Griezelen in Mónosbél

Thuiskomen in je moederland. Terugkeren naar het land waar je ouders je groot hebben gebracht. De doodgraver van het Hongaarse Mónosbél....

Tijdens zijn vakanties in het Hongaarse Mónosbél leest Luc Degryse bij vlagen een hoofdstukje Hongaarse literatuur, boeken van György Konrád of Péter Nádas, en deze zomer hoofdstukken uit Egy nö (in vertaling: Een vrouw) van Péter Esterházy, een reeks stijloefeningen in de liefde. 'Er is een vrouw, die van me houdt', schrijft Esterházy in de vijfde stijloefening. 'Ze worstelt met het verleden, vooral met het persoonlijke en het algemene, dat van haarzelf en dat van het land. Deze vrouw kan niet in het gebeurde berusten.'

Bij die zinnen staat geen potloodstreepje. Luc zet altijd potloodstrepen in zijn Hongaarse boeken, dus wanneer er geen streepje staat, dan weet je: dit staat er wel, maar het is niet belangrijk. Voor Piró Pallaghy, zijn Hongaarse vrouw, is die terugkeer naar Mónosbél geen worsteling met het verleden - weet Luc - 'maar een zoete herinnering aan vroeger', toen ze in Eger of Débrecen woonde, in Hongarije.

Duizenden Hongaren, die meer dan veertig jaar geleden hun land zijn ontvlucht, herinneren zich de tragedies en de nachtmerries van 1956, het jaar van de bloedig neergeslagen Hongaarse opstand. Hun 'thuiskomst' roept de verschrikkingen uit hun jeugd op. Piró was toen zes of zeven jaar oud, een dorpsmeisje met vlechten, de dochter van 'de paardendokter'.

Ze werd vroeger in een rijtuig, misschien wel in een landauer, naar het stationnetje gebracht en reisde vervolgens naar Eger, waar ze naar school ging 'bij de Engelse nonnen'. Later studeerde ze in Débrecen talen. Piró is nu kunstenares. Ze maakt beelden uit klei, Hongaarse taferelen of zoete herinneringen.

Een land, een stad, een dorp, zelfs een huis en ook een slaapkamer, hebben een aroma. In Boedapest ruik je de Trabantjes, in Dévaványa de paarden. Elke zomer herkent Piró, tijdens haar vakantie, de geuren van Eger of van haar geboortedorp Dévaványa. Ze snuift die aangename landelijke odeur op van het gepaneerde vlees, van de paprika's en van de gekruide soep. Elk landschap heeft zo'n prikkelende reuk die herinneringen oproept: de geur van veldbloemen en van de kleine wilde aardbeien in het bos, van paardenmest en varkensstallen.

Haar jeugdherinneringen, die sluimeren in het kluwen van haar geheugen, worden 's zomers in haar geboortedorp, of in Eger en in Mónosbél, weer tastbaar: het schooltje van Dévaványa, de warme baden, de jongens van het dorp, het velours van de bioscoop, het Lyceum van Eger, de eerste liefde. Het verschijnt allemaal weer op het netvlies, elke vakantiedag iets scherper, zoals door de lens van de camera obscura onder de koepel van het Lyceum, de draaiende periscoopspiegel van Eger, die een jaloerse man heeft laten maken om zijn overspelige en nymfomane vrouw in Eger te kunnen bespieden.

Pas na enkele minuten, wanneer de ogen van de toeschouwers zich enigszins aan het donker hebben aangepast, wordt op de ronde tafel in het verduisterde vertrek de omgeving zichtbaar: het stadscentrum met zijn schitterende gevels, in barokke ungarischer Schmuck, de markt, het koffiehuis, de burcht, de basiliek van Eger en het bisschoppelijk paleis.

De boomgaard van de familie Degryse-Pallaghy grenst aan het kerkhof, op een helling achter de dorpskerk, een plek waar herinneringen vervagen. Een van de zerken is na een hevig onweer gaan schuiven. De steen gleed naar beneden en ligt nu, tot de dag des oordeels, 'onder onze notelaar'. Op een middag zegt Piró, terwijl Luc zijn hoofdstukje Esterházy leest, 'dat ze hier wil worden begraven'. Horváth komt je dan halen. . .

Vrienden van Luc en Piró logeren in het weeshuis of in het pensionnetje van mijnheer Horváth. Ze hebben geen logeerkamer. Hun boerenhuisje is te klein. Mijnheer Horváth is de doodgraver en de lijkbezorger van Mónosbél. Hij is de enige in het dorp die een grote auto heeft. Bij een overlijden haalt hij het lijk op. De overledene wordt dan opgebaard in een van de sobere kamertjes van zijn pension.

Je weet nooit wie er in de kamer naast je ligt. Het is griezelen in Mónosbél. Wie bij Horváth slaapt, krijgt een sleutel die past op alle deuren. Horváth komt je halen. . . Hij wacht op klandizie. Er zijn nog kamers vrij in het pension. Iedereen is welkom bij de doodgraver van Mónosbél, dood of levend, à raison van dertig gulden per nacht, inclusief het vlooien- en luizencircus, de couleur locale en de koppigste palinka van het hele dorp.

Paul Depondt

Dinsdag in Moederland: Henna-tatoeages. Terug naar Brazilië.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden