Goois filiaal van het Leidseplein

HET WAS ER altijd feest. Niemand hoefde naar kantoor en de drank raakte nooit op. In de rest van Nederland werd ijverig gewerkt aan het herstel van het gekneusde vaderland, maar op Jagtlust, een negentiende-eeuwse villa in de weilanden tussen Laren en Blaricum, werd onbekommerd pret gemaakt....

De hoofdbewoonster van het lustoord heette Fritzi ten Harmsen van der Beek. Zij was de dochter van een illustratoren-echtpaar - haar vader tekende jarenlang de beroemde Flipje-strip van De Betuwe. Het ouderlijk huis in Blaricum was ook al beroemd om zijn artistieke feesten, met dat verschil dat haar ouders geld hadden. Fritzi en haar broer Hein hadden in een half jaar een enorme erfenis verteerd. Berooid, 31 jaar oud, en per ongeluk moeder van een zoontje, had ze de leegstaande, vervallen kolos in 1954 gekraakt.

En alleen de allerleukste jongens en meisjes mochten er komen, drinken, vrijen en blijven: de jonge dichters, filmers en schilders van de avant-garde en de rijkeluiskinderen uit het Gooi. Remco Campert woonde er een paar jaar, als eerste in de lange reeks van Fritzi's 'verloofdes' (deze ironische titel, nog jarenlang in zwang bij de HP, is Jagtlust-jargon), en zijn opvolgers Jan Eijkelboom en tekenaar Peter Vos. Dichter en uitgever Theo Sontrop was er jarenlang onderhuurder, net als schilder Frans Pannekoek, Gerard van het Reve toonde er zijn Loodgietend Prijsdier. Jan Vrijman, Ed van der Elsken, Frits Müller, Bert Schierbeek, Tientje Louw, Johan van der Keuken en nog heel veel anderen - alles wat begaafd was en nadrukkelijk niet tot het 'establishment' behoorde, spoedde zich naar Jaglust.

Want in dit Gooise filiaal van het Leidseplein gebeurde het, eind jaren vijftig. Het was een opmerkelijke samenballing van talent, daar in die afbladderende kast. Zo compact bijeengedreven is een 'generatie' in de cultuurgeschiedenis daarna niet meer te betrappen geweest. Alleen al om die reden kun je het boek van HP- journaliste Annejet van der Zijl (geboren in 1962, toen Jagtlust z'n beste tijd had gehad), Jagtlust - Hoe in een Goois buitenhuis de wereld openging een geweldig goed idee noemen.

Zij schreef het nog net op tijd: de meeste jongeren van weleer leven nog en konden in een gesprek herinneringen ophalen, of een greep doen in hun fotoalbums of archief. In de lange lijst met namen in het dankwoord ontbreekt overigens Fritzi ten Harmsen van der Beek. De 71-jarige schrijfster die allang niet meer schrijft, woont in een arbeidershuisje in Groningen, omringd door snuisterijen en dieren. Daar werd ze, nadat ze na zeventien jaar uit haar paradijs was gegooid, in 1971 door weldoeners neergepoot. Misschien had ze er geen zin in; publiciteit maakte haar altijd al zenuwachtig.

Die - nergens verantwoorde - afwezigheid van de hoofdpersoon als directe bron in deze Jagtlust-historie geeft haar de vreemde status van romanfiguur. Fritzi is bij leven al een legende, is de boodschap, en dat is misschien wel zo handig. Van der Zijl tekent uit vele monden typeringen op van de aanbiddelijke kraakster. 'Een eeuwig kind, dat weigerde zich druk te maken over geld' (Tientje Louw); 'ze voelde zich comfortabel in de chaos' (Louis van Gasteren); 'intelligent genoeg om te weten en te gevoelig om te kunnen aanvaarden' (haar broer Hein); 'een van de weinige mensen die ik echt deftig vind' (Tonio Hildebrand); 'een beetje zo'n hockeymeid met te dikke benen en een licht geaffecteerde stem' (kleine dissonant, Jaap Harten). Zelf noemde ze zich, ooit, ergens, 'de impertinente prinses'.

En alsof het zo nog niet genoeg is, verzint Van der Zijl er zelf nog wel een paar: 'Er waren misschien mooiere vrouwen dan Fritzi, maar er was niemand die zo dwarrelend, geniaal en roesachtig was als zij.' En: 'In haar theatrale kleren en met haar aristocratische, francofiele air leek Fritzi in het door haarzelf gecreëerde decor kasteelvrouwe te spelen.' Fritzi's verliefdheden, haar eenzaamheid, haar depressies - Van der Zijl leeft zich met huid en haar in. Dat komt de samenhang van haar verhaal ten goede, maar nergens weet je waar de bronnen spreken en waar het speculeren begint. Zo schrijft Van der Zijl losjes over Fritzi's verdriet na de 'desertie' van een minnaar: 'Ze kon maar niet begrijpen hoe hij haar had kunnen verlaten. Tegelijkertijd kwam het verdriet over haar veel te jong gestorven vader in volle hevigheid boven. Ze vond een luisterend oor en een begripvolle schouder bij Gé van der Pol (. . .).' Etcetera.

Beroemd was het aanbeden middelpunt van al dat jonge talent in de hoogtijdagen van Jagtlust nog niet. Zij was van zichzelf al grappig en excentriek genoeg. Ze tekende, en rommelde wat met lapjes. Maar ze bleek te kunnen schrijven: gedichten met wonderlijke observaties en ademloos, associatief proza. Pas in 1965 verscheen haar poëziedebuut, Geachte Muizenpoot, drie jaar later haar verhalenbundel Wat knaagt? De pers was juichend. Maar Fritzi had 'geen hap ambitie', zei ze zelf.

De 26-jarige dichter die ze in 1956 in huis haalde, had wel ambities. Voor Remco Campert 'gloorde de roem' meent Van der Zijl. Maar van werken kwam niet veel. Het stel had de handen vol met het op peil houden van de drankvoorraad - daartoe moesten eerst heel veel lege flessen worden ingewisseld en boze schuldeisers aan de deur worden weggejaagd. Toen het feest al bijna over was, trouwden ze. De bruid verscheen op het stadhuis met een bloedende hoofdwond: ze hadden die ochtend ruzie gehad.

Vooral in de hoofdstukken waarin Campert figureert, valt op hoe vertekenend de 'verhalende' methode van Van der Zijl werkt. Camperts toon kennen we wel zo'n beetje, en de dweperige stijl waarin de schrijfster hem parafraseert is wel heel erg niet-Campert. Als hij op het Boekenbal een 'heel bijzonder wezen met een hoogblonde haardos' de trap ziet bestijgen, staat hij 'aan de grond genageld'. En: 'Met haar hese stem, haar enorme ogen en haar verslavende, volstrekt oorspronkelijke taalgebruik en gedachtegangen was ze net champagne: bubbelend en bruisend.' Waarom niet de springlevende Campert zelf laten vertellen wat hem in deze geliefde aantrok? Nu is hij een schattig stuk onbenul in Borrebach-uitvoering in Van der Zijls eigen Zomerzotheid.

Als het op cultureel-sociologische typering aankomt, citeert Van der Zijl gek genoeg wel uitvoerig, terwijl reflectie over de feiten, het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd, nu juist de taak van de schrijver is. Socioloog Joop Goudsblom mag de 'nieuwe volwassenen' van de jaren vijftig typeren, Jan Vrijman de 'breuklijngeneratie' van na 1962. En Henk Hofland, ruim een pagina lang geciteerd, 'bepeinst': 'Wat een zondagsgeneratie waren we toch.' Zijn analyse van de periode die loopt van de oorlog tot aan de val van de Berlijnse Muur, eindigt met de fameuze verzuchting: 'Maar een generatie die de onze kan evenaren? Ik zie hem niet.' Beweringen van dit kaliber neemt Van der Zijl kennelijk liever niet zelf voor haar rekening.

Niettemin is Jagtlust - Hoe in een Goois buitenhuis de wereld openging bijzonder aardig om te lezen. Dat is vooral te danken aan de tot de verbeelding sprekende personages die Van der Zijl aantrof in het landhuis. Geestige anekdotes genoeg: het beroemde verhaal van Gerard van het Reve bijvoorbeeld, die voor de verbijsterde ogen van Fritzi een door hemzelf volgepist glas leegdronk, is maar een van de vele, en niet eens de leukste. De geschiedenis van Jagtlust biedt schitterend, gratis materiaal. Maar dat het er lag, moest eerst worden bedacht, vervolgens moest het worden gevonden en bijeengebracht. En dat deed Van der Zijl, en vermoedelijk deed ze het grondig. Jagtlust is gered van de slopershamer.

Aleid Truijens

Annejet van der Zijl: Jagtlust - Hoe in een Goois buitenhuis de wereld openging.

Meulenhoff; 176 pagina's; * 34,90.

ISBN 90 290 5755 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden