Gras en onkruid

Weten we over honderd jaar nog wie Miles Davis was? In geval van nood is een geheugensteun te vinden op de Woodlawn Cemetery in New York: een reusachtig blok zwart graniet, waarop in sierletters de naam en data (1926-1991) van de jazztrompettist zijn uitgehakt, met muzieknoten in plaats van punten...

Het is een van de meer omstandige grafstenen in Jazz Lives, een Engelstalig boek waarin de Nederlandse fotograaf Jaap van de Klomp verslag doet van een op het eerste gezicht ietwat macabere missie: het traceren, inventariseren en fotograferen van zoveel mogelijk grafstenen van Amerikaanse jazzmuzikanten.

In het luxueus, op groot formaat uitgevoerde album verzamelde Van de Klomp foto’s van ongeveer honderdvijftig graven, elk voorzien van een informatieve mini-biografie van de betrokken muzikant door de Amerikaanse muziekcriticus Scott Yanow. Dat Van de Klomp pionierswerk verrichtte, blijkt uit het voorwoord, waarin hem uitgebreid lof wordt toegezwaaid door Dan Morgenstern, de directeur van het gerenommeerde Institute for Jazz Studies in Newark. Het tekstgedeelte omvat verder aanvullende teksten van bassist Jim Crow (1927) en jazzjournalist Nat Hentoff (1925), maar het interessantst is Van de Klomps eigen toelichting over de puzzeltochten om sinds lang vergeten graven te achterhalen.

Want dat maakt Jazz Lives meer dan een curieus plaatjesboek: Van de Klomps foto’s tonen hoe het er in de VS met de nagedachtenis van bekende jazzmuzikanten voorstaat. Het oude axioma dat Amerika geen respect heeft voor een van zijn waardevolste kunstvormen mag zijn achterhaald, dat de oudere jazzgeneratie nogal eens in de financiële marges opereerde, wordt er door deze foto’s ingewreven.

Miles Davis is niet de enige aan wie een klein mausoleum is gewijd (zie het graf van altsaxofonist Johnny Hodges: bewonderaars kunnen plaatsnemen op een bankje met Hodges’ naam erop) en menige muzikant wordt herdacht met een stijlvol in memoriam (Lionel Hamptons steen vermeldt als geestig extra de titel van zijn hit Flying Home). Maar het is onthutsend te zien hoeveel solisten van naam en faam kennelijk onder zulke behoeftige omstandigheden stierven, dat er alleen een begrafenis op staatskosten restte. Elke Amerikaan die zijn dienstplicht vervulde, heeft recht op een gratis graf op een National Cemetery, en zo kan het dat grote namen als Albert Ayler, Fletcher Henderson, Paul Gonsalves en Herbie Nichols een laatste rustplaats kregen met een uniforme steen die louter en alleen refereert aan hun rang in het Amerikaanse leger.

Wrang, maar het kan nog erger. De bebop-legenden Bud Powell en Dizzy Gillespie blijken onder louter gras en onkruid te rusten, zonder enige identificatie, net als gitarist Grant Green en baritonsaxofonist Serge Chaloff – iets mindere goden misschien, maar toch ook geen minne figuren in de jazzgeschiedenis. Tussen de regels door spreekt Van de Klomp de hoop uit dat zijn boek daar iets aan veranderen kan. Op pagina 115 staat een foto van het graf van pianist Teddy Wilson. Onder op diens zerk is met bescheiden letters Dedicated by Japanese friends te lezen.

Erik van den Berg

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.