Grandioos, weergaloos, maar. . . Ambivalentie klinkt door in de reacties op de dood van W.F. Hermans

DE SCHRIJVER Rudy Kousbroek, die lange tijd met hem bevriend was: 'In zekere zin was het de meest rewarding vriendschap, die ik ooit gehad heb....

MICHAEL ZEEMAN

Zijn oeuvre? 'Grandioos, nog altijd. Als je met iemand een conflict hebt, is het onvermijdelijk dat je je ook van het werk afkeert. Je bent dan ietsje minder geneigd alles even schitterend te vinden. Maar in Nederland was geen schrijver met wie ik me zo verwant heb gevoeld.

'Dat geldt in de eerste plaats voor zijn filosofie van de wetenschap. We dachten daar beiden hetzelfde over, lang voordat die manier van denken in de mode was.

'De klad is erin gekomen ten tijde van de Weinreb-affaire. Daarbij heeft hij een onvergeeflijke opmerking gemaakt. De Weinreb-affaire begon in de tijd dat ik last begon te krijgen met allerlei Indische mensen.

'Ik was het niet in alle opzichten helemaal met hem eens, in die affaire. Toen kreeg ik te horen dat ik de kool en de geit probeerde te sparen - want ik was ook bevriend met Renate Rubinstein, zijn antagoniste in de zaak-Weinreb. Maar als je het niet in alle opzichten met hem eens was, dan was je tegen hem.

Hij heeft toen de vuige opmerkingen gemaakt over dat ik het leuk vond om te zien hoe mijn vader werd afgetuigd door de Japanners. Dat is onvergeeflijk: het doet denken aan die Oosteuropese rabbi die tegen iemand zegt: ik zal overal rondvertellen dat je dochter een hoer is, dan mag jij dat overal gaan ontkennen. In het Indië-debat kom ik nog steeds mensen tegen die denken dat Hermans' beschuldiging juist was.

'Sindsdien hadden we geen contact meer, ook al woonden we geruime tijd in dezelfde stad, in Parijs. Eerder had zijn vrouw tot twee keer toe in onze ruzies bemiddeld en ervoor gezorgd dat ze werden bijgelegd. Dit keer is het er helaas nooit van gekomen.

'In zekere zin is die houding van hem ook wel begrijpelijk. Hij is ongenadig gepest door dat gebroed van klein allooi dat in Nederland rondspookt. Hij had het ongeluk in een land te wonen en in een taal te schrijven waar niet veel eer aan te behalen valt.

'Ik heb zijn polemieken steeds gevolgd. In het begin leek het me dat hij zich inzette voor een civilisatie die in Nederland ver te zoeken is. Maar later, bijvoorbeeld bij zo'n lezing over Ter Braak, laatst voor de SLAA, dan dacht je toch dat hij was begonnen met wat de Fransen noemen radotyer, wartaal uitslaan.

'Het was alsof hij almaar opnieuw probeerde gelijk te krijgen.

'En zo kreeg hij met iedereen ruzie. Hij verlangde ook van zijn vrienden een soort kadaverdiscipline. Dat bracht niet iedereen op. Ook mensen die veel van hem hielden niet.

'Als ik nu iets van hem moest herlezen, dan nam ik Conserve of iets anders uit de begintijd van zijn schrijverschap. Die verhalen waarvan de stijl zo aan Bordewijk doet denken. Je weet nooit of dat komt doordat je ze indertijd zo prachtig hebt gevonden. Doordat ze uit een tijd stammen dat er nog geen vuiltje aan de lucht was.'

Zijn huidige uitgever, De Bezige Bij in Amsterdam, onthoudt zich op dit moment van ieder commentaar. 'Hermans wilde in stilte worden begraven: het past ons nu niet die stilte te verbreken. Daarvoor was hij ons, als persoon en als schrijver, te dierbaar.' Maar de Rijksuniversiteit Groningen kon het niet laten: koud was bekend geworden dat de bekendste geleerde die ooit aan een van haar faculteiten verbonden is geweest, de lector fysische geografie dr W.F. Hermans, gestorven is, of er werd een poging ondernomen opnieuw weer wat te gaan duwen tegen inmiddels rechtgetrokken scheve zaken.

Volgens de woordvoerder van de universiteit, W. Janssen, is er enkele jaren geleden nog een rapport uitgekomen over een onderzoek naar de vraag of de kritiek op het functioneren van Hermans aan de Groningse universiteit terecht was. 'De conclusie van dat rapport was dat er inderdaad vraagtekens gezet konden worden bij de manier van les geven van Hermans, bij zijn aanwezig-zijn en zijn onderzoeksactiviteiten. Maar in dat onderzoek werd eveneens geconcludeerd dat de Rijksuniversiteit Groningen in die tijd ook fouten heeft gemaakt naar Hermans toe.'

Kamervragen zijn er over gesteld, begin jaren zeventig, en er werd een heus onderzoek ingesteld. En vijftien jaar later, toen de geschiedenis van de Groninger universiteit geschreven moest, brak er opnieuw heibel uit: de opdrachtgever vond het niet zo nodig dat de chroniqueur alle dossiers in de zaak-Hermans te zien kreeg. Er moest een rechter aan te pas komen om het dossier open te breken.

Zowel het onderzoek als de historicus zuiverde Hermans van alle blaam. 'Ze strooiden het verhaal rond dat ik me in een kast verborg wanneer studenten op mijn kamer kwamen om tentamen te doen, en dat ik ze dan aan het schrikken maakte', vertelde Hermans verleden najaar in een interview. 'Maar waarom zou ik dat in 's hemelsnaam doen, me in een kast verstoppen? Het probleem was dat die studenten geen literatuurlijst meer wilden afwerken en ook het collegebezoek nalieten. Bij mijn collega's was het eenvoudig een kwestie van jaloezie.'

Volgens woordvoerder Janssen heeft de RUG de laatste jaren herhaaldelijk geprobeerd weer op goede voet te komen met de schrijver. 'We waarderen hem als een groot schrijver. We hebben hem enkele keren uitgenodigd naar Groningen te komen, of verzoeken van anderen daartoe ondersteund. We koesteren geen enkele rancune jegens Hermans.' Hermans zelf liet echter steeds weten niet van die uitnodiging gebruik te willen maken en niet meer naar Groningen terug te willen keren.

Vorig najaar buitte de Stichting Litteraire Activiteiten Leeuwarden, die Hermans wèl als gast kon verwelkomen, dat uit door billboards met zijn portret op te hangen, waarop de tekst 'Wel in Leeuwarden'. Groningen riposteerde een week later met de tekst: 'En waar had hij het over? Over Groningen'

Inderdaad: hij had het over Groningen, die vierde oktober, een hilarische avond lang. En over Jan de Koning, die zich als ARP-kamerlid druk had gemaakt om Hermans' plichtsbetrachting als lector.

Die nacht stierf De Koning.

Hermans werkte ondertussen aan een nieuwe roman, Ruisend Gruis, een verhaal waarin een doe-het-zelver in Paterswolde een gat in de muur probeert te boren. Uit dat gat begint gruis te stromen, een merkwaardig wit poeder. En niet zo'n beetje ook: vulkanische hoeveelheden hopen zich op in de gang, de kamer en even later ook buiten de deur. 'Dat poeder komt uit een bel onder Groningen en na verloop van tijd laat ik heel die stad in de grond verdwijnen.'

Op 25 maart, tijdens de Nacht van het Boek in Tilburg, herinnerde de interviewer hem aan de onfortuinlijke gevolgen die De Koning van Hermans' spot ondervonden had - en vroeg zich af of het niet al te link was het nu opnieuw over een van Hermans' vijanden te hebben. Vroeger had Hermans beweerd dat het altijd voordelig was hem te bekritiseren. 'Gaat u maar na: De Koning viel mij aan, en hup, minister geworden, Nuis bestreed mijn visie in de zaak-Weinreb met lasterlijke praatjes, en inmiddels staatssecretaris van cultuur en wetenschap.'

Nee, over Nuis hoefde Hermans het tijdens de Nacht van het Boek niet meer te hebben. 'Ik had mij voorgenomen het te doen, maar het hoeft niet meer.' Die middag was bekend geworden dat de verantwoordelijkheid voor het wetenschapsbeleid uit zijn staatssecretariële portefeuille was verwijderd. 'Hij was er eenvoudig te dom voor', zei Hermans.

'Hij was een groot schrijver', aldus staatssecretaris Nuis van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen donderdagavond. 'Hermans heeft een wereld in woorden geschapen die de tijd zal weerstaan. Ook komende generaties zullen worden geboeid door zijn even weerbarstige als weergaloze stem', zei de staatssecretaris.

De schrijver Harry Mulisch, collega en rivaal vanaf het begin van de jaren vijftig: 'Ik ontmoette hem voor het eerst toen ik 24 was en hij al 30. Dat is dan een groot leeftijdsverschil. We zagen elkaar nooit, ja, eens in de tien jaar misschien. Er hing een soort kribbigheid om hem heen en hij was altijd bezig je te ontgroenen. Hij vond niet alleen dat hij de beste schrijver was, hij wilde ook de enige zijn.

'Hij lachte altijd, maar hij was nooit blij. Natuurlijk, rivaliteit en pesterij, dat heb je met meer collega-schrijvers. Maar daarna kun je toch weer heel gezellig gaan eten samen. Met hem nooit. Hij was contactgestoord. De oorzaak daarvan moet vermoedelijk toch ergens in de Eerste Helmersstraat gezocht worden. Zijn vrouw moet welhaast een heilige zijn.'

Zijn oeuvre? 'In de jaren vijftig vond ik dat heel goed. Let wel, ik zou zelf nooit zo schrijven, maar ik was steeds nieuwsgierig als er een nieuwe novelle van hem uitkwam.

'Daarna is het een stuk minder geworden, na De donkere kamer van Damocles en dat boek dat in het noorden speelt, hoe heet het ook al weer, Nooit meer slapen. Eind jaren vijftig, begin jaren zestig, dan is het nog goed. Maar daarna wordt het alleen maar minder. Het is alsof hij toen alles gezegd had. Het geheimzinnig en mysterieuze dat in Paranoia zit, is dan verdwenen. Dat zit nog niet vol met de impliciete bewering dat alles een rotzooi is.

'Die eindeloze reeks artikelen en polemieken met mensen die over tien jaar vergeten zijn, het is allemaal zo weinig pregnant. Als ik ze las, dacht ik altijd: man, schrijf nou eens een mooi boek.

'Een breed schrijver was hij wel. Romans en verhalen, essays en polemieken, en hij heeft ook nog een beetje aan filosofie gedaan, al was dat dan altijd secundair. Hij was filosofisch een extreme rationalist. Zijn visie op Wittgenstein kan ik niet delen. En die Céline-kant aan hem, daar heb ik ook niks mee te maken.'

Joop Schafthuizen, particulier secretaris van collega-schrijver Gerard Reve: 'Meneer Reve is er niet, nee. Maar als kunstenaar heeft hij hem zeer gewaardeerd. Als mens niet, nee. Ja, misschien heel vroeger.'

Gerard Reve zelf: 'Een schok, een klap. Erg voor zijn vrouw ook. Vroeger waren we bevriend, later werd dat minder en ten slotte helemaal niet meer. Hij was een heel ander mens dan ik, zo wantrouwig, zo bits, bepaald geen mensenvriend. Nu is elke kunstenaar eigenlijk enigszins gestoord. Zelf ben ik manisch-depressief. Maar hij was paranoïde, leed aan achtervolgingswaan, waanvoorstellingen. Hij viel je altijd aan, met die kop met puilogen. Hij vond niets grappig. Maar zijn eerste boek, Conserve, dat was een mooi boek: dat las je voor je plezier, en niet voor je verdriet.'

A.F.Th. van der Heijden, collega, te jong voor een conflict, jong genoeg voor bewondering. 'Het is frappant dat ik op de dag van zijn dood net de laatste hand legde aan de eerste versie van een nieuwe roman, Het Hof van Barmhartigheid - en bedacht dat dat boek eigenlijk een heel Hermansiaans thema heeft.

'Ik heb hem nooit ontmoet, maar begreep van wederzijdse kennissen dat hij een zeker respect had voor mijn werk. Zijn grote, klassieke romans, zeg maar van De Tranen der Acacia's tot Herinneringen van een engelbewaarder, grote, klassieke romans, geschreven volgens de regels die hij daar zelf voor had vastgesteld, heb ik altijd bewonderd. Die thematiek van ''het sadistische universum'', dat louter geschapen is om ons te pesten. En dat vermogen om je mee te nemen in zo'n dramatisch, tragisch verhaal.

'De polemist in Hermans sprak mij minder aan. Net als iedereen heb ik me met zijn polemische stukken vermaakt, maar je kreeg toch in toenemende mate het gevoel naar een lonely old wolf te zitten kijken, een mannetje dat onder een stolp gekke bekken staat te trekken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden