Grasduinen in oude kranten

HET Penguin Book of Interviews (een bloemlezing van 1859 tot heden) was vorig jaar nog niet uit, of ik hoorde van Prometheus in Amsterdam dat ze iets soortgelijks voor Nederland wilden overwegen, en of ik dat een goed idee vond....

Maar niks. Het blijkt onder uitgevers geen usance om te vermelden van wie ze hun ideeën betrekken. In een voetnoot bij de inleiding maakt samensteller Joris Abeling van de Penguin-titel gewag alsof het een willekeurig nummer betreft uit z'n (overigens zeer bescheiden) bibliografisch apparaat. Sjiek is anders.

M'n bezwaar tegen de Engelse uitgave gold vooral de onduidelijkheid van de selectie: ging het om beroemde interviewers, of ging het om beroemde geïnterviewden? Anders gezegd: was de invalshoek pershistorisch - wat zie je zich tussen 1859 en heden ontwikkelen aan journalistieke conventies en technieken? - of ging het louter en alleen om een galerij van interessante wereldburgers (Marx, Bismarck, Tolstoi, Wilson, Clémenceau, Freud, Hitler, Mao, Nabokov en Marilyn Monroe waren bij samensteller Christopher Silvester onder anderen uitverkoren) die zich aan krantennieuwsgierigheid hadden laten onderwerpen?

Dat bleef rijkelijk vaag. 'Ik hoorde', schreef ik toen, 'dat een Nederlandse uitgever al bezig is een Nederlandse variant voor te bereiden. Misschien heeft hij nog net tijd ernstig na te denken over de vraag hoe je zoiets aanpakt in termen van selectie.'

Die tijd heeft hij zich, lijkt me, niet gegund.

De beste Nederlandse interviews van de laatste honderd jaar luidt de ondertitel van de Nederlandse bundel, en dat tendeert naar een nadruk op de journalistieke geschiedenis: op een keuze naar ambachtelijke normen die zich in het genre hebben ontwikkeld. Maar welke criteria zou Abeling daarvoor gehanteerd hebben? Voor z'n 'recept voor een goed interview' verwijst hij naar een schaapachtig handboekje van de School voor de Journalistiek, waarin 'mensenkennis, inlevings-, aanpassings- en luistervermogen, contactuele eigenschappen en zelfbeheersing' worden aanbevolen, en hij voegt daar zelf nog aan toe: 'een gedegen voorbereiding, voldoende kennis van zaken, ongeveinsde interesse en een groot uithoudingsvermogen' - geen waarnemingen waar een mens van opkijkt.

Hij heeft, zegt hij, in eerste instantie gekeken naar de kwaliteit, 'en niet naar het tijdstip waarop (de interviews) gehouden werden'. Dat is verdedigbaar. 'Colijn', vervolgt hij, 'heeft als premier diverse interviews gegeven, maar ik vond het interview uit de tijd dat hij nog minister van Financiën was interessanter.' Maar waarom? Behoort het vraaggesprek van Van Oss met Mussolini (1924) in de Top-40? 'Als exemplarisch curiosum is het in deze bundel opgenomen', schrijft Abeling, wat toch weer een andere norm dan de kwalitatieve is.

'Zeker niet slecht', horen we verantwoord, 'is ook het anonieme interview met Mussert' ( Utrechts Provinciaal en Stedelijk Dagblad, 1932) - maar de afspraak was toch dat het om de beste interviews van de laatste honderd jaar zou gaan? 'Misschien niet het beste, maar wel het meest geruchtmakende interview van Bibeb was dat met minister van Defensie Henk Vredeling in 1974.' Maar de afspraak was toch niet dat het om de meest geruchtmakende interviews van de laatste honderd jaar zou gaan?

Frénk van der Linden heeft in later jaren zeer veel betere interviews gemaakt dan het Kuifje-gesprek dat hij in 1981 met Luns voerde. Ik kan me niet voorstellen dat Ischa Meijer z'n interview met Godfried Bomans uit 1966 als z'n beste beschouwt. Fred Backus met Jozef Weizenbaum, Erik Beenker met Rudi van Dantzig, Aafke Steenhuis met Joseph Brodsky - het lijkt me lastig vol te houden dat die tot de beste van de laatste honderd jaar zouden behoren.

Het heeft allemaal iets haastigs en bijmekaar-geraapts - daar is niet een bloemlezer met een helder idee, met voldoende kennis van zaken, met ongeveinsde interesse of een groot uithoudingsvermogen aan te pas gekomen.

Het is bijvoorbeeld nogal naïef interviewer G.H. 's Gravesande (kind aan huis in de literaire wereld van het interbellum) om zijn kritisch vermogen te prijzen omdat hij 'zijn nukkige gesprekspartner' Geerten Gossaert in 1924 zo goed partij zou hebben geboden. Aan alles merk je dat het een voor de 'tribune' - voor Den gulden winckel in dit geval - gespeeld herengesprek is waarin 's Gravesande, die de dichter heel goed kent, Gossaert alle gelegenheid biedt z'n dwarse culturele en maatschappelijke stokpaarden te berijden, en de interviewer komt er af en toe slim tussen (als Gossaert Herman Heijermans 'de dichter van het plebs' noemt onder andere) om de 'boude uitspraken' nog extra reliëf te geven.

Een kostelijk gesprek, daar gaat het niet om, en het doet me deugd dat het de bundel heeft gehaald. Maar het is onmiskenbaar dat de half-en-half provocerende monoloog van Geerten Gossaert - 'onze 'jongeren' ', zegt hij ergens, 'zijn grootgebracht met thee en ethische vijgebladeren, getrokken op Leids grachtwater' - niet het resultaat is van een journalistieke excercitie om, zoals Ischa Meijer het eens uitdrukte, 'het onderste uit de psychologische kan te halen'. Gossaert schonk z'n kan gul, en met graagte, zelf leeg.

Er is natuurlijk meer lezenswaardigs in het boekje verzameld: het 'interview' dat helemaal geen interview is - dus hoe kun je dat tot het beste rekenen? - van Jan Feith met de oude Jules Verne, of het ontzettend aardige, levendige en in veel opzichten 'moderne' gesprek van mevrouw Van Itallie-Van Embden met Troelstra, of dat van dezelfde 's Gravesande met Slauerhoff. Piet Piryns met Harry Mulisch (1982: de auteur als ongeneeslijk sofist) mag er ook wezen, evenals Frits Abrahams met kardinaal Simonis (1992). Het zou treurig met de Nederlandse journalistiek gesteld zijn als een bundeling van 38 vraaggesprekken uit het verleden niet op z'n minst een uurtje aangename lectuur had opgeleverd.

Maar de geïnteresseerde lezer blijft het vervelende gevoel houden dat er naar willekeur is gegrasduind - dat het misschien nog een stuk slechter, maar zeker een stuk beter had kunnen uitvallen.

Joris Abeling (redactie): Interviews uit Nederland - De beste Nederlandse interviews van de laatste honderd jaar.

Prometheus; Fl. 34,90.

ISBN 90 5333 254 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden