Gouden geweld

'Nachtwacht', kanon en Delfts Blauw: vanaf 20 december zijn de topstukken uit het zondag gesloten Rijksmuseum te zien in de Philipsvleugel....

De grens van het toelaatbare lijkt opgezocht in het hart van het gebouw. Bezoekers zullen eerder door zalen zijn gedwaald met mild lichtblauw aan de muren, of rustig grijs. Als figuurlijke rode draad dienen gestileerde vrucht- en bloempatronen uit de zeventiende eeuw, slechts aangezet door het subtiele verschil tussen mat en glanzend.

Maar hier, in het vertrek op de tweede verdieping, waar straks enkele Vermeers en Jan Steens de welluidende opmaat zullen vormen tot het kroonjuweel, De Nachtwacht, een doorgang verderop, spat niet minder dan een goudkleur van de wanden.

Boze tongen zouden het een provocatie kunnen noemen van Wim Quists vormgeving van de Philipsvleugel, wijlen de Zuidvleugel van het Rijksmuseum: de architect voorzag de uitbouw nog geen zeven jaar geleden van de voor hem zo kenmerkende strakke geometrie met hagelwitte wanden. Het blauw en grijs zouden nog voor aanpassing kunnen doorgaan.

Jan Rudolph de Lorm, hoofd tentoonstellingen van het Rijksmuseum, wil niets van een uitdaging weten. Quist heeft juist prachtig werk verricht. Dat wordt heus niet verkwanseld. Maar dit is een statement, zoals er meer paukenslagen zullen zijn in de tentoonstelling Het Rijksmuseum, De Meesterwerken. Daarin laat de instelling in één vleugel vanaf 20 december 2003 tot zomer 2008 de onbetwiste hoogtepunten van die fameuze Gouden Eeuw zien; de rest van het gebouw is dan het domein van de aannemer.

Goud dus, en daarmee wordt zelfs de geschiedenis enigszins recht gedaan. De rijke kooplieden uit die tijd, geregeld opdrachtgever voor het maken van al die doeken die het later tot Oude Meester zouden schoppen, hadden de wanden van hun grachtenpanden ook bespannen met damast en goudleer. Het kopiëren van de weelderige patronen daarop zou te ver zijn gegaan. Anno 2003 volstaan de geabstraheerde sjablonen van bloem en vrucht.

De Lorm: 'Je kunt zeggen dat deze aanpak de afstand tussen publiek en kunst verkleint.' Hij kiest zijn woorden zorgvuldig. Leg maar eens uit dat de veelgeprezen schepping van niet de eerste de beste architect plotseling niet kan dienen als decor voor het puikje uit 's lands glorietijd.

Alsof de opdracht al niet moeilijk genoeg was. Ruim vierhonderd objecten overleefden de schifting. Schilderijen natuurlijk, maar ook de poppenhuizen, de zilverschatten, het fraaiste Delfts Blauw, wapentuig, een scheepsmodel. Criterium nummer één: herkomst uit de Gouden Eeuw. Toets twee: de absolute top. 'Dit is de kern van onze collectie. Het beste van het beste. En behapbaar. Anderhalf uur is een perfecte tijd voor een museumbezoek.'

Gerekend wordt op jaarlijks 600 duizend bezoekers, tegen ruim één miljoen voor het hele Rijksmuseum. De meesten kwamen toch al voor de zeventiende eeuw.

Van tienduizend vierkante meter expositieruimte naar vijftienhonderd; hij heeft het zich niet eens ten volle gerealiseerd, getuige zijn verbazing als hij de afname aan oppervlakte krijgt voorgehouden. 'Is het zo weinig?'

De Lorm en zijn conservatoren willen met De Meesterwerken in de Philipsvleugel een verhaal vertellen, met statements en een eerste vermenging van de traditioneel gescheiden collecties, zoals de schilderkunst, beeldhouwen, kunstnijverheid en de verzameling Nederlandse geschiedenis. Het is een kennismaking met de visie die het hele Rijksmuseum zal etaleren als daar de deuren weer opengaan: weg met de schotten tussen de kunstuitingen. Niet langer alleen de uitstraling van intrinsieke schoonheid, maar ook het waarom en voor wie. De Lorm: 'Het moet een belevenis zijn.'

Neem de entree. Daar moet je 'met de deur in huis vallen', zegt hij. Daar hangt straks Schuttersmaaltijd ter viering van de Vrede van Münster van Van der Helst; de erkenning van de Republiek als het begin van het welvaren. Daar zijn ook restanten van het stadhuis op de Dam te zien: de macht aan de burgerij. Op een reusachtige raampartij is een zee afgebeeld. Daar zal het schaalmodel van het VOC-schip Prins Willem worden geplaatst. Een scheepskanon ligt nog op de vloer, naast ornamenten van de Royal Charles, een oorlogsbodem die ooit op de Engelsen werd buitgemaakt. De Lorm: 'Die elementen vormen ook meteen een nuance van het succesverhaal van die Gouden Eeuw. Het is niet zonder slag of stoot gegaan.'

Context weegt. Het waren vrouwen die de poppenhuizen bestelden, de utopische miniaturen van de palazzo's aan de gracht. Laat daarbij dan hun wereld zien: een schilderij van een interieur bijvoorbeeld. Een exterieur ligt al weer ingewikkelder.

Maar moest daarvoor echt het gebouw op de schop? Jan Rudolph de Lorm blijft behoedzaam. Quist is 'uitgangspunt' gebleven. Maar waar de architect een epigoon van Het Nieuwe Bouwen is, vroeg volgens het Rijksmuseum zijn werk onder dat gouden geweld om een gedurfder inrichting en rijkere versiering. 'Het was wel eigenaardig dat we zo'n zwaai moesten maken. Maar een nieuwe formulering was nodig. Sterker, we moesten een nieuw, autonoom museum maken. Met eigen in- en uitgang, garderobe, een winkel, toiletten, noem maar op. En wat moet, moet dan maar.'

Als hij de vleugel betreedt, laat De Lorm niet na te beklemtonen dat veel intact is gebleven. De ingang die nu uitgang is, de liftpartij, de ruime zwier van de trap naar boven. 'Is nog allemaal van Quist, hè.'

Maar in de gekleurde zalen is de hand van interieurarchitect Evelyne Merkx zichtbaar. Eerder tekende zij voor De Glorie van de Gouden Eeuw, ook in het Rijks. De renovatie van het Concertgebouw in Amsterdam staat ook op haar naam. Ze liet weten zich wel te willen plooien naar de 'terughoudende' architectuur van Quist. Maar het liefst had ze de opengewerkte hoeken, die de doorgangen in het midden van de muren vervingen, weer ongedaan willen maken. Die leegtes leiden volgens haar maar tot desoriëntatie: de bezoeker slaat aan het dolen.

Ze kreeg haar zin overigens niet: de open hoeken zijn er nog. Maar enkele wanden zijn zwart geschilderd, waardoor ze het stempel van tussenschot hebben gekregen. Twee zalen krijgen met in één kleur doorlopende muren het karakter van één. De Lorm stelt tevreden een compromis vast: de verleiding om te gaan zwerven is afgenomen, zonder dat de bezoeker aan een dwingende hand langs het circuit wordt gedirigeerd.

Naar het hoogtepunt is zorgvuldig toegewerkt. Na de gouden afdeling moet in de laatste zaal de culminatie volgen: Rembrandts De Nachtwacht. Schilders op ladders maken er overuren. Bijna was het icoon in een zwarte doos geëindigd. De werklieden gebruikten per ongeluk het aartsdonkere 'grachtengroen'. Ze kwasten er nu ijlings potten van het lichtere 'rijtuigengroen' op. Niet alles hoeft een statement te zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden