Gouden handel aan verre kusten

Gouden handel zagen Nederlanders als Jan Huygen van Linschoten, Petrus Plancius, Balthasar de Moucheron, Isaac le Maire, Willem Usselincx, Jan Pieterszoon Coen en vele, vele anderen zo'n vier eeuwen geleden aan verre kusten gloren....

Met honderden koopvaardijschepen, veelal begeleid door oorlogsbodems die kapers, Engelsen, Spanjaarden en Portugezen op een afstand moesten houden, voer men naar de Oost en de West om daar produkten te halen, waarvan we ons nauwelijks meer kunnen voorstellen dat er zoveel geld mee te verdienen viel: peper, kruidnagelen, foelie, nootmuskaat, zout, suiker, cochenille, amber, salie en vele, vele andere produkten.

'De natuur van Oost- en West-Indië vormde één grote medicijnkast', schrijft Wim Wennekes in zijn prachtige, aanstekelijk geschreven boek Gouden handel, 'en de Verenigde Oostindische Compagnie en de Westindische zustermaatschappij waren in feite voor een groot deel groothandelaren in farmaceutica, voorlopers van firma's als Roche, Ciba-Geigy, Bayer en Organon.'

De geneesmiddelen kwamen toen nog uit de natuur, en al waren in vaderlandse dreven, tuinen, bossen en landerijen heel wat kruiden te vinden tegen jicht, waterzucht, koortsen, winderigheid en andere kwalen, in Indië, in Amerika, in de Gordel van Smaragd en elders onder de tropenzon ontdekte men geheel nieuwe geneeskrachtige middelen.

Nootmuskaat was volgens de chirurgijns en pillendraaiers goed voor de spijsvertering. Foelie hielp tegen maagkwalen en verkoudheden. Kaneel kon menstruatieproblemen verlichten en cacao had een lichaamversterkende en wondverzachtende werking.

Wat haalden de Nederlanders van zo ver, en waarom?

Dat is de vraag die Wennekes in Gouden handel probeert te beantwoorden en dat levert een verhaal op, dat we ten dele wel kennen van de schoolbanken of uit studies op het terrein van de zogenoemde 'expansie-geschiedenis', maar de gedetailleerde wijze waarop Wennekes verslag doet, leert ons zoveel meer, nog afgezien van de omstandigheid dat zijn kleurrijke verhaal je de ongelooflijke ondernemingszucht van de Hollanders in de zeventiende eeuw zo indringend voor ogen tovert.

Het is in de optiek van de schrijver een verhaal dat niet alleen eventueel nog aanwezige nationalistische gevoelens behoeft aan te wakkeren. Er zitten ook minder fraaie kanten aan: onderdrukking, wreedheid en zelfs verachting voorzover het de lokale bevolking betrof. Daar hoeft niet achteloos aan te worden voorbijgegaan.

Niettemin is het de moeite waard de vaderlandse expansie op de voet te volgen en je af te vragen waarom het zo kleine Nederland, met zijn enorme vloot, in die tijd de grondslag legde voor een rijkdom die tot op de dag van vandaag is blijven bestaan.

Volgens Wennekes kom je bij de beantwoording van die vraag algauw uit bij 'een zee van clichés'. Natuurlijk wisten Nederlanders door het vele water hier wat scheepsbouw was, wisten zij wat navigeren was en voeren zij, vanwege 'hun hebzuchtige, nieuwsgierige en avontuurlijke aard', graag het zeegat uit. Uitzicht op rijkdom prikkelde zowel reder als lichtmatroos. Maar ook het seksuele avontuur lokte. Wat het preutse calvinisme in de eigen gemeenschap temperde, kon te midden van de 'natuurvolken' ongeremd worden uitgeleefd.

Maar de hoofdreden voor het welslagen, schrijft Wennekes, 'lijkt mij te schuilen in het hoofdthema van het boek: de ongebreidelde hier aanwezige warenkennis, in de loop der tijd gevormd door in eigen land en in andere landen behoeften te peilen en vervolgens na te gaan op welke wijze in die behoeften kon worden voorzien.

Het uitzonderlijke bewustzijn van de waarde van grondstoffen werd hier gescherpt doordat in eigen bodem vrijwel geen delfstoffen zaten en het klimaat zich slecht leende voor de aanplant van een beperkt aantal gewassen. Meer dan elders was daardoor het oog van Nederlandse kooplieden gericht op wat vreemde landen te bieden hadden.'

Gouden handel is behalve voor degenen die in het Nederlandse verleden geïnteresseerd zijn - of gewoon willen genieten van een boeiend historisch verhaal - ook een beetje gericht tot de moderne, eigentijdse ondernemer, de manager, die denkt dat door hem het Nederlandse bedrijfsleven pas is gaan floreren. Ze kunnen, vindt Wennekes, in veel opzichten niet in de schaduw staan van hun zeventiende-eeuwse voorgangers. En evenmin, denk ik dat hij óók bedoelt te zeggen, van de grote negentiende-eeuwse ondernemers, die hij in een vorig boek, Aartsvaders, portretteerde.

Maar de les die Wennekes ons leert, is geen moralistische: vóór alles wil hij toch op de lezer het enthousiasme overdragen dat van hem bezit nam, toen hij zich verdiepte in de talloze, precieze en gedetailleerde scheepsjournalen, waarin niet alleen veel kennis over de vaderlandse expansiedrift besloten ligt, maar ook het ene prachtige verhaal na het andere, zoals blijkt uit de ruim voorhanden zeventiende-eeuwse citaten, die je door hun taal alleen al het gevoel geven deel te hebben aan een scheepvaartavontuur, dat voor ons, in deze tijd, niet meer is weggelegd (Atlas, ¿ 69,90).

Het toeval wil dat we ons deze week ook op een andere manier in de zeventiende eeuw kunnen vermeien. Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag is voor prof.

dr E. K. Grootes, kenner van de letterkunde in die tijd, door M. Spies en J. Jansen een bundel samengesteld, die artikelen bevat over Jacob Cats, Constantijn Huygens, P. C. Hooft en andere groten in de jonge Republiek (Bredero!), maar ook over minder bekende personagiën en letterkundige verschijnselen.

Visie in veelvoud heet het boek (Amsterdam University Press, ¿ 39,50) en ik zou het van harte iedereen willen aanbevelen, die belangstelling voor de oudere letterkunde heeft, maar ik denk toch dat je enigszins in de Neerlandistiek thuis moet zijn om het ten volle te kunnen waarderen. Hoe mooi zou het zijn als Eddy Grootes, die zo helder en rustig schrijft, de 'gewone', zeg maar niet-Neerlandistieke lezer in de toekomst een afgerond verhaal, zijn verhaal over de literatuur en haar ontwikkeling in De Gouden Eeuw, zou schenken. Misschien krijgt hij daar nu de gelegenheid voor.

Een citaat van Jacob Cats in Visie in veelvoud sloeg voor mij de brug naar. . . Koos van Zomeren (en nog een paar andere auteurs). In Self-stryt verhaalt Cats over Joseph, die belaagd wordt door Sephyra, de wulpse vrouw van Potiphar. In de voorrede daarvan schrijft hij: 'Des menschen leven is als een middel-punct, tusschen den uytnemende staet der Engelen, en het woelen der onvernuftige dieren. In gevalle de mensche sich laet vervoeren van de invallen syns vleesch, hy wert gelijck gemaekt den dieren op den velde. Indien hy daer-en-tegen, door de krachten des geests, de lusten van 't vleesch over-wint, hy wert verheven tot de heerlijckheyt der Engelen. Siet daer, Mensche, uwe gestalte. Gy staet om een beest, ofte om een Engel gelijck te werden.'

Gaat het bij Koos van Zomeren, in zijn mooi-vertelde, korte roman Meisje in het veen om d'aloude tegenstelling tussen 'engel' en 'beest'? Een beetje wel, zo lijkt het, al benadert Van Zomeren het verschil niet op die manier. Voor hem is de mens niet bepaald een schepsel met engelachtige vermogens en daardoor superieur aan het dier. Zijn hoofdpersoon, de overspannen leraar biologie Willem Egge overpeinst: 'De mens was verreweg het meest geduchte dier op aarde. Zoals Vlaamse gaaien eikels verspreiden, zo verspreiden wij angst. Overal waar we opdoken sloegen andere dieren op de vlucht en dat was ze maar geraden ook; wie zich niet onmiddellijk in veiligheid bracht werd óf uitgeroeid óf (neem de hond, neem de koe) aan onze zegekar gebonden.'

De bioloog, wiens verhaal Van Zomeren in Meisje in het veen, vertelt is iemand die in verwarring is geraakt als gevolg van het feit dat de 'eenheid' van zijn leven, op school, thuis en in de natuur verbroken is. De dood dient zich aan tussen de brokstukken en het is dan ook niet voor niets dat Meisje in het veen begint met de vondst van een dood meisje, ergens in de ongerepte natuur. Voor Willem Egge is het tijd voor een nieuw evenwicht. Het zoeken daarnaar bepaalt de sfeer van dit boek, vol mijmeringen, dromen en - Ovidius indachtig - metamorfosen, die het een in het ander moeten doen opgaan, geschreven in de bespiegelende Gerrit Krol-achtige stijl, die we van Van Zomeren kennen, de stijl van een gepassioneerde nuchterling (AP, ¿ 29,90).

Van Paul Claes (De Sater, Raadsels van Rilke, De Bloomiade) valt zo'n relatief eenvoudige, persoonlijke vertelling niet te verwachten. Claes is de erudiete geleerde, die speelt met zijn (literaire) kennis. In De zoon van de panter biedt Claes, geïnspireerd door de ontdekking van de Dode Zee-rollen in 1947, een aantal apocriefe evangeliën, waarin de verwekking van Jezus bij Maria wordt toegedicht aan een Romeinse soldaat: Tiberius Julius Abdes Pantera. Een uiterst vernuftig en intrigerend boek (De Bezige Bij, ¿ 24,90).

Over eruditie, een eigen, niet academisch verworven kennis kan ook de Oostenrijkse Lilian Faschinger mee praten. Net als over 'het beest in de mens'. Haar boek, Magdalena zonderes, was dè verrassing van de laatste Frankfurter Buchmesse en dat is, voor wie nu de Nederlandse vertaling van Maria Noordman leest, wel te begrijpen. Hier is een boze vrouw aan het woord, een vrouwelijke Thomas Bernhard, die niet alleen begiftigd is met een mateloze kennis, maar die ook àlles wil zeggen wat haar dwars zit, en dat is veel.

Om nu eindelijk eens een keer niet in de rede te worden gevallen, heeft de roodblonde furie die in het bestek van dit dikke boek over zichzelf en de wereld praat, een priester geschaakt en hem aan een boom vastgebonden. Ten overstaan van hem pakt ze uit, bladzijden lang, en biecht ze haar levensverhaal op, haar zonden, haar door mannen gefnuikte erotiek (al haar minnaars heeft ze gedood) en zo is de lezer getuige van een bekentenis, die men in Oostenrijk geshockeerd moet hebben beluisterd (Anthos, ¿ 39,90; ¿ 49,90 gebonden).

Vermoedelijk deelt Gabriele Kögl, ook een Oostenrijkse, Faschingers afkeer van haar geboorteland. Haar roman, Het loeder, vertaald door Wil Boesten, speelt zich af op het Steiermarkse platteland. Daar tracht het meisje Karla de primiviteit van haar omgeving, haar ouders en de opgroeiende jeugd, het hoofd te bieden. Haar lijden weerspiegelt zich in de kwellingen die de boerse bevolking de dieren bereidt, een houding die ons terugvoert naar Koos van Zomeren, zijn biologieleraar en diens dieren- en mensenliefde (De Bezige Bij, ¿ 29,50).

'Het beest in de mens' - daarvan getuigen ook drie vrouwelijke ballingen, Zoé Valdes uit Cuba, Hoda Bakarat uit Libanon en Hamida Na'na uit Syrië (tegenwoordig alledrie woonachtig in Parijs). Zoé Valdes schetst bitter het verraad in de liefde dat een jonge Cubaanse in haar desolate vaderland overkomt (Het helse paradijs, vertaald door Saskia Otter, Ambo Novib, ¿ 29,90). Hoda Bakarat geeft in De lachsteen een sfeervol beeld van de keuze waarvoor 'de moderne hel van Beiroet' een jongeman plaatst: moet hij het 'vrouwelijke' in zichzelf onderdrukken om als 'man' deel te kunnen nemen aan de oorlog? (vertaald door Richard van Leeuwen, Goossens Manteau, ¿ 32,50). En Hamida Na'na laat in Het vaderland een terroriste het geweld afzweren. In Parijs wordt ze verliefd op een afvallige marxistische intellectueel, die haar ideeën over een onafhankelijk Palestijns vaderland heeft gevoed (vertaald door Richard van Leeuwen en Djûke Poppinga, Goossens Manteau, ¿ 32,50).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden