Google moet in de Mediawet

Google heeft geen scoops, geen interviews en legt ook geen winnend doelpunt vast. Toch is de zoekmachine een mediabedrijf, betoogt Henk Blanken....

De man met het grote kale hoofd en een spaarrekening bij Icesave zit op de eerste rij bij Pauw & Witteman. De man heeft drie ton geërfd van een oom, die dat kapitaal met een sober leven als timmerman bij elkaar heeft gesprokkeld. Na het overlijden van de oom heeft zijn neef de erfenis gestald bij de IJslandse internetbank. Dat ging goed, totdat die bank omviel. De man is zijn geld kwijt, maar moet van de Nederlandse fiscus nog steeds twee ton successierechten betalen. Dat geld heeft hij niet meer. Hij heeft overwogen een eind aan zijn leven te maken.

Tien jaar geleden was dit drama ondenkbaar. Stoelen vielen om als je ertegenaan liep, banken niet. Maar inmiddels leven we in een digitale cultuur, en is weinig wat het leek. We ‘zitten’ bijna allemaal op internet, zoals we ooit aan de keukentafel zaten als we samen de krant lazen. Bestaande dagbladen verdwijnen, langzaam maar onherroepelijk. We kijken nog televisie, meer dan ooit zelfs, maar steeds minder allemaal op hetzelfde tijdstip naar hetzelfde programma. En ja, soms schrijft iemand nog een brief.

De samenleving is niet meer wat zij tien of vijftien jaar geleden was. Dat dringt pas echt tot ons door zodra we beseffen dat we bijna allemaal bankieren op internet. We zijn onze eigen specialist. We verkopen zelf ons huis. We dokteren eigenhandig ons medisch dossier bij elkaar. Onze rommelzolder ruimen we leeg via een veilingsite. Het nieuws lezen we online. En voor burenhulp zijn we aangewezen op een koperdraadje dat bij de voordeur afbuigt naar de straatkant, waar het verdwijnt in een glasvezelkabel die onzichtbaar opgaat in wat internet heet.

Vroeger gingen we met Koninginnedag op de vrijmarkt staan; afgedragen meubels, gedateerde lampenkappen en te kleine kinderfietsen zetten we aan de straatkant. We belden aan bij de buren. We spaarden totdat we voldoende moed hadden verzameld om aandelen te kopen. Als we de 40 waren gepasseerd en nog altijd single waren, bezochten we de vrijgezellenavond in het buurtcafé.

Nu vinden we een partner op een datingsite en we laten daarbij elke schaamte varen. We leven onbekommerd in het openbaar, allengs minder anoniem. Ons publieke leven op internet is zelfs zo vanzelfsprekend dat we het pas missen als een in paniek gebelde helpdeskmedewerker ons uitlegt dat we last hebben van ‘een extreem uitklappende lijn’.

Aan de andere kant van internet, bij de zoekmachine Google, ontrafelt niemand de kredietcrisis. Niemand schrijft een splijtende analyse, niemand stelt kritische vragen. Geen verslaggever die bankiers of kunstenaars interviewt, geen fotograaf die een winnend doelpunt vastlegt, geen cameraman die een vuile oorlog verslaat, en geen hoofdredacteur die er (‘Publish and be damned’) zijn zegen aan geeft.

Google lijkt niet op een mediabedrijf, maar dat is het wel. Het haalt op internet meer reclamegeld binnen dan enig ander mediaconcern. Tien maanden nadat het in 2004 naar de beurs ging, had Google een grotere marktwaarde dan Time Warner, tot dan toe het grootste mediabedrijf in de Verenigde Staten. Sindsdien groeit Google steeds harder en kwijnen krantenconcerns weg. De twee oprichters van Google, Larry Page en Sergey Brin, bagatelliseren de rol van Google omdat zij die kranten nodig hebben: Google maakt geen nieuws, maar moet het wel kunnen vínden. Page en Brin kenmerken Google daarom liever als een technologiebedrijf.

Klassieke journalisten ergeren zich aan Google omdat het parasiteert. Tegelijk kost het ze moeite de zoekmachine als journalistieke concurrent serieus te nemen. Dat moet iets te maken hebben met beroepstrots. Google brengt geen scoops, produceert geen boeken, bedenkt geen televisieformats. Het bedrijf draagt niet bij aan de cultuur – het ordent die alleen.

Toch is Google een mediabedrijf, vooral omdat wij Google gebruiken zoals we ooit de krant, tijdschriften en televisie gebruikten. Op zoek naar het laatste nieuws voeren we een zoekterm in bij Google. Wereldwijd beschikken 1,3 miljard mensen over internet. Als zij niet op zoek zijn naar het nieuws van gisteren of vandaag, hebben ze nóg een reden niet louter op de oude media te leunen. Kranten en televisie bieden steeds meer diepgang, maar kunnen onmogelijk álle achtergronden bij al het nieuws brengen. Google doet dat wel. Niet door die analyses zelf te schrijven, maar door ze te ontsluiten. Daarbij verwijst de zoekmachine ook naar de digitale archieven van kranten en tijdschriften. In de strijd om de lezer, worden die hun eigen concurrent.

In een digitale cultuur is weinig wat het lijkt. Breaking news blijkt nieuws dat morgen al ‘stuk’ is. Een opinieweekblad brengt online dagelijks nieuws. Een krant transformeert tot opiniedagblad. Ingezondenbrievenschrijvers ontpoppen zich als onbehouwen ‘reaguurders’. Journalisten moeten zichzelf opnieuw uitvinden als verhalenvertellers, gespecialiseerde analisten of amateurrechercheurs.

En soms lijkt het wel alsof iedereen burgerjournalist wil worden.

Dat heeft vreemde gevolgen. Hoe kun je vertrouwen op anonieme internetbronnen? Moeten oude digitale knipsels ook betrouwbaar zijn? Moet je lezers overal over laten meepraten? Is alles openbaar? En niets nog geheim? Wat betekent privacy als we alles van elkaar kunnen weten? Wat stelt de waarheid nog voor als lezers elke boodschap in twijfel trekken? Wat kunnen journalisten leren van bloggers? En vice versa?

Het is de moeite waard te onderzoeken hoe de journalistieke ethiek, ontstaan in de eeuw van de massamedia, verandert door internet. Dat is nodig omdat die massamedia langzaam maar zeker uiteenvallen en versplinteren, en de journalistiek het risico loopt te worden meegezogen. Zoals oudere journalisten Google niet goed kunnen plaatsen, zo heeft de ‘Google-generatie’ weinig op met massamedia. Als ze zeggen dat ze internet meer vertrouwen dan de krant, en dat zéggen ze, bedoelen jongeren waarschijnlijk dat internet een medium is waarop je zelf bepaalt wat je wilt weten. Nieuwe generaties mediaconsumenten zijn hun eigen redacteur, en Google is hun venster op de wereld.

Als mediabedrijf vormt Google een grotere bedreiging dan we ons realiseren. Google verkoopt geen nieuws, maar is voor jongere consumenten als intermediair vrijwel monopolist. Desondanks wordt het bedrijf genegeerd door minister Plasterk, die in zijn mediabeleid vrijwel geen woord besteedt aan de impact van Google op de nieuwsconsumptie van de Google-generatie. Ook de Mediawet, die regels stelt aan nieuwsbedrijven en omroepen, negeert Google.

Ooit waren die regels bruikbaar. Oude media waren massamedia. Voor het verspreiden van nieuws had je een drukpers nodig of een televisiefrequentie. Nieuws was kostbaar. En schaars. Omdat niet al het nieuws opgetekend kon worden, waren er niet zo heel veel journalisten. Tot een jaar of veertig geleden hadden die journalisten een eigenaardig vak. Het was onderbetaald en onregelmatig werk. Daar stond een prachtig leven tegenover. Veel vrijheid. Een legitimatie voor ongebreidelde nieuwsgierigheid. En je mocht over alles een mening hebben.

Moderne journalisten zijn beter geschoold, maar hebben nog steeds het land aan kritiek. Het is een weinig zelfbewuste beroepsgroep die gedurig aarzelt tussen oude zekerheden en de nieuwe kansen die internet en de digitale cultuur bieden. Wat doet een journalist?

Hij zoekt de waarheid. Vertelt het verhaal. Filtert welke artikelen de moeite waard zijn. Voegt commentaar en achtergronden toe aan het nieuws, en filtert ook die. Dat klassieke model loopt op zijn laatste benen. In tijden van internet blijven van de oude journalistieke taken op den duur alleen de eerste twee over. Op internet is distributie vrijwel gratis, waardoor iedereen zijn eigen nieuws kan verspreiden. Voor commentaar op het nieuws hebben lezers, denken ze, geen journalisten meer nodig; ze doen het zelf wel, op weblogs en in reacties – comments – op het nieuws. Voor het filteren en selecteren gebruiken ze Google.

Door de opkomst van internet heeft de journalist meer te stellen met zijn lezers. Die zijn eigenwijzer en luidruchtiger. Maar op een betrekkelijk kleine groep na, willen lezers geen journalist zijn. Hooguit willen ze af en toe meepraten, als klokkenluider van groot nieuws of als omroeper van kleine feiten. En bijna altijd weten die lezers samen meer van een onderwerp dan de journalist.

De Google-generatie denkt zelfs dat ze wel zonder journalistieke media kan – ten onrechte, want voor de waarheid over de kredietcrisis, politieke schandalen en verre, soms vergeten oorlogen zijn professionele journalisten nodig.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden