Griezelen is gezond; KINDERBOEKENWEEK IN TEKEN VAN SPROOKJES EN MYTHEN

V ERHALEN vertellen is nodig. En vooral verzonnen verhalen houden de samenleving in stand. De hang naar fictie is sinds de eerste sporen van menselijk leven zo onweerstaanbaar dat deze drift kennelijk tot de primaire levensvoorwaarden gerekend moet worden....

In het bijzonder sprookjes prikkelen de verbeelding. Omdat ze tot niets verplichten? Toch lossen ze van alles op, in onwerkelijke omgevingen, die het gebruik van even onmogelijke als ongeoorloofde machinaties bijna vanzelfsprekend maakt. Daardoor wordt niet alleen de aantrekkingskracht verhoogd, maar ook een universele toepasbaarheid bevorderd voor later. Vandaar al die kastelen en wouden, prinsen, feeën en tovenaars, die troost schenken, beschadigd rechtsgevoel compenseren en wraakgevoelens rechtvaardigen die in het gewone leven geen plaats mogen hebben.

Sprookjes, legenden, mythen, sagen en al zulk bezweringsgoed van onpeilbare herkomst vormen het thema van de kinderboekenweek, die van 2 tot en met 12 oktober onder het motto 'Heksenketel' wordt gehouden. Ze blijken onverwoestbaar, omdat ze tegemoetkomen aan de diepste verlangens die de mensenziel beroeren en teisteren. Bovenal is er de onbedwingbare zucht naar het zoeken van voortdurende rechtvaardigingen voor de eigen onlustgevoelens en van welriekende balsems voor de rauwe wonden die het verloren paradijs nog dagelijks doen voelen.

Die behoefte aan sprookjes is privé, half-geheim en ook gênant, want zij ontkent de efficiëntie van de officiële troostmiddelen van kerk en staat, die met hun genademiddelen en rechtsethiek zo duidelijk spontane bevredigingen en wraaknemingen dwarsbomen. Daarom vliegen in sprookjes de hoofden van boosdoeners al gauw in het rond, wordt er geamputeerd dat het een lieve lust is, tiert kannibalisme welig en waren afgrijselijke monsters rond tezamen met boze stiefmoeders en oerlelijke zusters.

De wraakzucht in deze geërfde vertelschat richt zich vooral op buitenstaanders en vreemd bloed. Vrijwel geen spookje, sage of mythe verzuimt racisme of andere gewelddadigheid op te voeren als exponent van een gezond volksgevoel. Niet zelden figureert dat in de vorm van een even 'volks' rechtssysteem, waarin boekengeleerdheid niet bestaat en boerenslimheid de toon aangeeft.

Een zigeunermeisje is betrapt op diefstal, komt voor de rechtbank en moet hangen. De rechter raakt bevangen door een ook geldend sentiment van een zeker mededogen, want hij is van mening dat kinderen niet aan de galg horen. Maar mag ze wel een kind heten? Hij besluit haar op de proef te stellen door een appel en een goudstuk ter keuze voor te leggen. Ze kiest voor de munt, want daarmee kan ze een heleboel appels kopen. En daaruit concludeert de rechter dat ze handelt als een volwassen vrouw. Waarna ze alsnog door de beul wordt opgehangen.

Hoe is het mogelijk dat zulke primitieve instrumenten om te overleven nog zo enthousiast verwerkt worden in de moderne tijd? En hoe valt het te verklaren dat uitgerekend deze dubieuze smetstof sinds de romantiek aangewend is om de tere kinderziel in het gareel te houden en te beschaven? Niet alleen lijkt de jeugd daardoor voortdurend op verkeerde gedachten gebracht te worden, veel sprookjes zijn zonder meer angstaanjagend. Heksen mesten magere kinderen achter tralies vet als lekkernij, stiefmoeders proberen beeldschone dochters te vergiftigen, reuzen achtervolgen een dreumes tot het einde van de wereld om hem te doden en - natuurlijk - op te eten.

De opvoeders van weleer waardeerden het waarschuwend effect van dergelijke wanstaltige bedreigingen en straffen. Kies je de verkeerde weg door het bos, dan loop je de kans opgevreten te worden. Daarbij leenden al die monsterlijkheden zich voor eenvoudig te begrijpen verbeeldingen van meer alledaags kwaad, waardoor snoepen uit de suikerpot heel gemakkelijk te verbinden viel met eten van een vergiftigde appel.

Maar dat zijn allemaal moderne gebruiksmogelijkheden die tot in onze tijd het sprookje een waar passepartout-karakter verlenen. Want volgens de modernste opvoeders biedt de sprookjesachtige verpakking van al die gewelddadige wensdromen evenzeer aangename mogelijkheden tot spirituele oefeningen en compensaties voor de allerkleinsten. Griezelen is gezond. Dromen van de prins op het witte paard ook. En daar moet zo vroeg mogelijk mee begonnen worden.

Maar de wortels van deze oerverhalen liggen veel dieper. Sprookjes vormen de echo's van de oudste overlevingsstrategieën. Om zich te kunnen handhaven moesten de eerste jagers die onze moerassige steppen bevolkten, zorgvuldig leren alle tekenen van de natuur te verstaan. Al die kennis diende steeds te worden benut om het noodzakelijke voedsel te vinden en dreigend gevaar te herkennen, of het nu om stormen ging, wilde dieren of de medemens.

Deze kennis, telkens samengebald in een deugdelijk eerstehulp-pakket, is duizenden jaren lang doorgegeven in een eindeloos mondeling circuit. Flarden en stolsels daarvan zijn bewaard in sprookjes, die met hun even instructieve als voorbeeldige verhaalvorm van heldere contrasten tussen goed en kwaad, groot en klein, jong en oud, de meest aangewezen vorm bleken om over te dragen hoe men kon blijven bestaan.

Ook die noodzaak tot leren in een mondelinge overdracht verklaart de verwerking van de leerstof tot spectaculaire anekdoten. Uit zulke modellen stak men veel meer op dan uit abstracte waarschuwingen, terwijl monsterlijkheden al in de vroegst bewaarde teksten en afbeeldingen gebruikt worden om als geheugensteun te dienen. De afgrijselijke kop van Medusa uit de antieke mythologie vergeet men nooit meer. En met die herinnering reist automatisch een schat aan opwindende instructie mee over vijandelijk gedrag, verraad, opoffering en pragmatische moed.

Daarom vertonen deze vertellingen naast hun grove zwart-wit tekeningen ook zulke stereotiepe plotontwikkelingen en geijkte vertelformules. Ze zijn als het ware gecodeerd om in tijden van acute fysieke of psychische nood onmiddellijk te kunnen voldoen aan de gevraagde werking van bescherming, bezwering en troost. Daarom zijn ook concrete verwijzingen naar tijd ('eens') of streek ('ergens') afwezig, zodat de inzetbaarheid niet gehinderd wordt door historische vergrendelingen. En daarom bevatten sprookjes ook zoveel spreuken en zegswijzen, die de aangeboden lering en troost nog eens concentreren in eenvoudig te hanteren slogans.

De kennis van de oude jagers is vooral gebaseerd op een even persoonlijke als praktische slimheid. De noodzaak tot individuele handigheid om de ongrijpbare machten te weerstaan mondt uit in een ware schelmenliteratuur. De nieuwbakken burger van de late Middeleeuwen herkende zich graag in zulke inventieve eenlingen, die net als hij moesten opboksen tegen een gezag dat op papier veel sterker was. Daarom konden slechts subversieve acties uitkomst bieden.

K AMPIOEN VAN allen wordt Uilenspiegel, maar hij kent vele voorgangers en navolgers. Vaak hebben deze nieuwe helden van de massa ook nog een lichaamsgebrek of een ogenschijnlijk verstandelijke handicap, die hun verbijsterende resultaten des te indrukwekkender maakt: Esopus, de fabelverteller, met zijn bochel en lelijke uiterlijk in het algemeen; het vosje Reynaert, zoveel kleiner en fragieler als zijn officiële belagers en vijanden de leeuw, de wolf en de beer; de ongelofelijke boerenpummel Marcolphus, die zelfs de wijste koning aankan; en ten slotte ook een leger aan zwervers die niets te verliezen hebben, arme studenten en verlopen geestelijken.

Zij zijn de transporteurs van eeuwenoude technieken om aan de kost te komen en in leven te blijven, die sinds mensenheugenis uitgekristalliseerd liggen in sprookjes als levenselixir uit de erfschat van de voorouderlijke jagers. Daar zijn het vooral simpele boerendochters en handwerkerszonen die iedereen te slim af zijn. Ze worden nog overtroffen door de aandoenlijke Klein Duimpje, die een opmerkelijke handicap in zijn talrijk overgeleverde heldendaden telkens weet te verheffen tot een nieuwe natuurwet: wie niet sterk is moet slim zijn.

Deze schematische oerverhalen zijn vanaf de klassieke Oudheid ook opgetekend en verwerkt tot literatuur, zonder dat daarmee het doorvertellen en improviseren tot een eind kwamen. Telkens bepaalden verteller en publiek hoe de actuele versie van een sprookje, sage of legende eruit moest zien. Dat hing direct samen met tijd-, streek- en milieugebonden sentimenten.

Daarom voorziet de bestudering van de varianten binnen een sprookjesfamilie meteen in een allesomvattende wereldgeschiedenis. De bekende anekdote over een man die beweert te kunnen wegvliegen van een kerktoren - onder meer verbonden met Uilenspiegel - wordt aan het eind van de Middeleeuwen in de schoenen geschoven van de al even legendarische Pastoor van Kalenberg. Maar nu komt er de toevoeging bij dat deze het geïntrigeerde publiek van boeren en dorpelingen urenlang in de hitte liet wachten om zijn koster de gelegenheid te geven een grote partij bedorven wijn uit te venten. Zo wil men de anekdote nu horen, in het nieuwe gelid van actuele opwinding over veel geld verdienen door middel van koopmansslimheid.

De eeuwenoude fantasieën over Luilekkerland, al bekend uit de Griekse Oudheid, worden gedragen door het verlangen naar oeverloos schransen en eindeloos luieren. Maar telkens wordt de stof in de vorm gegoten die een bepaald publiek op een zeker tijdstip wenst. Zijn de huizen aanvankelijk gebouwd van worst, zalm en steur, dan verandert deze architectuur later via de pannenkoeken op de daken in volmaakte snoepuitrustingen, zodra dit nu ook leerzaam bedoelde compensatiemiddel kinderen in het vizier krijgt.

En moet men zich in de Lage Landen via een massieve rijstebrijberg toegang verschaffen, dan bestaat deze barricade in Italië uit een enorme Parmezaanse kaas, terwijl men in Ierland gehouden is om door een eindeloze zee van varkensmest te waden. Die laatste substantie geeft aan dat deze sprookjesstof nu in de eerste plaats voor keiharde satire wordt gebruikt. Na de stront belandt men in een Luilekkerland, dat uit een klooster blijkt te bestaan vol wulpse nonnen en losbandige monniken, die zich ongans vreten en paren. Dus: van de regen in de drup.

Opmerkelijk is de negatieve rol van vrouwen door alle eeuwen heen. Dat is des te merkwaardiger, omdat het vertellen van sprookjes in het bijzonder hun domein heette te zijn. Bij gebrek aan officële mogelijkheden om zich publiek te uiten via kansel, politieke vergadering of leerstoel, moesten vrouwen in het pre-industriële tijdperk wel hun toevlucht nemen tot verhalen. En dat zij daarvoor de vorm kozen van sprookjes en mythen volgde niet alleen uit hun traditionele taak om te helpen en te troosten, maar ook uit zelfbehoud. Het was immers uitgesloten dat een vrouw openlijk iets als een alternatieve gerechtigheid zou suggereren, wraak of maatschappijkritiek. In de vorm van een sprookje kon echter alles.

Maar waarom dan al die heksen, boze stiefmoeders en even lelijke als kwaadaardige zusters? Het sprookje, verteld onder het spinnen of bij het waterhalen, werd ook gebruikt als instrument in de onderlinge competitie. Traditioneel kwam een vrouw door een huwelijk in een andere familie. Daardoor vormde zij een bedreiging voor de aanwezige vrouwen, terwijl ze bovendien verdacht werd van heimelijke sympathieën voor haar oorspronkelijke bloedverwanten, die zij op steelse wijze van haar nieuwe kennis zou laten profiteren. Maar ook de alleenstaande vrouw (weduwe, maagd) ontmoette zulke vijandschap van getrouwde vrouwen, omdat zij verondersteld werd op hun mannen te azen.

Menig sprookje verdelgt kwaadaardige vrouwen uit naam van andere, waarbij het vrouwen moeten zijn geweest die zulke stof opdolven en doorvertelden. Broer Jan en zus Griet kunnen het goed met elkaar vinden. Jans vrouw wordt echter jaloers en bedenkt de gemeenste streken om Griet in diskrediet te brengen. Ze voorziet de luier van haar baby - nota bene haar eigen kind - van gemeen stekende spelden, waarna Griet mag oppassen. Zodra die de baby optilt, zet deze het op een krijsen. En schoonzuster beschuldigt Griet van het opzettelijk pijnigen van haar baby.

Zo gaat dat door, waarbij de oprechte Griet voortdurend het onderspit moet delven. Ten slotte is de maat vol en besluit Jan zijn zuster te doden. Op haar smeekbeden beperkt hij zich goedmoedig tot het afsnijden van haar handen, die hij zo ver mogelijk wegwerpt. Dan is het keerpunt bereikt. Er moet gerechtigheid komen, die Griet in ere zal herstellen en het vreemde bloed weet te verdelgen. Dat gebeurt allemaal razendsnel, natuurlijk met behulp van miraculeuze helpers. En een wrede wraak ter bevrediging van het volkse rechtsgevoel bekroont de uitkomst van deze vrouwencompetitie, waarbij mannen niet meer zijn dan een onbenullige speelbal. De boze schoonzuster wordt door vier paarden uit elkaar getrokken.

D UIDELIJK MAG zijn dat er een enorm bronnenprobleem bestaat als men sprookjes in hun meest oorspronkelijke vorm wil leren kennen. Deze vertelstof is bij de fixatie op schrift onvermijdelijk geïnfecteerd met literaire stijlvormen. De gebroeders Grimm wilden de wortels van de Duitse taal leren kennen en begonnen daartoe zo'n tweehonderd jaar geleden talrijke sprookjes te noteren uit de mond van boeren en ambachtslieden. Daarbij fatsoeneerden zij al meteen alles wat zij meenden op te vangen. Maar toen zij merkten dat deze verhaaltjes vooral aansloegen bij kinderen, vormde dat een nog veel grotere vrijbrief om de sprookjes in hun geheel te richten op wat kinderen zou kunnen stichten en behagen.

Mede door zijn succes trok het sprookje ook de aandacht van de elite-literatuur, waar men complete teksten van dien aard naar eigen inzicht begon te ontwerpen volgens de regels van de literaire kunst, onder verwerking van stof uit de oeroude overleveringen. Daarvan zijn de sprookjes van Andersen het meest beroemde voorbeeld. De Nederlandse literatuur is vooral door Couperus verrijkt met verwerkingen van diverse mythen en sprookjes. Ook Frederik van Eeden en Godfried Bomans zijn auteurs van nog steeds gewilde teksten van deze soort.

Desondanks blijven de oorspronkelijke kernen en bedoelingen van het sprookje in dit woud van verdraaiende verschriftelijkingen nog goed zichtbaar. Ze straffen, belonen en bezweren wat woede veroorzaakt, angst inboezemt en onmiddellijk ingrijpen vereist. Ze bieden een waarlijk snelrecht, volgens de logica van de weinig kansrijken en onderdrukten. En ze bieden bovenal een overlevingspakket, dat in de zijvakken volgetast is met wonderbaarlijke vervullingen van de meest primitieve wensdromen.

Volwassenen hebben inmiddels andere dromen ontworpen voor hun acute ambities en frustraties. Maar kinderen continueren ongedwongen hun verknochtheid aan deze sprookjeswaande wereld, waartegen elk kind desnoods in zijn onderbewustzijn zolang mogelijk blijft rebelleren. En daar kunnen ouderen veel van leren.

Herman Pleij

Enige gegevens zijn ontleend aan het essay 'Omweg als methode' van Carlo Ginzburg uit 1988, en aan The Absent Mother, or Women against Women in the 'Old Wives' Tale' van Marina Warner uit 1991. Enkele van de aangehaalde sprookjes komen voor in de binnenkort bij Prometheus te verschijnen heruitgave van Sprookjes uit de Lage Landen, verzameld door Hans Sleutelaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden