Grenzen aan de vloeibaarheid

Waar zijn tegenwoordig de orde en het gezag? Twee weken na de rampen in Moerdijk en alweer een vernietigend rapport over de jeugdzorg is dat een goede vraag, terwijl de Duitse dioxinekippen rondfladderen, we nog nauwelijks bekomen zijn van de bezigheden van Robert M. en bezorgd zijn over de vastgeketende Brandon. Het is niet alleen de vraag van opperdiender Opstelten, maar ook van psycholoog/criminoloog Hans Boutellier, die in zijn nieuwe boek De improvisatiemaatschappij tracht een ogenschijnlijk richting- en teugelloze samenleving te typeren.


De vraag naar orde en gezag hoort bij een maatschappij in de overgang met bijbehorend onbehagen. En altijd komen daar meer of minder cultuurpessimistische zorgen bij over de morele kwaliteit, hoe het goede leven geleefd moet worden. De vorige grote transitie was die van een agrarische naar een industriële samenleving, en de stap van standen naar klassen.


Zitten we nu in de informatiesamenleving, met als aanpalende sociale structuur het weinig aansprekende begrip netwerk? Vele pogingen om de toestand te typeren kwamen al voorbij, van narcistische cultuur, risicomaatschappij, preventiestaat, spektakelmaatschappij tot cybernetische samenleving. Hans Boutellier koos voor de muzikale metafoor uit de jazz. In de improvisatiemaatschappij is er wel chaos, maar er is ook orde. Hij spreekt van afstemming. Zelfs de free jazz moet voldoen aan regels, en tegelijk is er vrijheid. Een op het eerste gezicht vrolijke gelijkenis, maar zo opgewekt is de toestand bij Boutellier niet: een complexe, ogenschijnlijk richtingloze samenleving wekt vooral onlustgevoelens op.


Toeval of niet, tegelijk met Boutellier is een herdruk van Homo Ludens (1938) uitgegeven. Daar werkt onze grootste vaderlandse historicus Johan Huizinga (1872-1945) een vergelijkbaar perspectief uit. Het spel - de muziek incluis - is voor Huizinga het ordenend samenlevingsprincipe. Spel vind je in alle samenlevingen, geeft structuur, regelt verhoudingen, spel gaat in de optiek van Huizinga aan de cultuur vooraf. De nieuwe uitgave ziet eruit als een koffietafelboek (1,2 kilo, zeer onhandig in bed), gecombineerd met een fotoserie van Vincent Mentzel over spelende mensen in de ruimst bemeten definitie - van voetbal tot oorlog, eigenlijk van alle activiteit mits die een rituele vorm aanneemt.


Dat laatste is niet bedoeld als kritiek, aangezien het in overeenstemming is met de opzet van Homo Ludens. De spelende mens is bij Huizinga de mens als riten-drager. Bij de orde van het spel hoort iets van luchtigheid, vrolijkheid, het spel staat buiten de nooddruft des levens. Huizinga hield van spel, was zelf een geducht practical joker. In de Tweede Wereldoorlog was hij een van de vooraanstaande gijzelaars in het kamp St Michielsgestel. Hij stoorde zich aan de kritiekloze ernst waarmee zijn geïnterneerde collega's naar elkaars zouteloze lezingen luisterden. Hij schreef óók een lezing, een biografische schets van de Britse componist Willem Spark, naar wie een straat in Amsterdam-Zuid was vernoemd: de Willem Sparkweg.


Maar Homo Ludens is ondanks de luim vooral de vrucht van de zwaar bewolkte jaren dertig. Waar de orde van het spel wegviel en alleen nog plaats was voor bittere ernst, kwam in de optiek van Huizinga de cultuur om. De parlementaire politiek, in het interbellum zwaar onder vuur, kon volgens Huizinga niet bestaan zonder rollenspel, fair play en een zeker decorum. Het tegenvoorbeeld dat hij gebruikte was de Duitse politicoloog en nazi-ideoloog Carl Schmitt, voor wie in de politieke arena de tegenstanders waren verruild voor vijanden, 'dus degeen, die uit den weg geruimd moet worden'. Wie zich niet aan de regels van het spel houdt, doet volgens Huizinga aan cultuurvernietiging. Geert Wilders is geen Carl Schmitt, maar hij mag zich deze passages wel aantrekken.


Anders dan Huizinga wil Hans Boutellier niet in de cultuurpessimistische hoek geplaatst worden. Er zijn wel overeenkomsten; zijn kracht is ook de grote greep, het overzicht vanaf de bergtop, geconcretiseerd in een aansprekende gelijkenis. Hij maakte in 2002 naam met De Veiligheidsutopie, waarin de paradox van de gelijktijdige zucht naar vrijheid én veiligheid werd verbeeld met het bungee-jumpen. Dat is een ogenschijnlijk zeer riskante hobby, zij het dat de springer weet dat een stevig elastiek te pletter vallen voorkomt. Menig bestuurder was erg tevreden met dit beeld: de burger wil lekker bungee-jumpen terwijl de overheid met allerlei vangnetten maar moet zorgen dat hij niet pletter valt.


Zo'n pakkend beeld biedt De improvisatiemaatschappij niet, terwijl hier en daar het abstractieniveau zo hoog is dat je de adem wordt afgesneden. Boutellier leunt vooral op het werk van de socioloog Zygmunt Bauman met ook weer diens eigen metafoor - 'liquid society', de vloeibare samenleving. Je ziet de moderne mens al richtingloos spartelen. Het leven is niet meer vantevoren door klasse of stand gestempeld. De wereld is onbegrensd geworden, geografisch, sociaal en moreel. Dat levert veel vrijheid op maar ook de noodzaak om het eigen leven vorm te geven. Het maken van je persoonlijkheid is een project geworden, dat gepaard gaat aan een hunkering naar morele richting. En aangezien er geen God meer is om te wijzen hoe het leven geleefd moet worden, resteren alleen negatieve gedeelde noties: het onschuldige (kind, dier) moet worden beschermd, het vijandige (buitenlanders, islam) buiten de deur gehouden.


Bepaald knap is Boutelliers bespreking van de drie 'ordeningsoffensieven' in reactie op de vloeibare samenleving. Het CDA kwam met Balkenendes beschavings'defensief' - fatsoen moet je doen - dat nog het meest wegheeft van Huizinga's conservatieve pleidooi voor het in acht nemen van de vormen. De veiligheidsutopie krijgt inhoud in het superministerie van Opstelten, en hoort bij de illusieloze liberalen (en bij de PVV, die Boutellier in dit verband niet noemt). De sociaal-democratie heeft zijn kaarten gezet op de participerende burger, maar niet zonder ambivalente gevoelens. Diezelfde burger draagt immers een hufter in de borst. Boutellier zelf bewaart afstand, maar zaait ruim voldoende twijfel bij alle drie de oplossingen.


Daar zit ook de tekortkoming van dit boek. Boutellier heeft een scherp oog voor de tijdgeest, en tegelijk heb je voortdurend het gevoel dat het betoog je ontglipt. Hij wil duidelijk niet horen bij de postmoderne filosofen die denken dat het onbehagen zich vooral in de hoofden bevindt. Maar hij bijt zelf nooit door. De islam is een serieus probleem, schrijft Boutellier, de aantrekkingskracht van Wilders komt niet uit de lucht vallen. Wat te doen? Opstelten erop af sturen? Maar dan blijkt de zogeheten islamofobie toch ook een luchtkasteel dat hoort bij het verlangen naar veiligheid - fear is in the head.


Hetzelfde patroon in de bespreking van criminaliteit. Boutellier wil niet van de school van Marcel van Dam zijn, waarin angst voor misdaad vooral betekent dat u de verkeerde krant leest. Welaan, strenge aanpak dan, in de lijn van Opstelten? Dat toch ook weer niet, want ook veiligheid maakt deel uit van het moderne 'verlangen' en wordt daarmee toch een begrip dat terugwijst naar de verlanger zelf.


Een soortgelijke redeneertrant zie je ook wel in de politiek, vooral in Boutelliers eigen PvdA. Daar is het tegenwoordig bon ton om ruiterlijk te erkennen dat de kiezers gelijk hebben met hun angsten voor immigratie en misdaad, en dat de partij op die onderwerpen in het verleden de plank missloeg. Als je dan vraagt wat dat voor nu betekent, komt er niet zoveel of stelt men toch liever Kamervragen over de asielzoeker die te lang in bewaring heeft gezeten.


Anders dan Boutellier aarzelde Huizinga niet: de achteruitgang in de cultuur was tastbaar. De twintigste eeuw was zijn eeuw niet, omdat de vormen teloor waren gegaan. De negentiende eeuw had het gedaan, met zijn machines en zijn rationalisme. In de negentiende eeuw was het herenkostuum ontstaan als klassenloos, vreugdeloos, fantasieloos uniform. Huizinga schampert 'hoe verder de geweldige industrieele en technische ontplooiing van stoommachine tot electriciteit voortschrijdt, hoe meer zij de illusie schept, dat in haar de vooruitgang van de beschaving gelegen is. (. . .) De overschatting van den economischen factor in de maatschappij en in den menschelijken geest was in zekeren zin de natuurlijke vrucht van het rationalisme en utilisme, die het mysterie gedood en den mensch van schuld en zonde vrij verklaard hadden.'


Huizinga was conservatief en cultuurpessimist. Al is Homo Ludens veel lichter van toon dan het in 1935 verschenen inktzwarte In de schaduwen van morgen. Huizinga schreef daarin al: terug kunnen we niet, we moeten erdoorheen. Zo zal Hans Boutellier er ook wel over denken. Die improvisatiemaatschappij levert momenten van 'schitterend samenspel' op, maar ook 'maar wat aanrotzooien' of een 'oorverdovende kakofonie'. Een leven bij elkaar improviseren, dat suggereert 'behelpen, roeien met de riemen die we hebben'. Boutellier wil geen cultuurcriticus zijn. De wereld wordt niet beter of slechter, schrijft hij. Wel anders. Hij pleit voor nuchterheid: ook in een ogenschijnlijk richtingloze wereld houden oude instituten als gezin, rechtsstaat, onderwijs en gezondheidszorg zich heel behoorlijk staande.


De improvisatiemaatschappij is een knap bedacht en ook sympathiek boek. Bestemd, aldus de flap, voor 'politici en politicologen, bestuurders en bestuurskundigen, sociaal werkers en sociologen'; maar met 'behelpen' of een 'kakofonie' kom je als bestuurder, sociaal werker of politicus niet heel ver. Hun vraag aan Boutellier is simpel, maar bepaald niet eenvoudig: Moerdijk, jeugdzorg, Brandon, dioxinekippen - is dat nou een ramp of niet?


Hans Boutellier: De improvisatiemaatschappij - Over de sociale ordening van een onbegrensde wereld. Boom/Lemma; 191 pagina's; € 25,-. ISBN 978 90 5931 625 6.Johan Huizinga: Homo Ludens- Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur. Amsterdam University Press; 352 pagina's; € 39,50. ISBN 978 90 896 4194 6.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden