Greenwich '61 revisited

Het is maar een klein plekje, de bakermat van de folkrevival van begin jaren zestig in New York. In hun laatste film schetsen de gebroeders Coen de scene van Greenwich Village, waar slechts enkelen doorbraken en velen mislukten.

Rondom de triomfboog in het park verzamelden zich eind jaren vijftig op zondagmiddag fanatieke sociaal bewogen folkies die liedjes zongen. Van Pete Seeger en Woody Guthrie had de jongere generatie geleerd dat zingen een goede uitlaatklep kon zijn voor links idealisme. Wie ook maar een beetje gitaar kon spelen, trok naar het park en de eromheen gelegen koffiehuizen, niet zozeer om ontdekt en beroemd te worden, maar om een gehoor te vinden van gelijkgestemden.


Vanaf begin jaren zestig won de folkmuziek het in populariteit steeds meer van de door beatniks zo geliefde poëzievoordrachten. Folkzangers werden aanvankelijk door uitbaters van kroegjes en koffiehuizen ingehuurd om het publiek weg te jagen, dat anders maar een hele avond bleef zitten op een kopje koffie. Gaandeweg werden de muzikanten niet alleen geliefder, ze kregen ook een eigen publiek.


In het stukje MacDougal Street tussen Bleecker en Third Street, vlak onder Washington Square, kon de folkliefhebber elke avond kiezen tussen Café Wha? en het Gaslight Café ertegenover. Ze hadden elk hun eigen host die de programmering verzorgde. In het Gaslight Café was dat Dave Van Ronk. Hij kwam eigenlijk uit de jazz en hield zoals de meest jazzcats helemaal niet van folkmuziek. Hij noemde het 'hillbilly shit' en vond dat die folkies eigenlijk niet konden spelen. Maar met zijn eigen jazz was geen droog brood te verdienen en ook hij raakte op enig moment enthousiast door wat zich zondags in het park voltrok.


Van Ronk was zelf een begenadigd zanger-gitarist, maar zou in de wijk vooral naam maken als stimulans en mentor van veel muzikanten. In zijn memoires ontpopt hij zich als de grote motor achter het succes van de folkbeweging, die echt allure kreeg toen een optreden van Bob Dylan in september 1961 door The New York Times 'sensationeel' werd genoemd.


Ineens kwamen ze overal vandaan. Iedereen die gitaar kon spelen en liedjes schreef, trok naar Greenwich. Artiesten als Fred Neil, Karen Dalton en Phil Ochs kregen landelijke bekendheid en ook Leonard Cohen en Joni Mitchell uit Canada deden er veel inspiratie op.


Folk uit Greenwich Village werd in de geschiedenisboeken een flink hoofdstuk, gesitueerd tussen de opkomst van de rock 'n' roll in 1956 en de Britse beat-invasion van 1963. Bob Dylan was de grote naam, maar in zijn kielzog schreef een hele generatie singer-songwriters popgeschiedenis.


Dat verhaal is door de betrokkenen pas de laatste jaren goed in kaart gebracht. Door Dave Van Ronk (1936-2002) in zijn postuum verschenen memoires The Mayor Of MacDougal Street (2005) en door Bob Dylan zelf in zijn onvolprezen Chronicles Volume One (2004). De scene en sfeer in dat kleine stukje Greenwich Village vroeg om verfilming. Dat vonden in elk geval de Dylanliefhebbers Joel en Ethan Coen die na lezing van onder meer deze boeken op het idee kwamen voor hun nieuwste film Inside Llewyn Davis.


Geen film over de doorbraak van Bob Dylan en de gevolgen daarvan. Ook geen biopic van Dave Van Ronk. De fictieve hoofdfiguur Inside Llewyn Davis is slechts zijdelings op Van Ronk gebaseerd en Bob Dylan wordt zelfs nergens genoemd, al horen en zien we hem wel even.


Wat de Coen Brothers wilden is even dat moment in de geschiedenis betrappen en vastleggen dat iets bijzonders staat te gebeuren. De periode in de koffiehuizen schetsen die voorafging aan de big bang.


De hoofdfiguur wordt een weekje gevolgd in Greenwich Village in de winter van 1961. De stad oogt grauw en kil als Jones Street op de platenhoes van Dylans beroemde album The Freewheelin' Bob Dylan (1963). Davis is na de zelfmoord van zijn partner met wie hij een zangduo vormde, vergeefs bezig door te breken als solozanger. Alles mislukt, veelal door eigen toedoen, soms door domme pech. Ten einde raad wil hij weer terug waar hij vandaan kwam: de koopvaardij.


Hij zingt prachtig, maar wanneer hij in Chicago auditie doet voor de machtige Bud Grossman (gemodelleerd naar Dylans manager Albert Grossman) kiest hij het verkeerde repertoire. 'Daar valt geen geld mee te verdienen', oordeelt Grossman.


En als Davis toevallig mag meezingen op een plaat die wél succesvol wordt, houdt hij er niks aan over omdat hij al afstand heeft gedaan van de rechten.


Een loser dus, maar met die mislukkingen geven de broers Coen wel een mooie inkijk in de scene van destijds. Succes leek vooral op toeval gebaseerd. Zingen kon iedereen, het ging erom net de goede contacten te hebben en een beetje mazzel.


De Llewyn Davis van de film is niet bezig met beroemd worden. Hij wil dat zijn liedjes gehoord worden. Authenticiteit staat voorop, nooit wil hij zich verlagen tot muziek waar hij niet achterstaat. Zo waren er velen in 1961 in New York. Ze zagen elkaar niet als concurrenten maar als medestrijders voor de goede zaak, logeerden bij elkaar op de bank en ondersteunden elkaar bij optredens.


Heel terloops verwijzen de Coens in hun film naar de doorbraak van Bob Dylan in datzelfde 1961. Het jaar dat folk zich toegang verwierf naar de mainstream, en Greenwich Village een grote muzikale trekpleister werd. De lokale smaakmakers van weleer, degenen dus die aanvankelijk de New Yorkse bars en koffiehuizen met hun zang en gitaarspel hadden gevuld, jongens als Llewyn Davis dus, die verdwenen uit beeld.


Precies over die vergeten muzikanten, die hun ambities zagen stranden, gaat Inside Llewyn Davis. Een klein stukje popgeschiedenis op een klein stukje New York, uitvergroot door Joel en Ethan Coen.


Extra: Feit en fictie

Film en werkelijkheid raken elkaar soms wel en soms net niet in de laatste van de gebroeders Coen. Filmhoofdpersoon Llewyn Davis is een heel ander personage dan Dave Van Ronk. Van Ronk was behalve socialer ook veel succesvoller. Maar de achtergrond in de koopvaardij hebben ze gemeen. En beiden trokken naar Chicago om een platenbaas en concertpromotor te ontmoeten. De eigenaar van de ook in de film voorkomende club Gate of Horn heette Albert Grossman, in de film werd dat Bud Grossman. Cruciaal moment in de doorbraak van de folk naar een groot publiek is de jubelrecensie op 29 september 1961 van een concert door New York Times-journalist Robert Shelton. Dat concert had plaats in Gerde's Folk City, in de film is dat Gaslight. Helemaal aan het eind zien we iemand die verdacht veel lijkt op Bob Dylan een liedje zingen dat niet alleen klinkt als Dylan maar ook echt van hem is: Farewell

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden