Grenzeloze ijdelheid van een lakei

In november 1676 ontmoetten Baruch de Spinoza en Gottfried Wilhelm Leibniz elkaar in Den Haag. De discussie tussen deze beide titanen van de geest legde de grondslag voor de moderne filosofie....

In De ketter en de hoveling schetst de Britse filosoof Matthew Stewart een dubbelportret van de twee filosofen die het denken van de zeventiende eeuw domineerden: Baruch de Spinoza (1632-1677) en Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716). Hij verkondigt in zijn boek twee stellingen, een algemene en een specifieke.

De eerste luidt dat de moderne filosofie tot op de dag van vandaag een voortzetting is van de discussie tussen de twee protagonisten die begon in november 1676, op de dag dat Leibniz Spinoza in Den Haag opzocht. Volgens de tweede stelling vormde de ontmoeting tussen deze twee titanen van de geest het ‘beslissende keerpunt’ in Leibniz’ filosofische ontwikkeling. De eerste stelling is een gematigde variant op Whiteheads beroemde uitspraak dat de hele westerse filosofie slechts een voetnoot is bij Plato; met de tweede stelling kiest Stewart positie in de eeuwigdurende discussie over de originaliteit van Leibniz’ filosofie.

Nu heeft Stewart op zijn minst één groot probleem, en dat is dat er over de fysieke ontmoeting tussen de twee denkers vrijwel geen concrete gegevens zijn overgeleverd. Volgens sommige bronnen hebben ze niet meer dan twee uur met elkaar gesproken, en dan nog alleen over koetjes en kalfjes (dit is de versie van onder anderen Leibniz zelf), volgens andere bronnen bracht Leibniz meer dan een maand in Den Haag door en voerde hij talrijke filosofische gesprekken met zijn toen al vermaarde vakgenoot. Alleen al op grond van deze onzekerheid zijn beide stellingen uiterst speculatief en niet te bewijzen. Maar om zo’n bewijs is het Stewart kennelijk ook niet te doen. Hij gebruikt de fysieke ontmoeting om de botsing tussen twee denksystemen van een dramatische spanning te voorzien en om zijn dubbelportret een zekere suspense mee te geven. In die opzet is hij niet helemaal geslaagd.

Daarmee is niet gezegd dat De ketter en de hoveling een mislukt boek is, integendeel. Vooral van Leibniz krijgen we in dit boek een uitvoerig en boeiend portret voorgeschoteld; Spinoza komt er wat bekaaid af, maar dat kan men de schrijver niet verwijten – er is nu eenmaal vrijwel niets over het leven van Spinoza bekend. De meeste aandacht gaat dus uit naar de wordingsgeschiedenis van de filosofie van Leibniz. Stewart laat zien dat deze filosofie zich ontwikkeld heeft in reactie op de leer van Spinoza. Voor de jonge filosoof Leibniz betekende de kennismaking met het metafysische systeem van Spinoza een schok. Hij was diep onder de indruk van de radicale conclusies die zijn collega trok uit de filosofische premissen die hij, Leibniz, zelf ook aanhing. Leibniz was niet alleen onder de indruk van die radicaliteit (die Spinoza op de beschuldiging van ketterij was komen te staan), hij deinsde er ook voor terug.

Leibniz interpreteerde Spinoza’s systeem – en daarin was hij zo niet de eerste, dan toch de scherpzinnigste – als een weerlegging van de belangrijkste dogma’s van het christendom: het begrip van God als persoon, de vrijheid van de wil en de onsterfelijkheid van de ziel. Zover wilde, of durfde Leibniz niet te gaan: bij hem zegevierde uiteindelijk het godsdienstige over het intellectuele geweten. Bovendien was hij er niet de persoon naar om als ‘ketter’ door het leven te gaan. Dat zadelde hem zijn leven lang op met een intellectuele gespletenheid, een voortdurende innerlijke strijd: tot het bittere einde vocht Leibniz tegen de spinozist die hij diep in zijn hart was.

‘Leibniz was een van de meest intelligente mensen die ooit hebben geleefd, maar als mens roept hij onze bewondering niet op.’ Aldus vat Bertrand Russell in zijn Geschiedenis van de westerse filosofie het oordeel van de gevestigde filosofiegeschiedenis samen. Stewart bevestigt dat oordeel niet alleen, hij illustreert en verdiept het met talloze citaten uit Leibniz’ oeuvre en correspondentie. Leibniz’ grootste ondeugd was zijn grenzeloze ijdelheid. Hij was er vast van overtuigd dat de mensheid en zelfs God hem dank verschuldigd waren voor de waarheden over het universum die hij had onthuld. Hij stelde alles in het werk om die dank ook daadwerkelijk te ontvangen, in de vorm van hoge politieke functies of simpelweg in de vorm van geld – vooral zijn schraapzucht is legendarisch.

Stewart schetst Leibniz als iemand die gedreven wordt door ‘een wanhopige zucht tot behagen, een onverzadigbaar verlangen om zijn goede daden gespiegeld te zien in de lof van anderen’. Het portret valt des te navranter uit omdat het wordt gecontrasteerd met dat van Spinoza, het toonbeeld van intellectuele en morele integriteit. Ook de geschiedenis van de filosofie kent haar schurken en heiligen: in die eerste categorie geldt Leibniz als een van de grootsten, terwijl Spinoza tegenwoordig omhoogschiet in het klassement van voorbeeldige levens.

Ook de recent verschenen Spinoza-monografie van Miriam van Reijen, onder meer bestuurslid van de Vereniging Het Spinozahuis, vertoont de trekken van een hagiografie. Wie tegenwoordig over Spinoza en zijn leer schrijft ontpopt zich al gauw als een evangelist: hij/zij heeft een blijde boodschap te verkondigen. Vol enthousiasme (en vol overdrijving) jubelt Van Reijen: ‘Spinoza lijkt al te hebben geweten dat ons bewustzijn en denken samenhangen met lichamelijke processen, hoe de hersenen werken [*] En dat lang vóór [*] de recente neurowetenschappen, die op grond van hersenscans en empirisch onderzoek tot dezelfde conclusie komen.’ En in één moeite door wordt Spinoza als wegbereider van de psychoanalyse bestempeld, waarbij de suggestie wordt gewekt dat wie zijn Spinoza kent zich de dure psychoanalyse kan besparen: ‘Spinoza’s filosofie is eenvoudig, en ze maakt ook het leven eenvoudig, als je zijn opvattingen werkelijk deelt en je hebt eigen gemaakt.’ En eenvoud is de eerste stap op de weg naar het geluk. Wie zijn leven een gelukkiger wending wil geven is dus bij Spinoza aan het juiste adres.

Maar geen systeem zo volmaakt of er zit wel een vlekje aan, dat moet zelfs Van Reijen toegeven. En bij Spinoza zijn dat zijn opmerkingen over de vrouw, die naar de huidige maatstaven voor ‘vrouwonvriendelijk’ doorgaan.

Dat Spinoza ‘de vrouwen niet gelijk acht aan de man wat betreft hun macht en hun vermogen’, daar kan Van Reijen nog wel mee leven. Ze interpreteert deze woorden als de constatering van een gegeven en niet als een uitspraak met een normatieve waarde. Maar dat hij de vrouw uitsluit van het kiesrecht en van overheidsfuncties omdat volgens hem ‘[*] niet zonder groot gevaar voor rust en vree, mannen en vrouwen samen kunnen regeren’, dat vindt Van Reijen toch wel jammer. Op dit punt had ze bij haar held wat meer durf willen zien.Hans Driessen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.