groot taboe

Griet Op de Beeck wilde incest bespreekbaar maken maar dat mislukte, waarom?

Beeld Eleanor Shakespeare

Schrijver Griet Op de Beeck stuitte op een muur van wantrouwen toen ze op tv vertelde over de incest uit haar jeugd. Waarom is dit onderwerp een mijnenveld geworden?

Griet Op de Beeck ligt in bed, haar hoofd diep weggestopt onder de dekens. Ze weet dat ze moet opstaan, haar nieuwe roman wacht, maar ze is er niet toe in staat. Tot niks eigenlijk. Het verdriet, de angst, de zelfhaat; ze zijn allemaal terug. Destructieve neigingen bonken als vanouds op de deur. Zo voelt ze zich maandenlang. Sinds maandag 25 september 2017, om precies te zijn.

Op die bewuste avond neemt Op de Beeck plaats tegenover Matthijs van Nieuwkerk in De Wereld Draait Door. Met haar psychiater heeft ze de halve zomer naar het optreden toegewerkt, toch is ze misselijk van de zenuwen. Sommige vrienden hadden haar vooraf gewaarschuwd. Zou ze dit nou wel doen? Maar Op de Beeck is vastberaden. Haar verhaal moest nu eindelijk maar eens naar buiten.

En dus, ten overstaan van ruim een miljoen kijkers, begint ze te vertellen. Dat ze tijdens haar therapie heeft ontdekt dat ze tussen haar vijfde en  negende seksueel is misbruikt door haar inmiddels overleden vader. Dat ze geen concrete herinneringen aan het misbruik heeft, maar wel ‘beelden van een dergelijke walgelijke merkwaardigheid’ dat ze die onmogelijk zelf had kunnen verzinnen. Dat ze daarnaast over ruim honderd ‘secundaire bewijzen’ beschikt; van het feit dat ook haar oudste zus haar vader van misbruik heeft beschuldigd, tot de onverklaarbare paniek die haar overviel toen haar vader haar op zijn ziekbed vroeg zijn hand vast te houden aan toe.

Het misbruik heeft diepe sporen in haar volwassen leven achtergelaten, vertelt Op de Beeck. Jarenlang lukte het haar nauwelijks echt contact te maken met mensen, mannen in het bijzonder. Als twintiger had ze zo’n afkeer van haar lichaam dat ze stopte met eten, tot aan het punt dat ze nog 38 kilo woog. En op een dag stond ze op de rand van een brug, klaar om ervan af te springen.

Dat ze het allemaal zo openlijk op tafel legt, de avond voordat haar nieuwe boek verschijnt, is haar eigen idee. Haar uitgever heeft ze er slechts zijdelings bij betrokken. Op de Beeck ontkomt er niet aan haar verhaal te vertellen, vindt ze. Het beste dat we hebben vormt het eerste deel van een trilogie over incest en ze weet hoe het werkt: elke journalist zal haar nu gaan vragen of ze zelf ervaring met het onderwerp heeft. Niet langer wil ze bijdragen aan ‘de cultuur van het zwijgen’, zegt ze tegen Matthijs van Nieuwkerk. ‘Dat speelt alleen maar daders in de kaart.’

Bovenal hoopt ze dat haar verhaal het nodige teweeg zal brengen; krantenartikelen waarin het onderwerp incest wordt uitgediept, discussies over hoe kinderen voor misbruik kunnen worden behoed. Zelf, vertelt ze tijdens het interview, is ze er met behulp van haar therapeut bovenop gekomen. Daags na de uitzending roept ze op Facebook een hashtag in het leven: #nooitmeerzwijgen.

Aanvankelijk krijgt Op de Beeck vooral lof toegezwaaid voor haar optreden. ‘Moedige vrouw’, klinkt het eenstemmig op Twitter. Het doet denken aan de lyrische reacties die ze een jaar eerder ontving, nadat ze bij Zomergasten openhartig had verteld over de dalen in haar leven. Ook toen ging het het al over haar eenzame jeugd, haar eetproblemen en haar doodswens. Half Twitter was toen #verliefdopgriet.

Maar dit keer slaat de sfeer al snel om. Op woensdag 27 september zet Volkskrant-columnist Max Pam zijn vraagtekens bij het verhaal van Op de Beeck. Dat zij door een therapeut is geholpen bij het reconstrueren van ervaringen waaraan ze zelf geen directe herinneringen heeft, vindt Pam hoogst bedenkelijk. Had onderzoek immers niet uitgewezen dat het geheugen manipuleerbaar is? En dus gooit Pam de knuppel in het hoenderhok: ‘Was het ook waar wat Griet Op de Beeck ons te vertellen had?’

Diezelfde ochtend vertolkt de Nederlandse klinisch psycholoog Agnes van Minnen een vergelijkbaar geluid in de Vlaamse krant De Standaard. ‘Ik heb al vaker mensen ontmoet die er ooit, door therapie, van overtuigd waren dat ze iets ergs hadden meegemaakt als kind, en daar vijf jaar later van terugkwamen’, zegt Van Minnen.

In de daarop volgende weken verschijnen in Nederland en Vlaanderen tientallen artikelen, columns, ingezonden brieven, radio- en tv-items, tweets en Facebookberichten waarin de geloofwaardigheid en motieven van Op de Beeck centraal worden gesteld. De schrijver krijgt bijval, maar ook veel kritiek, soms op het vijandige af. De meeste critici richten, net als Max Pam, hun pijlen op haar ‘hervonden herinneringen’. Op de Beeck, redeneren ze, heeft waarschijnlijk een dubieuze therapeut die haar de herinneringen heeft aangepraat. Zoals Trouw-columnist Sylvain Ephimenco het verwoordt: ‘Zijn ze ‘hervonden’ of door kwakzalvers bij haar kunstmatig geïnsemineerd?’ Sommigen waarschuwen op het risico van een valse beschuldiging. ‘Haar vader mag blij zijn dat hij dood is’, schrijft publicist Jaap Plaisier op The Post Online.

Anderen menen zeker te weten dat het Op de Beeck, die van haar vorige drie boeken in totaal ruim zevenhonderdduizend exemplaren verkocht, in de eerste plaats om de promotie van haar nieuwe roman te doen is. De Vlaamse theatermaker Guido Lauwaert wijst op zijn weblog op haar verleden als dramaturg: ‘Ze heeft zoveel voorstellingen en vooral repetities gezien dat ze duivels goed weet hoe kwetsbaar en zorgvuldig je moet formuleren om te cashen.’ 

Weer anderen lijken de bekentenissen van Op de Beeck vooral vermakelijk te vinden. Youp van ’t Hek in NRC Handelsblad: ‘Of ik seksueel misbruikt ben in mijn jeugd? Of vroeg u dat niet? (...) Het zou zomaar kunnen dat dat binnenkort tijdens een sessie naar buiten komt.’

Het zijn dit soort reacties die maken dat Op de Beeck ‘helemaal van de plank’ raakt en uiteindelijk vijf maanden lang de grootste moeite heeft haar bed uit te komen. In de zomer van 2018, als ze weer is opgekrabbeld en weer wat letters op papier heeft, blikt ze in een Gents café terug op de commotie. ‘Het was pijnlijk en ondermijnend’, zegt ze. ‘Ik heb zelf hard moeten vechten om te geloven en aanvaarden wat me is overkomen. En dan gaan mensen juist op die zwakke plek duwen. Nog altijd heb ik de diepe wens dat het allemaal niet waar is, en de neiging het voor mijn vader op te nemen. Dat zijn oerkrachten die volledig met je aan de haal kunnen gaan. En die zijn toen allemaal heviger geworden.’

Van een discussie over incest, moet Op de Beeck constateren, is niets terechtgekomen. Geen krant of talkshow heeft haar verhaal aangegrepen om het onderwerp nader te belichten. Ook haar hashtag #nooitmeerzwijgen is nauwelijks opgepikt.

Ondertussen was daar wel ineens die andere hashtag, die beduidend beter aansloeg: #MeToo. Krap drie weken na haar tv-optreden staan de media van de ene op de andere dag bol van verhalen over seksueel grensoverschrijdend gedrag. Een jaar lang regent het getuigenissen van vrouwen en mannen van over de hele wereld. Er worden daders aangeklaagd, demonstraties georganiseerd, meldpunten ingesteld en er wordt vooral veel, heel veel gediscussieerd. Alles komt voorbij: van verkrachting en aanranding tot aan sissende hangjongeren en fluitende bouwvakkers. Alles, op één onderwerp na: incest.

Op de Beeck ziet het met leedwezen aan. ‘Ik wil geen afbreuk doen aan hoe belastend sommige ervaringen voor slachtoffers kunnen zijn’, zegt ze, ‘maar dat #MeToo ook gaat over een hand op een bil, terwijl ondertussen gezwegen wordt over een agressieve daad als incest, vind ik moeilijk.’

Dat in Nederland de structurele problematiek van incest onbesproken blijft, is opmerkelijk. Incidentele misbruikzaken waarbij kinderen betrokken zijn, zoals die rond Robert M., hebben hier herhaaldelijk tot nationale consternatie geleid.

Ook andere kwesties waarbij het welzijn van kinderen in het geding is, of het nu om het vaccinaties, kunstgraskorrels, gluten of anti-Zwarte Piet-activisten gaat, weten de gemoederen hevig te beroeren.

Incest is bovendien een serieus probleem in Nederland. Een groot onderzoek van klinisch psycholoog Nel Draijer in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken, wees in 1988 al uit dat ongeveer één op de zeven vrouwen ervaring heeft met seksueel overschrijdend gedrag door familieleden. Bij een kwart van die groep betreft het zeer ernstig misbruik. Sindsdien is er in Nederland geen onderzoek meer gedaan naar de omvang van het probleem, maar uit buitenlandse studies komen vergelijkbare percentages naar voren.

Iedere Nederlander die de afgelopen jaren de film Festen heeft gezien of de roman Een klein Leven heeft gelezen, en dat zijn er nogal wat, heeft een idee van hoe ernstig de gevolgen van het misbruik kunnen zijn voor slachtoffers.

Wat verklaart dan toch de heftige reacties op het verhaal van Griet Op de Beeck? En wat ligt er ten grondslag aan de selectieve stilte bij #MeToo? Waarom is het onderwerp incest klaarblijkelijk zo’n mijnenveld?

Lange traditie

De weerstand die het verhaal van Op de Beeck opwekte staat in elk geval in een lange Hollandse traditie. Tot begin jaren tachtig was incest in het geheel niet bespreekbaar in Nederland. Vrouwen die zich als slachtoffer bij de politie meldden, werd te verstaan gegeven dat ze medeschuldig waren aan het misbruik – ze hadden hun vader of broer vast aanleiding gegeven.

Pas met de oprichting van de Vereniging tegen Seksuele Kindermishandeling (VSK) in 1982, een initiatief van slachtoffers dat was voortgekomen uit de feministische beweging, kwam het probleem breed onder de aandacht. Er volgde een stroom aan krantenartikelen, tv-uitzendingen, boeken, films en documentaires. Incest belandde ineens hoog op de politieke agenda en bij de politie werd al snel een slachtoffergerichte aanpak ingevoerd.

Toch ging het bepaald niet vanzelf, zegt Carla van Lichtenburcht, oprichter van de VSK. ‘Toen we onze hulpgroep op een congres presenteerden, stonden er alleen maar mannelijke journalisten tegenover ons. Ze waren vol ongeloof en vroegen ons: klopt het nou allemaal wel wat jullie zeggen? Was het niet vrijwillig? En waarom komen jullie hier nu pas mee?’

Het NCRV-programma Hier en Nu wijdde een uitzending aan de hulpgroep en liet drie vrouwelijke slachtoffers aan het woord. Reden voor de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) om een persbericht op poten rond te sturen. ‘Stemmingmakerij’ en ‘niet representatief’, oordeelde de NVSH, indertijd ook bekend om haar vrijgevochten ideeën over pedofilie. Er bestonden immers, zo meldde het persbericht, genoeg ‘intieme relaties tussen ouder en kind’ waarbij geen enkele sprake was van ‘enig misbruik van overwicht’. Dus waarom had het programma ervoor gekozen het fenomeen incest in zijn geheel te veroordelen op basis van ‘uitwassen’?

Toen Nel Draijer vijf jaar later haar onderzoeksresultaten over incest in Nederland presenteerde, waarmee voor het eerst de omvang van het probleem in kaart werd gebracht, pakten alle media daar groot mee uit. Maar niet iedereen liet zich door de cijfers overtuigen. ‘Ik wantrouw de gepubliceerde gigantische percentages’, schreef psycholoog Piet Vroon in zijn Volkskrant-rubriek ‘Signalementen’. Volgens Vroon kon het bijna niet anders of bij de 1.054 vrouwen tussen de 20 en 40 jaar, die Draijer voor haar onderzoek had geïnterviewd, had ‘geheugenvervalsing’ opgetreden. Volkskrant-collega Jan Blokker leek evenmin al te veel waarde te hechten aan de resultaten. ‘Hoeveel Nederlandse vrouwen waren laatst ook weer in dat damesrapport in hun jeugd misbruikt?’, schreef Blokker in zijn column. ‘Negen op de tien geloof ik.’

Nel Draijer, klinisch psycholoog en incestdeskundige. Beeld YouTube

Dertien jaar later, in 2001, wijdde socioloog Han Israëls ruim vijftig pagina’s aan het onderzoek van Draijer in zijn boek Heilige Verontwaardiging. Volgens Israëls was de uitkomst van het onderzoek vertekend door de ‘feministische’ blik van Draijer. Ze zou welbewust cruciale informatie hebben weggelaten, en er geen oog voor hebben gehad dat ‘het feit dat iemand incestslachtoffer is, zeker in feministische kringen, statusverhogend kan werken’. Al met al, zo voegde Israëls toe in het NOS Journaal, was het duidelijk dat Draijer ‘een hekel had aan mannen’.

Veel vakgenoten hadden geen goed woord over voor de aanval van Israëls. Draijer, die cum laude op haar onderzoek was gepromoveerd, zou juist zeer zorgvuldig te werk zijn gegaan en transparant zijn geweest over de beperkingen van haar resultaten. In de pers werd het boek verguisd, en het Trimbos-instituut besloot toch maar niet met de socioloog (die niet aan dit artikel wilde meewerken) in zee te gaan. Een van de weinigen die het openlijk voor Israëls opnam, was Max Pam. Hij kende de socioloog als een ‘gewetensvolle onderzoeker’, schreef hij in De Groene Amsterdammer. ‘Er is niets onfatsoenlijks aan dat boek.’

Valse beschuldigingen

In de nacht van 26 april 1996 wordt bij René Lancee, politiechef te Schiermonnikoog, de voordeur ingebeukt. Een zwaar bewapend arrestatieteam stormt naar binnen, werkt Lancee tegen de grond en trekt een zak over zijn hoofd. Ook zijn vrouw, oudste dochter en haar vriend worden met geweld gearresteerd. Lancee krijgt te horen dat hij wordt verdacht van seksueel misbruik van zijn jongste dochter van 17.

Twaalf dagen zit de politiechef vast. Dan wordt hij vrijgelaten. Vijf maanden later wordt ook de aanklacht ingetrokken: alles blijkt verzonnen. Lancee, zo zal later aan het licht komen, is het slachtoffer geworden van een samenspel tussen een tienermeisje op zoek naar aandacht, een overalerte mentor op school en een paar nietsontziende politiemedewerkers. Uiteindelijk wordt hem een schadevergoeding van 1,2 miljoen gulden toegekend.

De zaak-Lancee beheerst maandenlang de media. Twee andere geruchtmakende misbruikzaken liggen dan nog vers in het geheugen: de Bolderkar-affaire (1988), waarbij veertien kinderen van een medisch kinderdagverblijf in Vlaardingen uit huis werden geplaatst wegens vermeend seksueel misbruik door hun vaders, en de zaak rond Yolanda uit Epe (1991), die beweerde jarenlang het slachtoffer te zijn geweest van incest, babymoord en satanische rituelen. Bij de Bolderkar-affaire bleken alle beschuldigingen achteraf onterecht. Bij ‘Epe’ kwam het wel tot veroordelingen, maar bleven rechtspsychologen nadien openlijk hun twijfels uiten over het bewijs.

Vanaf medio jaren negentig verschijnen ook steeds vaker berichten in de krant over gescheiden vaders die valselijk van incest zijn beschuldigd door hun ex-echtgenote. En over ouderparen die ten onrechte van seksueel misbruik zijn beticht door hun dochter, als gevolg van een behandeling bij een alternatieve therapeut. ‘De politie zei: beken nu maar, het is de enige manier om je dochter te redden’, vertelt een ‘grijze zestiger’ in mei 1996 tegen Het Parool. ‘Het is echt ongelooflijk, je wordt nog liever beschuldigd van moord.’

Zo krijgt het begrip incest eind vorige eeuw, niet eens zo gek lang nadat de problematiek openlijk bespreekbaar is geworden, een nieuwe connotatie: iets waar je niet al te snel geloof aan moet hechten – want valse aangiften kunnen levensverwoestend zijn.

In 1999 maakt het College van procureurs-generaal een einde aan de ‘emotionele benadering’ die de voorgaande jaren bij sommige zedenzaken zou zijn toegepast. De ‘waarheidsvinding’ moet weer voorop komen te staan. Daartoe wordt onder meer de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) opgericht. De groep, samengesteld uit zedenrechercheurs, psychologen en orthopedagogen, neemt voortaan de incestzaken onder de loep waarbij sprake is van, bijvoorbeeld, een vechtscheiding, hervonden herinneringen of een melding van ritueel misbruik. In het eerste jaar behandelt de LEBZ zesentwintig zedenzaken. Bij vijftien zaken wordt geen eindconclusie getrokken wegens onvoldoende informatie, bij negen luidt het oordeel: ‘aangifte niet geloofwaardig’.

In het nieuwe millennium houdt de media-aandacht voor ‘dubieuze’ incestzaken gestaag aan. Elk jaar verschijnen er wel een aantal artikelen over mannen met een brandschoon geweten die alles hebben verloren. Stuk voor stuk schrijnende verhalen. Verhalen ook die wellicht mede verklaren waarom na de bekentenis van Griet Op de Beeck diverse commentatoren hun mededogen richtten op haar vader. Een man die te betreuren viel omdat hij – in de woorden van Elsevier-columnist Gerry van der List – ‘zich niet meer kon verweren’ en nu ‘postuum als kinderverkrachter de geschiedenis ingaat’.

Complex probleem

In haar afgeladen werkkamer in haar herenhuis in hartje Amsterdam hoeft Nel Draijer niet lang te zoeken naar kwalificaties voor haar critici, of die van Griet Op de Beeck. ‘Tragisch’, ‘salonpraat’, ‘weet van toeten noch blazen’, klinkt het tussen de houten kasten bomvol boeken en rapporten.

Al 36 jaar houdt Draijer zich bezig met incestproblematiek, onder meer als onderzoeker, klinisch psycholoog en psychoanalyticus. Sinds 2013 is ze voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie.

GGZ-instellingen, vertelt Draijer, zitten tegenwoordig vol met patiënten die ervaring hebben met incest. Vraag haar waarom het onderwerp desondanks onbesproken is gebleven in het #MeToo-debat, en ze begint licht te zuchten. Ze heeft in haar lange loopbaan, met name in de jaren tachtig en negentig, al veel verhitte publieke discussies over het onderwerp meegemaakt en is blij dat het gesprek nu alweer geruime tijd hoofdzakelijk door behandelaars onderling wordt gevoerd.

Bovendien stoort zich ze eraan dat bij #MeToo zoveel vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag ‘op een hoop worden gegooid’. Daar hoort incest wat haar betreft niet thuis. ‘Dat is echt van een andere orde. Slachtoffers kunnen er letterlijk doodziek van worden en vreselijk in de war van raken.’

Angst, depressie, wantrouwen in relaties, seksuele en gynaecologische problemen, eetstoornissen, zelfbeschadiging – de lijst met klachten die naar voren kwam uit haar onderzoek was aanzienlijk. Waarbij Draijer overigens vaststelde dat de klachten niet alleen door het misbruik zelf werden veroorzaakt, maar ook (en soms eerder) door de emotionele verwaarlozing binnen het gezin die eraan voorafging.

Vakgenoten hebben daar sindsdien nog een aantal neurobiologische ontdekkingen aan toegevoegd, bijvoorbeeld dat door incest ook het immuunsysteem van een slachtoffer beschadigd kan raken. ‘Ik heb patiënten die daardoor van de ene lichamelijke aandoening in de andere rollen’, zegt Draijer.

Maar pas op, benadrukt ze, het ene slachtoffer het is andere niet. Een verkrachting is iets anders dan een hand onder een T-shirt. Ook kampen lang niet alle slachtoffers op latere leeftijd met problemen. Bij ruwweg de helft van haar respondenten was dat, in verschillende mate, het geval. Incest, wil Draijer maar zeggen, is een complex verschijnsel waar je geen generaliserende uitspraken over moet doen. ‘Het zou goed zijn als de berichtgeving over seksueel misbruik genuanceerder en minder sensatiebelust zou zijn’, schreef ze al in januari 1988 op de opiniepagina’s van de Volkskrant. ‘Juist om recht te doen aan degenen die als kind met ingrijpende misbruikervaringen geconfronteerd zijn geweest.’

Nu, precies drie decennia later, heeft ze het soms ‘een beetje gehad’ met het onderwerp incest, bekent ze. ‘Het is nogal heftig om er zo lang in te zitten.’ Een verhaal als dat van Griet Op de Beeck, is voor Draijer niets bijzonders. Voor de slachtoffers die ze behandelt, ligt dat anders, merkte ze. ‘Ik kreeg onmiddellijk sms’jes van patiënten. Ze vonden het fantastisch. ‘Hè hè’, zeiden ze, ‘eindelijk iemand die het recht in de camera durft te zeggen.’

Emotionele chantage

‘Als mama erachter komt, dan ben ik weg. Dan kunnen mama en papa niet meer samenwonen. Dan krijgen we ontzettend veel ruzie en hebben we allemaal een rotleven daarna.’

In de documentaire Daders (1996) van regisseur Hans Otten, die een ongenadig inkijkje biedt in de denkwereld van incestplegers, vertelt een van de hoofdpersonen zonder gêne met welk verhaal hij zijn dochter tijdens het misbruik onder druk had gezet.

Emotionele chantage, blijkt onder meer uit het onderzoek van Nel Draijer, is een veelgebruikte methode onder incestplegers. Het verklaart mede waarom de meeste slachtoffers hun mond houden over wat hun (stief)vader, broer of neef hun heeft aangedaan: ze voelen zich, anders dan volwassen slachtoffers van verkrachting of aanranding, verantwoordelijk voor het welzijn van de dader en het bij elkaar houden van het gezin. Het is tevens een van de redenen waarom maar heel weinig slachtoffers later de gang maakten naar de politie.

Een andere hoofdpersoon uit Daders vertelt hoe hij welbewust telkens een stapje verderging bij het misbruiken van zijn stiefdochter. Een complimentje, een cadeautje, samen stoeien, samen douchen, een streling, een kus – totdat hij zijn kans schoon zag haar anaal te verkrachten.

Zo geleidelijk en geraffineerd gaat het meestal, zegt forensisch psycholoog Wineke Smid, die onderzoek doet naar zedendelinquenten. ‘Dat is ook het moeilijke voor slachtoffers. Het misbruik voelt als een soort affaire die steeds serieuzere vormen aanneemt. Daardoor is het voor hen bijna onmogelijk niet het idee te krijgen dat ze er zelf aan hebben bijdragen.’

Zo wortelen zich op jonge leeftijd de schaamte en het schuldgevoel die maken dat eenderde van de slachtoffers ook later nog blijft zwijgen over wat hun is overkomen.

Wat daarbij vaak niet helpt, is de opstelling van hun moeder. Maar weinig moeders, wijst het onderzoek van Draijer uit, bieden de nodige steun als ze doorkrijgen dat hun dochter door een gezinslid wordt misbruikt. De meesten kijken weg, uit angst voor gezichtsverlies of een verscheurd gezin, of schieten in de ontkenningsstand zodra hun dochter haar hart probeert te luchten.

‘Het betekent ook nogal wat voor moeders’, zegt seksuoloog Joel Staffeleu, die al veertig jaar veroordeelde incestdaders behandelt. ‘Ze voelen zich schuldig dat ze de signalen niet hebben opgepikt. Sommigen smijten onmiddellijk hun man de deur uit, maar het komt ook voor dat de dochter moet vertrekken. Had ze maar niet bij haar vader in bed moeten gaan liggen.’

Griet Op de Beeck heeft aan den lijve ondervonden hoe ingewikkeld het is om binnen het gezin over incest te beginnen. Sinds ze haar eigen verhaal met haar omgeving deelde, heeft ze met meerdere familieleden geen contact meer. Haar moeder houdt vol dat ze van niets wist – meer wil Op de Beeck daar niet over kwijt.

Iets vergelijkbaars maakte ze mee toen haar dertien jaar oudere zus haar vader van misbruik beschuldigde, vertelt Op de Beeck. ‘Mijn vader ontkende glashard. Niemand in mijn familie geloofde mijn zus. Ik ook niet. Ik was nog klein en kon me niet voorstellen dat mijn vader, die voor mij op een voetstuk stond, zoiets had gedaan. Mijn zus heeft daarna alle contact verbroken en heeft haar leven lang heftig geworsteld om overeind te blijven.’ Pas veel later herinnerde een van de gezinsleden zich met eigen ogen te hebben gezien dat het verhaal van haar zus klopte. ‘Mijn vader bleef niettemin ontkennen. Gelukkig heb ik me nog, voordat mijn zus zelf kwam te overlijden, tegen haar kunnen verontschuldigen voor mijn ongeloof.’

Memory Wars

‘Heb je dit gezien?’, vraagt Max Pam. Op de computer in zijn werkkamer waarop hij wekelijks zijn column Beweringen & Bewijzen voor de Volkskrant schrijft, klikt hij deze middag een YouTube-filmpje aan over Elisabeth Loftus. De Amerikaanse cognitief psycholoog vergaarde in de jaren negentig bekendheid met haar experimenten waarin ze aantoonde dat je mensen van alles kunt aanpraten. Dat ze ooit als kind verdwaald zijn geraakt in een winkelcentrum bijvoorbeeld. Voed proefpersonen met voldoende suggestieve informatie, stelde Loftus vast, en voor je het weet beginnen ze uit zichzelf te vertellen hoe hard ze moesten huilen in dat winkelcentrum.

Columnist Max Pam. Beeld de Volkskrant

Het is koren op de molen van Pam, voor wie het geen twijfel lijdt dat het geheugen volstrekt onbetrouwbaar is en dat verdrongen en hervonden herinneringen behoren tot het terrein van ‘oplichters’ en andere ‘koekenbakkers’. Vanuit dat perspectief wees hij de afgelopen jaren vaker op het gevaar van fictieve getuigenissen. Zo maakte hij herhaaldelijk gewag van het bedrieglijke geheugen van getuigen in de zaak tegen oorlogsmisdadiger John Demjanjuk. In 2010 boog hij zich, als columnist voor het programma Buitenhof, over het nieuws dat bisschop Gijsen ervan werd beschuldigd ruim vijftig jaar eerder een masturberende jongen te hebben bespied. ‘Voorpaginagroot gebracht, maar eigenlijk niet eens berichtje voor pagina 23. Het is verschrikkelijk allemaal, maar wij hoeven nou ook weer niet alles te geloven.’ In 2014 bepleitte hij in deze krant de onschuld van Woody Allen, die door zijn adoptiedochter Dylan Farrow van seksueel misbruik wordt beticht: ‘Het is regelmatig gebeurd dat trauma’s worden verzonnen om de therapeut ­tevreden te stellen. Wie de verklaring van Dylan Farrow leest, proeft helemaal het therapeutische jargon.’

Het hoefde dus niet te verbazen dat Pam ook het verhaal van Griet Op de Beeck op de snijtafel zou leggen. Nog diezelfde avond tikte hij zijn stukje, waarin hij verwees naar het boek Hervonden herinneringen en andere misverstanden van de rechtspsychologen Harald Merckelbach en Hans Crombach. In dat boek uit 1996 wordt de vloer aangeveegd met de theorie dat trauma’s zich in een uithoekje van het geheugen kunnen verstoppen, om jaren later (al dan niet met behulp van een therapeut) weer tevoorschijn te komen. Misschien, besluit Pam zijn column, kan Op de Beeck haar verhaal eens voorleggen aan Merckelbach en Crombach. ‘Het zou mij niet verbazen als hun conclusie voor haar heel wat draaglijker zal zijn.’

Op sociale media kreeg Pam er van sommigen stevig van langs. Toch neemt hij geen woord van zijn column van toen terug. ‘Dat verhaal van Op de Beeck’, zegt hij, ‘valt voor mij in dezelfde categorie als die keer dat Jules Croiset (de acteur, red.) zijn eigen ontvoering in scène zette om aandacht te vragen voor antisemitisme. Daar was toen ook geen mens bij gebaat.’

Op de Beeck zelf veegt de suggestie dat haar ervaringen haar zijn aangepraat resoluut van tafel. ‘Ik heb een zeer klassieke, keinuchtere psychiater. Zelf moet ik ook niks hebben van dingen als rebirthing of hypnose, geen haar op mijn hoofd die eraan denkt. Mijn herinneringen zijn ook helemaal niet opgewekt tijdens de therapie, die kwamen terug op momenten dat mijn psychiater helemaal niet in de buurt was.’

Niettemin verschenen na de column van Pam verschillende krantenartikelen over Op de Beeck en hervonden herinneringen, waarin hoofdzakelijk of zelfs uitsluitend rechtspsychologen werden aangehaald die stevige kanttekeningen plaatsen. ‘Buitengewoon onwaarschijnlijk’, noemde Harald Merckelbach haar verhaal. ‘Er is geen enkel wetenschappelijk bewijs gevonden dat zoiets kan’, stelde collega-rechtspsycholoog Henry Otgaar.

De conclusie drong zich op dat experts eensgezind sceptisch zijn over hervonden herinneringen. In werkelijkheid zijn er diverse grote namen uit de wereld van de psychiatrie en psychologie die het bestaan ervan volledig onderschrijven. Harvard-professor en incestdeskundige Judith Herman bijvoorbeeld, alsook de Amerikaans-Nederlandse traumatoloog Bessel van der Kolk. In België behoort klinisch psycholoog en succesauteur Paul Verhaeghe tot deze school. In zijn binnenkort te verschijnen boek Intimiteit neemt de Vlaming het op voor Op de Beeck, die volgens hem het slachtoffer is geworden van victim blaming door de Nederlandse pers. In eigen land is het onder anderen Nel Draijer die onderkent dat herinneringen kunnen worden verdrongen en hervonden.

Er bestaan dus meerdere kampen op dit terrein. Om die zogeheten ‘Memory Wars’ in Nederland te beslechten, stelde de Gezondheidsraad in 2002 een commissie samen. Zowel Harald Merckelbach als Nel Draijer maakte daar deel vanuit. Na twee jaar presenteerde de commissie een vuistdik rapport, waarvan de conclusie kort samengevat hierop neer kwam: hervonden herinneringen zijn te onbetrouwbaar voor de rechtszaal, en ook therapeuten moeten er terughoudend mee omspringen, maar ze komen wel degelijk voor.

‘Dat rapport staat nog steeds overeind’, zegt Harald Merckelbach. Ook Nel Draijer houdt vast aan de conclusies. ‘Het is logisch dat rechtspsychologen kritisch zijn op hervonden herinneringen’, zegt ze. ‘Zij richten zich immers op waarheidsvinding. Dat het geheugen manipuleerbaar is en sommige mensen een trauma verzinnen om aandacht te krijgen, is een feit. Maar wie ervaring heeft met incestslachtoffers, weet ook dat hervonden herinneringen kunnen optreden. Die dingen sluiten elkaar niet uit.’

Max Pam wist niet van het bestaan van het rapport toen hij zijn column over Op de Beeck schreef. ‘Ik heb het niet gelezen dus ik heb er geen oordeel over’, zegt Pam. ‘Maar dat soort rapporten zijn vaak een soort compromissen.’

Alle rangen en standen

Op de populaire pornosite Pornhub is een filmpje met de titel ‘Father takes care of his daughter’ al 1,3 miljoen keer bekeken. ‘Sex with my dad while my mom is sleeping’, is zelfs al 2,1 miljoen keer aangeklikt. Nog altijd fors minder dan het aantal views voor ‘My slutty bribe for daddy’: bijna 15 miljoen.

Incestporno (waarbij de dochters steevast gespeeld worden door jongvolwassen actrices) doet het goed de laatste jaren. Steeds beter zelfs, blijkt uit cijfers van Pornhub: in 2017 eindigden ‘stiefmoeder’, ‘stiefzus’ en ‘moeder’ op plaats vier, vijf en zes in de ranglijst van zoektermen.

Waar deze trend precies voor staat, de onschuldige bevrediging van een spannende fantasie of toch iets ernstigers, daar zijn de deskundigen nog niet over uit. Seksuoloog Joel Staffeleu, die in zijn spreekkamer zowel plegers als slachtoffers van incest ontvangt, ziet er een kleine illustratie in van zijn analyse dat er een ‘rode draad’ loopt van het seksuele gedrag van ‘gewone’ mannen naar het grensoverschrijdende gedrag van incestplegers.

Neem allereerst de mannen in zijn spreekkamer, zegt Staffeleu, die zijn echt niet zo uitzonderlijk. ‘Ze zijn vaak slim, hebben een goed verhaal en zijn afkomstig uit alle rangen en standen. Het populaire idee dat incest meer voorkomt binnen religieuze gemeenschappen of wordt veroorzaakt doordat plegers kampen met een psychische stoornis, alcoholproblemen of misbruikervaringen in hun eigen jeugd, is door verschillende onderzoeken weerlegd.’

Ja, zegt Staffeleu, incestplegers zijn doorgaans egocentrisch, manipulatief en niet empathisch in hun seksuele gedrag. Maar dat geldt volgens hem voor een groot deel van de jongens en mannen. ‘Feit is dat veel mannen hun eigen behoeftebevrediging boven die van vrouwen stellen, in staat zijn vrouwen te objectiveren zonder al te veel emotionele betrokkenheid te voelen, en van alles en nog wat proberen om vrouwen tot seks te bewegen.’

Komt bij, zegt de seksuoloog, dat ook ‘gewone’ mannen opgewonden kunnen raken van de aanblik van minderjarige meisjes. ‘Weinigen zullen het toegeven. Maar ga maar eens naar de slotmusical van groep acht, dan zie je meisjes die al borsten hebben op de muziek met met hun kont schudden. Genoeg mannen die dan denken: zo, die ziet er al lekker uit.’

En wat te denken van het ongemak dat menig vader bekruipt als zijn puberdochter opeens halfnaakt uit de badkamer stapt? ‘Dat kan een sprankje gevoel zijn dat onmiddellijk weer wordt weggedrukt’, zegt forensisch psycholoog Wineke Smid. ‘Dat gaat automatisch, omdat we met zijn allen geleerd hebben dat zoiets niet kan.’ Op zich hoeft opwinding ook niet tot iets te leiden, zegt Smid. ‘Mannen kunnen een erectie krijgen van trillingen in de bus. Dat wil nog niet zeggen dat je er iets mee moet.’

Niet dat Staffeleu en Smid willen beweren dat elke man een potentiële incestpleger is, integendeel, ook niet als hij in vrije tijd graag naar filmpjes als ‘Father takes care of his daughter’ kijkt. Wie in staat is tot zoiets beschadigends en normoverschrijdends als incest, benadrukken beiden, is op zijn minst sterk antisociaal.

Waar het om gaat, zegt Staffeleu, is dat de gemiddelde man meer raakvlakken heeft met de gemiddelde incestpleger dan we als samenleving willen onderkennen. ‘Daarom praten we liever niet over incest. Het verklaart ook waarom Griet Op de Beeck onmiddellijk werd kaltgestellt, toen zij haar verhaal deed. Het taboe is te groot, het komt te dichtbij, al is het maar omdat we allemaal een vader, broer, neef of opa hebben, of er zélf eentje zijn.’

Gezonde argwaan

‘Zijn er mensen die reserve hebben bij hoe dit gaat? Zo’n analyse met een therapeut en dat je uiteindelijk tot een conclusie komt die eigenlijk – ik zeg het bijna in politietermen, dat moet je me maar even niet kwalijk nemen – niet bewezen kan worden?’

Het is de enige kritische vraag die Matthijs van Nieuwkerk in het 24 minuten durende gesprek met Griet Op de Beeck stelt. Maar wel eentje die haar raakt. ‘Het zijn dit soort vragen, en in die zin ben ik eigenlijk heel blij dat je hem stelt, waardoor slachtoffers blijven zwijgen’, antwoordt Op de Beeck. ‘De angst om niet geloofd te worden is verschroeiend en verschrikkelijk en staat dat herstel keihard in de weg.’

Een terecht punt, blijkt uit het onderzoek van Nel Draijer, waaruit naar voren komt dat sommige incestslachtoffers hun mond houden uit vrees voor negatieve reacties.

Tegelijkertijd doet Matthijs van Nieuwkerk gewoon zijn werk. Een interviewer hoort nu eenmaal ook kritische vragen stellen, daar wordt hij voor betaald. Hetzelfde geldt voor de journalist die laat zien dat een verhaal ook een andere kant heeft. Voor de columnist die eigenzinnige observaties toevoegt aan de communis opinio. En voor de wetenschapper die vanuit zijn expertise een bijdrage levert aan het maatschappelijke debat. Of zoals Henry Otgaar het zegt: ‘Ik zie dat als mijn taak en als mijn academische vrijheid. Als er mensen zijn die het vervelend vinden om een boodschap die ik belangrijk vind te horen, tja, dan is dat zo. Dat wil niet zeggen dat ik die niet mag ventileren.’

Daarbij lijkt er genoeg reden voor een sceptische houding, gelet op alle berichten over aandacht zoekende tienermeisjes, rancuneuze ex-vrouwen en dubieuze therapeuten van de afgelopen jaren.

Maar het is maar net hoe je er tegenaan kijkt. Het aantal gevallen van patiënten die door hun behandelaars een traumatische jeugd wordt aangepraat, bedraagt volgens Harald Merckelbach ‘enkele procenten’ van het totaal aan mensen in therapie. ‘Dat lijkt misschien weinig, maar in absolute aantallen is dat behoorlijk wat.’

Het aantal dubieuze incestmeldingen dat wel de rechtszaal haalt, ligt volgens Merckelbach ‘relatief laag’. Collega Henry Otgaar, die geregeld als getuige-deskundige optreedt, beaamt dat. ‘Het merendeel van de incestzaken waar ik mee te maken krijg, berust op een authentieke ervaring.’

Afgezet tegen de resultaten uit het onderzoek van Nel Draijer is het aantal ‘probleemgevallen’ rondom incest dus verhoudingsgewijs klein. Moet daaraan de conclusie worden verbonden dat de aandacht voor die probleemgevallen is doorgeschoten?

Nee, zegt Henry Otgaar: ‘Je moet het vergelijken met de bijsluiter van een medicijn. Het zou goed zijn als er ook meer aandacht komt voor de bijwerkingen van therapie.’

Ja, zegt seksuoloog Joel Staffeleu. ‘Zeker als je het vergelijkt met de impact van incest op slachtoffers. We zijn in een situatie beland waarin slachtoffers bijna automatisch het nadeel van de twijfel krijgen. Dat is ernstig.’

Kan het ook anders?

Nu zullen zelfs de felste sceptici niet ontkennen dat incest een serieus probleem is. Zoals er ook weinigen zullen zijn die zonder enig voorbehouden durven beweren dat het verhaal van Griet Op de Beeck van a tot z is verzonnen – zelfs Max Pam houdt een slag om de arm: ‘Ik was er natuurlijk niet bij.’ Maar ondertussen is de ware problematiek van incest de afgelopen jaren wel stevig ondergesneeuwd geraakt door een lawine van achterdocht, en heeft Griet Op de Beeck wel maandenlang in de kreukels gelegen.

De vraag is dus: kan het ook anders? Is het mogelijk het badwater weg te gooien zonder het kind uit het oog te verliezen? Twaalf dagen na de uitzending van De Wereld Draait Door deden Henry Otgaar en zijn Maastrichtse collega Corine de Ruiter een handreiking in een opiniestuk over Op de Beeck in dagblad Trouw. ‘Haar interview en haar roman kunnen worden opgevat als een pleidooi voor openheid over seksueel misbruik binnen het gezin, waarvoor zij alle lof verdient’, schreven ze. ‘De focus in de media op het waarheidsgehalte van haar incestherinneringen, die weliswaar tot stand kwamen na jarenlang psychotherapeutisch graafwerk, doet niets af aan deze primaire boodschap.’

Dat die ‘openheid’ over incest er niet is gekomen, vindt Griet Op de Beeck nog altijd lastig te verteren. Ook de klappen die ze zelf te verduren kreeg, voelt ze nog steeds. Toch is haar verhaal niet voor niets geweest, zegt ze. ‘Ik heb heel veel reacties in mijn inbox gekregen van slachtoffers die zich erdoor gesteund voelden. Laatst werd ik aangeklampt door een vrouw die was misbruikt door haar vader, maar door niemand in haar familie werd geloofd. Door mijn verhaal waren er nu toch opeens familieleden die van hun ongeloof terugkwamen.’

Dus ja, zegt Op de Beeck, haar tv-optreden heeft haar persoonlijk nogal wat gekost. ‘Maar zwijgen was toch erger geweest.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.