Gratis kaartjes voor de voetbalwedstrijd

Peter ter Horst was redactiechef en correspondent van NRC Handelsblad en maakte als hoofdredacteur de ondergang van de Haagsche Courant mee. Omzien in verwondering.

Elke journalist heeft zijn verhaal hoe hij het vak ontdekte. Het mijne speelt zich bijna zestig jaar geleden af. Circus Strassburger was in Amsterdam en mijn klasgenoot Jan Joris L. beweerde dat hij wel aan gratis kaartjes kon komen. Zijn vader werkte immers bij de Volkskrant. Jan Joris had geen woord te veel gezegd, want op een mooie woensdagmiddag zaten wij beiden, 10 jaar oud, ringside in theater Carré. Mooi vak, de journalistiek, dacht ik meteen.


Ik mag het verhaal in een melige bui graag vertellen, maar ik denk niet dat ik ermee zou beginnen als ik mijn memoires als journalist ging schrijven. Een beetje al te stereotiep.


Peter ter Horst (1959) is daar niet bang voor, want die opent zijn boek De dag dat de krant viel er unverfroren mee. Hoe hij, als jongetje in de Haagse wijk Morgenstond, na een partijtje voetballen stond te praten met zijn buurjongen Hans, die vroeg wat hij later wilde worden. 'Profvoetballer', zei Peter meteen. 'Je moet journalist worden', zei Hans. 'Waarom?', vroeg Peter.


'Toen sprak Hans de historische, majestueuze, alles openbarende woorden die mijn leven zouden bepalen. 'Dan mag je gratis naar alle wedstrijden.' Als de tijd ooit heeft stilgestaan, was het op die zwoele dinsdagavond. Doodstil leek het, net als op 4 mei, de enige dag in het jaar dat mijn vader even in zijn ogen wreef. Ik kon het niet geloven. 'Gratis?' 'Helemaal gratis', zei Hans. Precies op dat moment besloot ik journalist te worden.'


De ondertitel van De dag dat de krant viel luidt dus niet voor niets Een journalistiek jongensboek- en dat is tegelijk het grootste probleem van deze autobiografische schets. Veel mediakopstukken van tegenwoordig, op de tv maar soms ook bij de kranten, lijden aan het syndroom van de dubbele Z: zelffelicitatie en zelfoverschatting. Een iets oudere generatie, waartoe ik zowel Peter ter Horst als mijzelf reken, moet uitkijken voor een ander Z-syndroom, de nesciaanse zelfvertedering. 'Jongens waren we - maar aardige jongens.' Op heel wat pagina's van zijn boek is Ter Horst aan die lichte neiging tot koket pathos ten slachtoffer gevallen.


De dag dat de krant viel slingert heen en weer tussen het romantische avontuur van de journalist in exotische streken - van Sri Lanka tot Albanië tot Kaapstad - en de serieuze bespiegeling over de recente geschiedenis van de Nederlandse dagbladen. In principe heeft de auteur recht van spreken, want naast jarenlange buitenlandse correspondentschappen heeft hij bij NRC Handelsblad en de Haagsche Courant ook leidinggevende en hoofdredactionele verantwoordelijkheid gedragen. Maar door de tweeslachtigheid van zijn aanpak komt geen van beide aspecten volledig tot zijn recht.


Over Sri Lanka en Oost-Europa zijn, vrees ik, door voormalige correspondenten wel substantiëler boeken geschreven. En over, bijvoorbeeld, de details van de machtsstrijd bij NRC Handelsblad begin jaren negentig tussen hoofdredacteur Ben Knapen en diens rivaal Marc Chavannes, waarbij Ter Horst van dichtbij betrokken was, blijft hij merkwaardig beknopt: 'Met juridische hulp gingen er wat brieven over en weer. Ik trad af en zou weer een tijdje verslaggever worden, tot ik correspondent wilde worden op een post naar keuze. Zo maakte ik eens mee hoe een coup gaat.'


Wel citeert Ter Horst een paar leerzame bon mots van een eerdere NRC-hoofdredacteur, de flamboyante Wout Woltz. Op het verwijt van indolentie reageerde Woltz steevast: 'Ik ben niet lui, ik ben al klaar.' En hij kon als geen ander uitleggen waarom je in de journalistiek maar beter geen chef kunt worden. 'Als je een verslaggever op een onderwerp afstuurt en hij komt terug met een slecht verhaal, dan denk je: had ik het zelf maar geschreven. Als je een verslaggever op een onderwerp afstuurt en hij komt terug met een prachtig verhaal, dan denk je: had ik het zelf maar geschreven.'


Het boeiendst is het laatste deel van het boek, waarin Peter ter Horst de aanloop naar de ondergang van de Haagsche Courant beschrijft. Hij werd daar op 1 januari 2001 hoofdredacteur en ontdekte vrijwel meteen: 'Hoofdredacteur worden was een leuk idee geweest, hoofdredacteur zijn was iets heel anders.' Zijn inspanningen om de krant beter, gevarieerder, diepgravender, meer literair, humoristischer, regionaler en spectaculairder te maken, hadden onveranderlijk hetzelfde resultaat: jaarlijks 3 procent oplagedaling.


De impact van internet was aanvankelijk door zowel uitgevers als journalisten onderschat, en toen Ter Horst op den duur met radicale ideeën kwam, zoals een weekendkrant met doordeweeks het lokale nieuws online, werden die snel door hogerhand afgeschoten. De drukpersen moesten tenslotte de hele week blijven draaien.


Het einde onderging hij als een vernedering. Het gedwongen opgaan van de Haagsche Courant, met andere regionale kranten, in het Algemeen Dagblad leek hem 'een treurige uitkomst van mijn reis door de journalistiek'. Het AD stond immers bekend als 'het sufferdje onder de landelijke dagbladen'.


Wat Peter ter Horst bij deze operatie tegenstond was 'dat moderne idee van krantenmakers dat de lezer op de hurken moet worden toegesproken'. En dan volgt zijn credo: 'Ouderwets misschien, maar ik geloofde nog steeds in een serieuze krant, die de belangrijkste thema's van de dag helder uitlegt en de lezer prikkelt tot nadenken in plaats van hem permanent naar de mond te praten. (...) Stiekem geloofde ik nog dat een krant een opvoedende taak heeft, om mondige burgers goed te informeren over ingewikkelde kwesties zodat de democratie blijft functioneren. Maar dat mocht je bij het AD al helemaal niet meer zeggen. Mijn makke is dat ik geen krant kan maken die ik zelf niet wil lezen.'


Ik ben het er woord voor woord mee eens. Maar net zo min als Peter ter Horst heb ik het recept om die krant in 2012 zakelijk overeind te houden.


Peter ter Horst: De dag dat de krant viel - Een journalistiek jongensboek.

Balans; 255 pagina's; € 17,95.


ISBN 978 94 600 3398 8.


Bert Vuijsje was adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant (1985-1996) en hoofdredacteur van HP/De Tijd (1996-2000).


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden