onweerstaanbare schelm Ostap Bender, een gelukszoeker, die óók geld ruikt. Voor de arme Ippolit weet hij zijn mateloze begeerte vooralsnog leep te verbergen. Koeltjes stelt hij voor de schat gezamenlijk op te sporen, maar dan wel sam-sam als de buiten binnen is. Akkoord? Ippolit moet wel, want hij is, zo blijkt, een onhandige sukkel, die absoluut niet tegen deze Tijl Uilenspiegel - met zijn grootspraak, list en brutaliteit - is opgewassen.

Gedreven door hun geldzucht raken de twee in een grillige reeks avonturen verzeild, die hen van de districtsstad N naar Moskou voeren, en verder, tot in de recent weer spraakmakende Kaukasische republieken, die - als je de kranteberichten van nu leest en die vergelijkt met de passages in dit boek - in zeventig jaar geen spat veranderd lijken te zijn, laat staan dat er van zoiets als 'vooruitgang' sprake is geweest.

Met ware wellust schetsen Ilf en Petrov het leven in de piepjonge, maar eigenlijke dodelijk vermoeide heilstaat en die latent aanwezige 'maatschappijkritiek' kleurt de queeste van het tweetal als een druppel inkt een kom helder water.

Het eind is tragisch. Vorobjaninov, door Bender familiaar 'poesje' genoemd, vermoordt zijn maat en moet vervolgens tot zijn leedwezen constateren dat de schat is opgegaan in het troosteloze beton van een miserabel vakbondsgebouw. Hij valt aan de waanzin ten prooi.

Maar dat is nog niet alles. Ilf en Petrov gingen dóór en schreven in het voetspoor van hun succes Het gouden kalf, waarin ze niet alleen Bender uit de dood laten verrijzen, maar ook hun afkeer van de alomtegenwoordige communistische partijbureaucratie (en 'de strenge burger' die deze voortbracht) met nieuw elan tot humor transformeerden.

Beide boeken werden vertaald door Arie van der Ent. Hij was niet de enige, want zoals vorige week in Rumoer te lezen viel heeft ook Frans Stapert werk gemaakt van de beide romans, die hij in eigen beheer heeft uitgegeven. Een merkwaardige coïncidentie. Misschien moet er een 'meldpunt' voor vertalers komen. In het jongste nummer van Hollands Maandblad was ook al sprake van een dubbele vertaling (Les Trophées van José-Maria de Heredia).

In elk geval heeft de arbeid van Van der Ent geresulteerd in een fraaie uitgave van de Wereldbibliotheek, die De twaalf stoelen en Het gouden kalf in één band opnam. Op het omslag staat een afbeelding van De verschijning van Christus aan het volk, het magnum opus van de schilder Alexander Ivanov.

Dat is niet voor niets, legt Arie van der Ent in zijn nawoord uit. Het schilderij komt in Het gouden kalf als gravure voor. Misschien is de duivel Bender in dit boek eigenlijk een Messias en bovendien is de naakte man uiterst rechts op het schilderij Gogol, de schrijver die met zijn Dode zielen Ilf en Petrov inspireerde (¿ 59,50).

Leuke boeken, maar wat is leuk? Met die vraag tobt de Tsjechische schrijver Milan Kundera in het begin van zijn Verraden testamenten waar hij schrijft: 'Als iemand me zou vragen wat de meest voorkomende oorzaak is van de misverstanden tussen mijn lezers en mij, dan zou ik niet aarzelen: de humor.' Toen hij pas in Frankrijk was, werd hem door een beroemde hoogleraar in de medicijnen gevraagd een colloquium over kunstmatige inseminatie bij te wonen (omdat in zijn roman Afscheidswals een dokter schijnbaar onvruchtbare vrouwen stiekem met een speciale naald zijn eigen sperma inbrengt). De professor had wel waardering voor dat boek, maar hij vond dat de schrijver er niet in geslaagd was 'de morele schoonheid van de zaaddonatie krachtig genoeg uit te drukken'.

Kundera verdedigde zich: 'De roman was komisch. Mijn dokter is een fantast! Dat alles moet niet zo serieus genomen worden! Dus, zegt hij wantrouwend, men moet uw roman niet serieus nemen? Ik werk me in de nesten, en plotseling begrijp ik: niets is zo moeilijk als humor verduidelijken.'

Niettemin probeert hij dat in deze essays, die gelezen kunnen worden als 'een roman over de roman', de Europese roman, waarvoor Kundera al eerder een lans heeft gebroken, en die hij nu baseert, in navolging van Octavio Paz - die gezegd heeft: 'Humor is de grote uitvinding van de moderne geest' - op dit fundamentele idee: 'Humor is geen oeroude menselijke praktijk; het is een uitvinding die verbonden is met de geboorte van de roman. Humor is dus niet het lachen, de spotternij, de satire, maar een bijzondere vorm van het komische, waarvan Paz zegt (en dat is de sleutel tot begrip van het wezen van de humor) dat hij ''al wat hij aanraakt ambigu maakt''.'

En met die aanwijzing op zak gaat hij op pad, de hele moderne romankunst door, van Rabelais tot Salman Rushdie, van Flaubert tot Thomas Mann en Kafka (waarbij Bach, Stravinsky en Adorno niet worden vergeten) en dat is een mooie tocht. Piet Meeuse vertaalde het Franse origineel (Ambo, ¿ 39,90).

Humor. De lezers van de memoires van Giacomo Casanova, Chevalier de Seingalt, hoef ik daarover niets te vertellen. Theo Kars vertaalde totnutoe De school van het leven, Eigen heer en meester, Henriëtte, De ontsnapping en De jacht op geld. Hij voegt daar deel zes, Een man van aanzien, aan toe, waarin de schuinsmarcheerder die Casanova was zich vanuit Nederland naar Duitsland en Zwitserland begeeft. Hij wordt belaagd door een groepje internationale avonturiers, maar dat laat zijn streven naar galante avonturen (de kleine Nederlandse Esther laat hij rustig in Amsterdam achter) en flink wat handgeld onverlet. Financieel gaat het de chevalier voor de wind.

Een hoogtepunt in deze vertelling die in 1759 begint (en opnieuw een opwindend tijdsbeeld geeft, dat wij uit de geschiedenisboeken niet kennen) is de ontmoeting van Casanova met Voltaire en de woordenwisseling die daaruit ontstaat (Athenaeum-Polak & Van Gennep, ¿ 45,-; ¿ 65,- gebonden).

Is Maarten 't Hart ook een humorist? Menigeen zal het beamen, maar voor Wam de Moor woog die vraag niet het zwaarst, toen hij zich zette aan een grote studie van het veelgelezen oeuvre (van Een vlucht regenwulpen uit 1978 werden 450 duizend stuks verkocht; De Moor verstrekt meer zulke zakelijke gegevens). De belangrijkste kwestie voor de Nijmeegse geleerde, die in dit boek en passant afstand neemt van het katholicisme dat hem als criticus aangewreven werd, was of 't Hart een literair auteur genoemd kan worden, want dat is iets anders dan een veelgelezen auteur.

Om daarover uitsluitsel te verkrijgen herlas Wam de Moor alles wat 't Hart ooit geschreven heeft, en dat is wel verhelderend. Van belang acht De Moor zijn omstreden object vooral vanwege zijn niet aflatende strijdbaarheid in tal van kwesties (het feminisme!). Sommige boeken van 't Hart bezwijken ook na jaren niet onder De Moors kritische blik, al dingt hij flink af op bepaalde gewoonten van 't Hart, die tijdens het lezen behoorlijk zijn gaan irriteren (zoals de vele vragen die gesteld worden; de onhandige manier waarop vormen van reflectie gestalte krijgen en vooral het opblazen van gewone dingen tot iets bijzonders, wat tot bombast en onbedoelde humor leidt). Een Hollands mirakel verscheen bij De Arbeiderspers (¿ 39,90).

In Kehinde en de geest van Taiwo vertelt de Nigeriaanse schrijfster Buchi Emecheta (Nigeria, 1944) het verhaal van een zwarte vrouw in Londen - waar zij zich tot bedrijfsleider van een bank heeft opgewerkt - en haar worsteling met het leven tussen twee culturen. Als haar man met hun kinderen naar Nigeria terugkeert, volgt zij hem geruime tijd later. Dan merkt ze dat ze haar plaats moet delen met een andere vrouw. Uit de 'gesprekken' met haar in de baarmoeder gestorven tweelingzusje Taiwo put zij de kracht terug te gaan naar Engeland (In de Knipscheer, ¿ 39,50).

Hetzelfde thema, het leven tussen twee culturen, wordt door Monica SÒavulescu-Voudouris, een Roemeense, aangesneden in haar (autobiografische en wat pathetische) brief aan haar ten dode opgeschreven vader, die haar nog eenmaal heeft bezocht in het Westen. Vader, wij zijn slaapwandelaars verscheen bij de Feministische Uitgeverij Vita (¿ 29,50), die tegelijkertijd een boekje voor de feestdagen meestuurde: . . . enige knoflooknoten, een takje thijm. Kerstmis met Jo Boer (¿ 7,50).

Het werd geschreven door Aad Meinderts, die de schilderes en schrijfster Jo Boer, met haar eigenzinnige karakter, haar eetlust en haar intens genieten van de kerstboom, levendig portretteert. Een paar favoriete kerstrecepten van de schrijfster besluiten het boek.

Jo Boer is niet de enige die we zijn vergeten, hoewel boeken van haar als Melancholie der verzonken jaren (1948) en Kruis of Munt (1949) hoge oplagen kenden en door critici als Anna Blaman en F. Bordewijk werden geprezen. Menno Ter Braak was al in 1938 wèg van haar, toen hij in Het Vaderland de roman waarmee ze debuteerde, Catharina en de magnolia's, lovend besprak. Kennelijk helpt het niet, zo min als het Ferdinand Langen of François Pauwels - wiens roman Tijgers in 1954 door J. Greshoff 'een van de grootste, belangrijkste romans uit de Nederlandse letterkunde' werd genoemd - heeft geholpen.

Hun namen vallen - evenals die van Jo Boer in een stuk van Rinus Ferdinandusse - in het Schrijversprentenboek dat vanwege het oprichtingsjaar van het Letterkundig Museum aan 1954 is gewijd: 1954. Een literaire doorsnee (Querido, ¿ 39,90). Het boek geeft, ook al door de vele plaatjes, een beeld van de literatuur in die tijd, die - bij alles wat inmiddels is vergeten - kennelijk zoveel kwaliteit bezat, dat heel veel ervan niet verdween. Misschien was het 'de drang tot vernieuwing', waarover Pierre H. Dubois schrijft, die de naoorlogse literatuur zo'n centrale plaats in het maatschappelijk leven gaf.

Niet alle uitstapjes naar het verleden zijn zo ontspannen. Prof. dr. A. Th. van Deursen, hoogleraar nieuwe geschiedenis aan de Vrije Universiteit, werd er tamelijk somber van toen hij voor zijn Huizinga-lezing 'de geest der eeuw' trachtte te vangen. De kwalen die Huizinga signaleerde (en voor hem Isaäc da Costa) lijken in het jongste verleden alleen maar erger te zijn geworden. Gelaten valt hij terug op 'een zalig kerstfeest' (Huizinga en de geest der eeuw, Bert Bakker, ¿ 19,90).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden